id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.518 Rolnummer: A. 185083/X-13437 Zaak: Arrest 179518 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:36 Fiche Arrest nr 179.518 van 12 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.518 van 12 februari 2008 in de zaak A. 185.083/X-13.
- In zake : Patrick DE PRETER, die woonplaats kiest bij advocaten W. MERTENS en A. BEELEN, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Patrick DE PRETER op 7 september 2007 heeft ingediend, en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 5 juli 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen en houdende weigering van een stedenbouwkundige vergunning voor terreinaanlegwerken aan de Mechelsesteenweg te Lier, kadastraal bekend sectie E, nr. 639/c; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 november 2007 waarbij de terecht-zitting bepaald wordt op 21 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-13.437-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. BEELEN, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat M. ROOSEN, die loco advocaat J. CLAES verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.
- Luidens artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bevat het enig verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Bij het beoordelen van deze schorsingsvoorwaarde kan dan ook alleen rekening worden gehouden met wat ter zake in het verzoekschrift werd aangevoerd en met de bij dat verzoekschrift gevoegde stukken. 2.
- De verzoekende partijen omschrijven hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hun verzoekschrift als volgt : “Conform art. 17 §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing worden bevolen indien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. (...) X-13.437-2/5 In casu is het nadeel gelegen in het risico dat verzoeker bij gebreke aan schorsing van de bestreden beslissing de gewestplanbestemming die op zijn perceel rust niet zal kunnen realiseren. Verzoeker heeft in 1996 de eigendom over het perceel gelegen te Lier, Mechelsesteenweg, kadastraal omschreven afdeling 3, Sectie E, nr. 639C, verworven (...). Het gebied was door het gewestplan Mechelen (KB 05.08.1976) bestemd als gebied voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen, met bijkomende bestemming renovatiegebied (...). Deze gewestplanbestemming is tot op heden nog niet veranderd, maar zij wordt uitgehold door verschillende bestuurlijke initiatieven. Zo weigert de verwerende partij in de bestreden beslissing om verzoeker toelating te verlenen om deze gewestplanbestemming te realiseren op basis van de motivering dat het perceel in overstromingsgevoelig gebied is gelegen. Verzoeker heeft in het kader van middelen uiteengezet (dat) dit motief onwettig en onjuist is (...). De kans dat de verwerende partij zonder voorafgaandelijke schorsing door Uw Raad de bestreden beslissing zou intrekken en/ of haar standpunt over de wettigheid van de opname van het perceel van verzoeker in het overstromingsgevoelig gebied zou herzien om vervolgens, zonder die context de aanvraag van verzoeker te onderzoeken en te behandelen, is nagenoeg onbestaande. Het gevolg hiervan is dat er bij gebreke aan schorsing naar alle waarschijnlijkheid nog andere bestuursbeslissingen zullen kunnen tussenkomen die de realisatie van het project van verzoeker nog verder zullen bemoeilijken en zelfs onmogelijk zullen maken. Uit wat volgt moge blijken dat die vrees van verzoeker niet hypothetisch is. Zo heeft de Stad Lier in haar gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, goedgekeurd bij besluit van de bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen van 09.10.2003 (B.S., 03.11.2003) te kennen gegeven dat zij het valleigebied van de Beneden-Nete, waartoe het perceel van verzoeker behoort, op termijn te wil(len) omvormen tot natuur- of groengebied (...). Terecht heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen in een vonnis van 07.06.2006 geoordeeld dat dit gemeentelijk ruimtelijk structuurplan pas afbreuk zal kunnen doen aan de bestemming die door het gewestplan aan het perceel van verzoeker werd gegeven nadat er een ruimtelijk uitvoeringsplan zal zijn uitgevaardigd (...). Verzoeker had die procedure bij de Vrederechter te Lier en vervolgens in beroep bij de Rechtbank van Eerste Aanleg van Mechelen trouwens moeten voeren omdat de ontwikkeling van het project geblokkeerd werd door de provincie Antwerpen en IVAREM. Deze weigerden om verzoeker vrijwillig de uitweg tot de openbare weg te verlenen waarop hij wettelijk recht had. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen heeft die discussie bij vonnis d.d. 07.06.2006 definitief beslecht in het voordeel van verzoeker (...). Aangezien de rechtsspraak van Uw Raad vaststaand is in die zin dat een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan - lees: het GRS van de stad Lier - niet met succes kan worden aangevochten bij Uw Raad, heeft verzoeker van dergelijk initiatief afgezien (...). Het is evenwel duidelijk dat er een groot risico is dat de stad Lier en/ of de provincie Antwerpen op korte termijn de opmaak van een RUP zal aanvatten om op de percelen van verzoeker die beleidsdoelstelling van de realisatie van een natuur- of groengebied te verwezenlijken. Verzoeker moet bovendien niet alleen de dreiging van een RUP als bijkomende hindernis op het kunnen verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning vrezen. X-13.437-3/5 Ingevolge wijziging bij decreet van de Vlaamse Raad van 19.05.2006 bepaalt art. 40 van het Decreet Integraal Waterbeleid van 18.07.2003 thans dat de bekkenbeheerplannen uiterlijk 22.12.2007 voor het eerst worden vastgesteld en bekendgemaakt. Conform punt 5.1.a) van art. N3 Bijlage III bij het Decreet worden in die bekkenbeheerplannen de overstromingsgebieden op kaart aangeduid. Aangezien het perceel van verzoeker reeds (onwettig) werd opgenomen op de kaart van de overstromingsgevoelige gebieden, bijlage bij het besluit van 20.07.2006, is de kans dat zijn perceel in die bekkenbeheerplannen als overstromingsgebied zal worden aangeduid, zeer reëel. Bij de uiteenzetting omtrent de middelen werd reeds aangehaald dat de definitie van beide begrippen quasi identiek is. In beide gevallen gaat het immers over een gebied dat op regelmatige tijdstippen overstroomt of kan overstromen (zie en vergelijk art. 3,44/ van het decreet van 18.07.2003 met art. 1,14/ van het besluit van 20.07.2006). Indien de schorsing van de bestreden beslissing niet wordt bevolen, dan zal verzoeker bijgevolg wellicht genoodzaakt worden om én het toekomstig RUP én het bekkenbeheerplan waarbinnen zijn eigendom zal zijn gelegen, aan te vechten om alleen maar een kans op de realisatie van de gewestplanbestemming op zijn terrein te kunnen vrijwaren. Het feit dat er aan beide beslissingen (RUP en bekkenbeheerplan) een openbaar onderzoek moet voorafgaan waarbinnen verzoeker bezwaar zal kunnen formuleren lijkt niet van aard om de overheid ervan te overtuigen om de blijkbaar vaste wil die zij heeft om op zijn perceel de realisatie van de gewestplanbestemming ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen, met bijkomende bestemming renovatiegebied te verhinderen, te verlaten. Het is dan ook zeer aannemelijk dat het behoud van de tenuitvoerlegging van bestreden beslissing verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (onmogelijkheid tot realisatie van de gewestplanbestemming) kan berokkenen, zodat de schorsing van die beslissing kan worden bevolen”. De verwerende partij betwist dat de betrokken schorsings- voorwaarde is vervuld. 2.
- De bestreden beslissing betreft de weigering van de vergunning voor het opvullen van een vijver, welke opvulling de verzoeker wenst “met het oog op de latere aanleg van een ‘K.M.O.’-park”. De verzoeker toont geenszins concreet aan hoe deze weigering op zich tot gevolg kan hebben dat de vermelde gewestplanbestemming niet meer zou kunnen worden gerealiseerd. Hij kan er zich niet met goed gevolg op beroepen dat “naar alle waarschijnlijkheid nog andere bestuursbeslissingen zullen kunnen tussenkomen die de realisatie van het project van verzoeker nog verder zullen bemoeilijken en zelfs onmogelijk maken”. Het zelfde geldt met betrekking tot het “groot risico (...) dat de stad Lier en/of de provincie Antwerpen op korte termijn de opmaak van een RUP zal aanvatten ...”, en met de “(zeer reële) kans dat zijn perceel X-13.437-4/5 in (...) bekkenbeheerplannen als overstromingsgebied zal worden aangeduid”. Dergelijke nadelen zijn immers puur hypothetisch en vreemd aan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Bovendien brengt de verzoeker ook geen enkel gegeven aan waaruit blijkt wat hij precies van plan is en welk concreet project hij precies voor ogen heeft. Hij toont dan ook niet aan dat het niet kunnen verwezenlijken van dat “project” hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te berokkenen. 2.
- Uit het voorgaande dient te worden besloten dat de verzoeker niet aantoont dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel als bedoeld in de Raad van State-wet dreigt te berokkenen, en dat aan de tweede, constitutieve, schorsingsvoorwaarde niet is voldaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf februari 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.437-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.518 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div