id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.556 Rolnummer: A. 151404/VII-32121 Zaak: Arrest 179556 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 14/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:37 Fiche Arrest nr 179.556 van 14 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.556 van 14 februari 2008 in de zaak A. 151.404/VII-32.
- In zake : de n.v. ANALU, in faling, die woonplaats kiest bij advocaten F. KEULENEER en I. ROGIERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Verenigingstraat 28, en eveneens vertegenwoordigd door curator I. VAN DE MIEROP, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ANALU op 3 mei 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 17 februari 2004 waarbij de gronden gelegen te Machelen, Steenweg Peutie 113, worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederant- woord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 17 december 2007, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 17 januari 2008; VII-32.121-1/4 Gelet op de mededeling van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN HERCK die, loco advocaten F. KEULENEER en I. ROGIERS en loco curator I. VAN DE MIEROP verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. DEKETELAERE die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. ANALU bij vonnis van 10 april 2007 van de rechtbank van koophandel te Brussel failliet werd verklaard; dat in het auditoraatsverslag van 5 december 2007 wordt vastgesteld dat de curator het geding niet heeft hervat; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de curator met een schrijven van 23 augustus 2007 er aan herinnerd werd dat een gebeurlijke gedinghervatting dient te worden aangevraagd binnen een redelijke termijn; dat op 21 oktober 2007, hetzij bijna twee maanden daarna, de curator als volgt antwoordde: "Ik verwijs naar uw schrijven dd. 23 augustus 2007, waarin u mij vroeg standpunt in te nemen met betrekking tot de hervatting van het in rand vermelde geding. Dienaangaande zou ik u vriendelijk willen verzoeken mij een bijkomende termijn tot eind november 2007 te willen verschaffen teneinde, nu ik qq. op heden niet over de nodige stukken beschik om standpunt in te nemen met betrekking tot uw vraag. Ik weet u dank mij te bevestigen in afwachting nog geen verslag op te stellen waarbij u er van uitgaat dat het geding niet zal worden hervat"; dat hierop door het bevoegde lid van het auditoraat op 23 oktober 2007 is geantwoord dat er geen verslag zou worden opgesteld voor einde november 2007; dat in het auditoraatsverslag van 5 december 2007 wordt vastgesteld dat de curator het geding niet heeft hervat en wordt voorgesteld de zaak van de rol af te voeren wegens ontstentenis van gedinghervatting; dat nà de betekening van het voornoemde auditoraatsverslag, de curator bij een op 8 januari 2008 ter post aangetekende brief een "verklaring houdende hervatting van het rechtsgeding" aan de Raad van State bezorgt; VII-32.121-2/4 Overwegende dat artikel 55 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State bepaalt hetgeen volgt : "Zo, vóór de sluiting der debatten, een der partijen komt te overlijden, bestaat er grond tot hervatting van het rechtsgeding. [...]"; dat artikel 58 stelt : "In de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsge- ding, geschiedt zulks door een verklaring ter griffie"; Overwegende dat, ruim en naar analogie geïnterpreteerd, deze artikelen geen formele beperkingen opleggen aan de hervatting van het geding zodat deze in een aantal gevallen mag worden toegestaan tot aan de sluiting der debatten; dat echter in het kader van een faillissement mag worden verwacht dat een curator diligent meewerkt aan de procesvoering voor de Raad van State en zo spoedig mogelijk een eventuele gedinghervatting aan de Raad van State meedeelt; dat, overigens, dit principe spoort met artikel 40 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 krachtens welke bepaling de curatoren gehouden zijn "dadelijk na het vonnis van faillietverklaring" hun taak op te nemen en het faillissement "als een goed huisvader" te beheren; Overwegende dat te dezen de curator bijna negen maanden heeft gewacht met de hervatting van het geding; dat haar stilzitten er in elk geval heeft toe geleid dat het auditoraatsverslag ervan is uitgegaan dat er geen dergelijke hervatting voorhanden was; dat uit de gevoerde briefwisseling met het auditoraat voldoende duidelijk is gebleken dat door het auditoraat om een gebeurlijke gedinghervatting is gevraagd, zodat de curator niet in het ongewisse is gelaten; dat ter terechtzitting door de verzoekende partij ook niet is verwezen naar enige overmacht of bijzondere complexiteit van het faillissementsdossier; dat in deze de verlopen termijn, om zonder kosten een eenvoudige verklaring neer te leggen, niet meer redelijk is binnen een procesvoering als deze voor de Raad van State waarin van alle partijen wordt verwacht dat zij een voortdurende en ononderbroken belangstelling voor het geding vertonen; Overwegende dat het geding niet binnen een redelijke termijn is hervat; dat er dienvolgens reden is om de zaak van de rol af te voeren, VII-32.121-3/4 BESLUIT: Artikel
- De zaak wordt van de rol afgevoerd. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de failliete boedel. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-32.121-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div