id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.579 Rolnummer: A. 152438/AGAV-98 Zaak: Arrêt / Arrest 179579 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 14/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-16 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-29 07:37 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 179.579 van 14 februari 2008 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing Nederlandse tekst (titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973) RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE Nr. 179.579 van 14 februari 2008 A. 152.438/VIII-4580 In zake: BAERT Marylène, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Marc UYTTENDAELE en Mr. Philippe SCHAFFNER, advocaten, Bronstraat 68 1000 Brussel, tegen: de gemeente Sint-Agatha-Berchem, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Jean BOURTEMBOURG, advocaat, Zwitserlandstraat 24 1060 Brussel. DE RAAD VAN STATE, VIIIe KAMER , Gezien het op 4 juni 2004 ingediende verzoekschrift, waarbij Marylène BAERT de nietigverklaring vordert van de beslissing van het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 april 2004, waarbij "het kastekort van 16.182,98 euro, waarvoor ze als gemeenteontvanger op het ogenblik van de feiten aansprakelijk is, haar wordt aangerekend"; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag van de heer CUVELIER, auditeur bij de Raad van State; Gelet op de beschikking van 31 januari 2007, waarbij de neerlegging van het dossier en het verslag ter griffie wordt gelast; VIII - 4580 - 1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2007, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij bepaald wordt dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 1 juni 2007; Gehoord het verslag van mevrouw GEHLEN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. MARON, loco Mr. UYTTENDAELE, advocaat, die voor verzoekster verschijnt, en van Mr. BOURTEMBOURG, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het advies van de heer CUVELIER, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de volgende gegevens dienstig zijn voor het onderzoek van het beroep: Verzoekster was gemeenteontvanger van de gemeente Sint-Agatha- Berchem. Ze heeft op 5 juli 2002 uit haar ambt ontslag genomen met ingang van 1 oktober
- Dit ontslag is op 5 juli 2002 door de gemeenteraad aanvaard. Bij een ter post aangetekende brief van 2 juli 2003 heeft zij kennis gekregen van de volgende besluiten en documenten: - het proces-verbaal van nazien van het kasgeld, opgemaakt op 17 juni 2003 door de wnd. gemeenteontvanger en de schepen van financiën; - een besluit van 18 juni 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij waarbij het college, met toepassing van artikel 131 van de nieuwe gemeentewet, besloten heeft dat: " Mevrouw Marylène BAERT, indertijd gemeenteontvanger, gelet op het kastekort op 4 juli 2002 aan de gemeentekas de som van 16.182,98 euro moet storten; - een besluit van de gemeenteraad van de verwerende partij, vastgesteld op 26 juni 2003, waarin het volgende staat: VIII - 4580 - 2/7 "
- - de eindrekening die op verzoek van de gemeente door de expert opgesteld is, in de plaats van mevrouw Marylène BAERT, in gebreke blijvend, wordt afgesloten; 2.- het debetsaldo ten laste van mevrouw Marylène BAERT, ontslagnemend ontvanger, wordt vastgesteld op 16.182,98 EURO;
- - er wordt besloten mevrouw Marylène BAERT van dit besluit in kennis te stellen bij ter post aangetekend schrijven, met het verzoek het debetsaldo te vereffenen." Verzoekster heeft tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 18 juni 2003 een - schorsend - beroep ingesteld bij het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met toepassing van artikel 131, § 4, van de nieuwe gemeentewet. Ze heeft bovendien het besluit van de gemeenteraad van de verwerende partij van 26 juni 2003 bij het Rechtscollege aanhangig gemaakt. Met een verzoekschrift van 26 augustus 2003 heeft de verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van 26 juni 2003 gevorderd. Het beroep in kort geding is afgewezen bij arrest nr. 125.539 van 20 november
- In dit arrest wordt het volgende geoordeeld: "... Op 26 juni 2003 sluit de gemeenteraad van de verwerende partij bij het betwiste besluit de eindrekening af, die de expert in de plaats van verzoekster had opgemaakt, stelt het debetsaldo te haren laste vast op 16.182,98 euro en verzoekt haar dit debetsaldo aan te zuiveren. Verzoekster heeft bij het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een beroep ingesteld tegen de besluiten van 18 en 26 juni
- Het is thans aanhangig; Overwegende dat de tenuitvoerlegging van het betwiste besluit geschorst is ten gevolge van het beroep dat verzoekster bij het Rechtscollege heeft ingesteld; dat de beslissing die dit college zal nemen omtrent het bestaan van een debetsaldo en de som die verzoekster zal moeten terugbetalen, ter toetsing aan de Raad van State kan worden voorgelegd; dat hieruit volgt dat de vordering niet-ontvankelijk is; dat de omstandigheid dat het Rechtscollege besloten heeft te wachten op de uitspraak van dit arrest om over de grond van de zaak uitspraak te doen, aan deze conclusie niets afdoet, ...". Het beroep tot nietigverklaring is doelloos verklaard bij arrest nr. 137.131 van de Raad van State van 9 november 2004, die aldus geoordeeld heeft: "... Overwegende dat het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van het beroep dat verzoekster op 1 april 2004 had ingesteld en het volgende heeft geoordeeld: VIII - 4580 - 3/7 "... Het kastekort van 16.182,98 euro, waarvoor mevrouw Marylène BAERT op het ogenblik van de feiten als gemeenteontvanger aansprakelijk is, wordt haar aangerekend"; Overwegende dat verzoekster tegen deze beslissing een beroep ter zake van administratieve cassatie bij de Raad van State heeft ingesteld (op de rol ingeschreven onder het nr. G/A. 152.438); dat dit beroep schorsend is; Overwegende dat de beslissing van het Rechtscollege van 1 april 2004 in de plaats is gekomen van de bestreden handelingen; dat het beroep tot nietigverklaring aldus doelloos is geworden; dat er geen grond meer is om uitspraak te doen, ...", doordat het Rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ondertussen uitspraak had gedaan en had geoordeeld dat het kastekort duidelijk voor rekening was van verzoekster ten belope van 16.182,98 euro. Deze beslissing van het Rechtscollege vormt de handeling waartegen het cassatieberoep gericht is; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het cassatieberoep betwist; dat nadat zij nogmaals gewezen heeft op de stelling die zij in dat verband verdedigd heeft bij het Rechtscollege, op de middelen die zij heeft aangevoerd bij dat Rechtscollege en op het standpunt van dat Rechtscollege in dat verband wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep dat bij het college aanhangig was gemaakt, ze het volgende stelt: " Het is niet betwistbaar dat er een verband bestond tussen de twee bestreden besluiten - dat van het college van burgemeester en schepenen van 18 juni 2003 en dat van de gemeenteraad van 26 juni 2003 - welk verband tot gevolg had dat kon worden afgeweken van het beginsel dat tegen elk besluit een beroep moet worden ingesteld, wegens de verknochtheid ervan. Verzoekster heeft daarentegen niet betwist dat in haar beroep alleen middelen waren aangevoerd tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen waarbij ze verzocht was in de gemeentekas een som te storten. Geen enkel van de aangevoerde middelen had betrekking op het besluit van de gemeenteraad houdende definitieve afsluiting van de eindrekening. De verwerende partij is derhalve van oordeel dat het beroep bij het Rechtscollege niet-ontvankelijk was in zoverre het het besluit van de gemeenteraad bestreed. Het Rechtscollege had op die manier uitspraak moeten doen en bijgevolg moeten vaststellen dat het enige ontvankelijke beroep, bij het Rechtscollege ingesteld, gericht was tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen en moest worden verworpen, bij gebrek aan belang, het besluit van de gemeenteraad, daar het definitief was geworden. ...". VIII - 4580 - 4/7 dat de verwerende partij dat standpunt handhaaft in haar laatste memorie, zonder verdere argumenten daaraan toe te voegen; Overwegende dat, zoals vastgesteld is in arrest nr. 137.131 van 9 november 2004, de beslissing van het Rechtscollege van 1 april 2004 in de plaats gekomen is van zowel het besluit van het schepencollege van 18 juni 2003, als van dat van de gemeenteraad van 26 juni 2003; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de eerste auditeur-rapporteur ambtshalve een middel ontleent aan schending van de algemene rechtsbeginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid , van het beginsel "justice must not only be done, but also be seen to be done" en van het beginsel dat de correcte samenstelling van een rechtscollege een essentiële voorwaarde is wil het rechtsgeldig kunnen beslissen; dat hij erop wijst dat de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen die, wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de rechtsprekende taken van de bestendige deputatie toekent aan een rechtscollege, bepaalt dat voor de leden van dit college dezelfde onverenigbaarheden gelden als voor de leden van de bestendige deputatie in de provincies; dat hij stelt dat, aangezien de provincieraad de leden van de bestendige deputatie uit zijn midden kiest, de onverenigbaarheden die voor de leden van het rechtscollege gelden zowel die zijn voorgeschreven voor de leden van de provincieraden, als die voorgeschreven voor de leden van de bestendige deputatie; dat hij in dat verband verwijst naar de artikelen 25 en 27 van de provinciekieswet; dat hij vaststelt dat Simonne CREYF, die op 1 april 2004 als ondervoorzitter in het Rechtscollege zitting gehad heeft, op die datum lid was van de Kamer van volksvertegenwoordigers; dat hij daaruit afleidt dat het Rechtscollege niet regelmatig samengesteld was en tot cassatie van de bestreden handeling besluit; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het bezwaar oppert dat de handeling waarbij een lid van het Rechtscollege wordt aangewezen, een persoonsgerichte handeling is, dat geen beroep is ingesteld tegen de aanstelling van Simonne CREYF en dat die aanstelling bijgevolg onherroepelijk geworden is; dat zij daaruit afleidt dat "de mogelijke onregelmatigheid van de aanstelling van een lid van een administratief rechtscollege in zulke omstandigheden niet met goed gevolg kan worden aangevoerd tot staving van een beroep ingesteld tegen een beslissing van dat administratieve rechtscollege"; dat de verwerende partij, uiterst subsidiair, betoogt dat de onverenigbaarheden strikt behoren te worden geïnterpreteerd en dat, wanneer in een tekst wordt bepaald dat op de leden van het VIII - 4580 - 5/7 Rechtscollege dezelfde onverenigbaarheden toepasselijk zijn als die welke gelden voor de leden van de bestendige deputatie in de provincies, die onregelmatigheden uitsluitend die zijn welke gelden voor de leden van de bestendige deputaties en die noodzakelijkerwijs specifiek zijn; dat volgens haar, mocht de wetgever de bedoeling gehad hebben om de leden van het Rechtscollege te onderwerpen aan de onverenigbaarheden die gelden voor de leden van de provincieraad, hij dit ongetwijfeld wel zou hebben gepreciseerd; dat ze benadrukt dat een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers of van de Senaat niet tegelijkertijd provincieraadslid mag zijn, zodat men zich niet hoeft af te vragen of de onverenigbaarheden die gelden voor provincieraadsleden op dat lid van toepassing zijn; dat ze concludeert dat "het overigens aanvaardbaar was om alleen die onverenigbaarheden die gelden voor het lid van de bestendige deputatie, toe te passen op het lid van het Rechtscollege, aangezien laatstgenoemd lid, in tegenstelling tot het eerstgenoemde lid, geen enkel politiek mandaat uitoefent en niet noodzakelijkerwijze een verkozene is"; Overwegende dat het argument dat steunt op de onherroepelijkheid van de aanstelling van Simonne CREYF als lid van het Rechtscollege, niet doorslaggevend is; dat wanneer bij de Raad van State een beroep ingesteld wordt tegen een bepaalde rechterlijke beslissing, het de Raad niet toekomt zich uit te spreken over de wettigheid van de aanstelling van de betrokkene, maar alleen over de regelmatigheid van de samenstelling van het college toen dat de bestreden beslissing genomen heeft; dat hij verplicht is deze regelmatigheid zo nodig ambtshalve te controleren; dat volgens artikel 83quinquies, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen "bij de procedure voor het college (...) dezelfde regels nageleefd (moeten) worden als die welke van toepassing zijn wanneer in de provincies de bestendige deputatie een rechtsprekende taak vervult"; dat volgens artikel 104, vierde lid, van de provinciewet "de bestendige deputatie kan beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van haar stemgerechtigde leden aanwezig is"; dat er geen uitzondering op die regel bestaat wanneer de bestendige deputatie een rechtsprekende taak vervult; dat het Rechtscollege in casu rechtsgeldig zitting had kunnen houden, beraadslagen en beslissen in afwezigheid van Simone CREYF; Overwegende dat het middel voor de eerste maal aangevoerd wordt bij de Raad van State; dat in de zaken 161.208/XII-4985, 164.394/XII-4986 en 168.636/XII-4984 hetzelfde probleem van onverenigbaarheid aan de orde is; dat dat probleem in de toekomst nog dreigt te rijzen; dat het zinnig lijkt, teneinde onmiddellijk de eenheid van rechtspraak te waarborgen, de zaak voor te leggen aan VIII - 4580 - 6/7 de Eerste Voorzitter die, overeenkomstig artikel 92, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in voorkomend geval zal bevelen de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- De zaak wordt voorgelegd aan de Eerste Voorzitter. Artikel
- De beslissing over de kosten wordt in beraad gehouden. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting, op veertien februari tweeduizend acht door: de Hr. GEUS, kamervoorzitter, Mevr. DAURMONT, staatsraad, Mevr. GEHLEN, staatsraad, Mevr. HONDERMARCQ, griffier. De Griffier, De Voorzitter, M.-Cl. HONDERMARCQ J.-Cl. GEUS VERTALING OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 63, EERSTE LID, VAN DE WETTEN OP DE RAAD VAN STATE, GECOÖRDINEERD OP 12 JANUARI
- VIII - 4580 - 7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.579 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div