id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.609 Rolnummer: A. 185525/XII-5248 Zaak: Arrest 179609 - Tucht (openbaar ambt) - 14/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:38 Fiche Arrest nr 179.609 van 14 februari 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.609 van 14 februari 2008 in de zaak A. 185.525/XII-5248. In zake : de GEMEENTE HAALTERT, die woonplaats kiest bij advocaat J. De Maertelaere, kantoor houdende te Evergem, Stuivenbergstraat 71 tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, 2. de BEROEPSCOMMISSIE VOOR TUCHTZAKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Haaltert op 17 oktober 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 12 september 2007 van de beroepscommissie voor tuchtzaken waarbij het beroep dat D.M. heeft ingesteld tegen het besluit van 18 juni 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert om hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, gegrond wordt bevonden en waarbij hem de tuchtstraf van de schorsing gedurende twee maanden wordt opgelegd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 januari 2008; XII-5248-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. De Maertelaere, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Op 12 september 2007 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert aan D.M., technisch assistent, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen omdat hij in de periode van eind oktober 2006 tot eind november 2006 onvoldoende prestaties heeft verricht met de tractor met klepelmaaier. Op beroep van D.M., hervormt de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) de collegebeslissing en legt zij aan hem de tuchtsanctie op van de schorsing gedurende twee maanden. Overwogen wordt onder meer wat volgt : “Uit de dossiergegevens blijkt niet dat het bestuur zijn gemeentearbeider op zijn ‘functioneren’ heeft gevolgd en aan een toch wenselijke evaluatie heeft onderworpen, alvorens tot de ingrijpende stap over te gaan van de tuchtvervolging. De beroepscommissie kan deze gang van zaken alleen maar betreuren. In onderhavige zaak komen de feiten van de tenlastelegging concreet niet dusdanig zwaarwichtig over dat ze de plichtsverzuimer -thans appellant- alle krediet in zijn werkgebied ontneemt en zijn dienst in onherstelbare mate ontwricht waardoor een tuchtsanctie zoals thans bestreden gerechtvaardigd zou zijn. De aangehouden tekortkomingen strekken zich uit over welgeteld twee maanden en behelzen hooguit een aantal onvoldoende uren prestatie gedurende acht dagen. Zelfs indien geen acht zou worden geslagen op de wel aannemelijke sterke nuancering die de appellant aanbrengt aan de ‘aanklacht’, moet toch in alle redelijkheid worden geoordeeld dat een radicale sanctie, zoals thans bestreden, niet evenredig is met de aangehouden tuchtfeiten. Er moet rekening worden gehouden te dezen met de eerder geringe weerslag van de fout(
- en)op het gemeentelijke beleid, noch op de goede werking van de dienst waar betrokkene is tewerkgesteld”. XII-5248-2/6 2. Volgens de nota’s van de verwerende partijen is de vordering niet ontvankelijk. Een onderzoek van en een uitspraak over die ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen als mocht blijken dat de grondvoorwaarden voor een schorsing vervuld zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. 3.. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot een schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de cumulatieve voorwaarden dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4. Met betrekking tot de tweede voorwaarde benadrukt verzoekster in de eerste plaats dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat “doordat de Beroepscommissie voor tuchtzaken met miskenning van de door artikel 162, van de Grondwet gewaarborgde gemeentelijke autonomie - een veel lichtere tuchtstraf heeft opgelegd aan de betrokkene”. In essentie betreurt zij dat het vroegere goedkeuringstoezicht vervangen is door een hervormingstoezicht, waardoor nu “de gemeentelijke tuchtoverheid geconfronteerd [wordt] met een uitvoerbare beslissing die een onmiddellijke zware impact heeft op de dienst”, terwijl voorheen de tuchtoverheid een niet-goedgekeurde tuchtsanctie binnen bepaalde grenzen alsnog kon hernemen. Verwerende partijen werpen terzake tegen : “De verzoekende partij kan niet tegengesproken worden dat een en ander anders moet bekeken worden dan in de tijd dat er een puur goedkeuringstoezicht bestond. Maar dit impliceert niet dat dan maar per definitie een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou moeten aanvaard worden, omdat de rechtssituatie veranderd is”. Het verweer is terecht. Verzoeksters beschrijving van de verschillen tussen de huidige en de vroegere toezichtsregeling in tuchtzaken en haar verzuchting dat zij vanwege de gewijzigde regelgeving niet meer de mogelijkheid heeft om D.M. -onder voorwaarden- nog opnieuw het ontslag van ambtswege op te leggen, komen niet relevant voor. Waar het in verband met het al dan niet vervuld zijn van de tweede schorsingsvoorwaarde om gaat, is te weten welk nadeel zij erdoor lijdt dat D.M. voor XII-5248-3/6 de feiten van oktober-november 2006 finaal met een schorsing van twee maanden is bestraft, in plaats van met het ontslag van ambtswege. De besproken argumentatie brengt terzake niets bij. In zoverre verzoekster de ernst van haar eerste middel -waarin zij de hervormingsbevoegdheid van de beroepscommissie betwist wegens schending van artikel 162 van de Grondwet- wil doen betrekken bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat de voorwaarde met betrekking tot het aanvoeren van een ernstig middel en die met betrekking tot het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in principe twee onderscheiden voorwaarden betreffen, waarbij de ene voorwaarde niet tot de andere terug te voeren is. De voorwaarden worden afzonderlijk onderzocht en beoordeeld. 5. In de tweede plaats doet verzoekster gelden dat de bestreden beslissing “een uiterst slecht signaal naar de personeelsleden” vormt. Immers begrijpt verzoekster uit de bestreden beslissing dat werkschuwheid “klaarblijkelijk geen passende sanctionering [verdient]”. Die lezing wordt niet bijgevallen. Ook de beroepscommissie legt een zware tuchtstraf op, weze het dat zij, op grond van een eigen afweging, een schorsing van twee maanden meer aangepast oordeelt dan een ontslag van ambtswege. Dat verzoekster daarover een andere mening heeft, wijst niet uit zichzelf uit dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. 6. Naar verzoekster in de derde plaats betoogt, is de bestreden beslissing “in dermate bewoordingen gesteld dat de verzoekende partij een moreel nadeel lijdt”. Bij gebreke aan nadere toelichting neemt de Raad van State aan dat verzoekster hiermee doelt op de passus waarin de beroepscommissie zegt te “betreuren” dat de verwerende partij D.M. niet eerst aan een “wenselijke” evaluatie heeft onderworpen, vooraleer hem tuchtrechtelijk te vervolgen. Het is de Raad van State totaal onduidelijk wat in die enkele uitlating krenkend is, en nog wel in die mate dat verzoekster verondersteld kan worden er een moreel nadeel door te lijden en, méér nog zelfs, een moreel nadeel dat “niet afdoende kan worden hersteld door een eventueel tussen te komen annulatiearrest”. XII-5248-4/6 7. Ten vierde voert verzoekster aan dat de beroepscommissie een bijkomende verantwoordelijkheid bij de tuchtoverheid legt en haar zodoende verhindert onmiddellijk en gepast het disfunctioneren van een personeelslid te bestraffen. Zij voegt eraan toe dat de bestreden beslissing een belangrijke precedentwaarde heeft, dat de onzekerheid omtrent de rechtsgeldigheid van de beslissing de werking van de dienst verstoort, en dat de tuchtoverheid het recht en de plicht heeft om vlug tuchtrechtelijk op te treden. Ook dit nadeel lijkt terug te gaan op de passus van de bestreden beslissing waarin de beroepscommissie betreurt dat D.M. niet is geëvalueerd vooraleer tuchtrechtelijk vervolgd te zijn geworden. Verzoekster leidt eruit af dat zij voortaan het disfunctioneren van een personeelslid eerst via de weg van de evaluatie moet trachten te verhelpen en pas dan tuchtrechtelijk mag optreden. Verzoekster geeft op het eerste gezicht aan de voornoemde passus een draagwijdte die er vreemd aan is, al was het maar omdat tenminste in de huidige stand van de procedure die passus geenszins voorkomt een dragend motief van de bestreden beslissing te zijn, maar ten hoogste een terloops advies. Wat de beroepscommissie in de bedoelde passus doet, is ten eerste vaststellen dat er geen voorafgaande “wenselijke” evaluatie is geweest en ten tweede zulks spijtig noemen. Voorts lijkt de beroepscommissie aan een en ander geen enkel verder gevolg te verbinden en wordt het collegebesluit van 18 juni 2007 uiteindelijk hervormd, niet vanwege de afwezigheid van een voorafgaande evaluatie, maar omdat de tekortkomingen van D.M. “concreet niet dusdanig zwaarwichtig” zijn dat zij een “radicale sanctie” als het ontslag van ambtswege verantwoorden. Strikt genomen, dus, lijkt de gewraakte passus alleen een welgemeende, maar vrijblijvende tip in te houden. 8. In de vijfde plaats, ten slotte, doet verzoekster als nadeel gelden dat, aangezien D.M. al een tuchtrechtelijke inhouding van wedde gedurende drie maanden opliep wegens werkschuwheid, “een tuchtrechtelijke schorsing van... twee maanden” hem niet tot betere inzichten “zal” brengen. Dat D.M. geen lering uit de tuchtstraf van de schorsing van twee maanden “zal” trekken, is een blote bewering waarvan de juistheid niet evident is. Voorts is het al te voorbarig en speculatief om er thans reeds vanuit te gaan dat ingeval de bewering toch bewaarheid wordt, verzoekster dan een nadeel riskeert dat XII-5248-5/6 als ernstig en moeilijk te herstellen in de zin van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te beschouwen is. 9. Noch afzonderlijk beschouwd, noch tezamen genomen, kunnen de aangevoerde nadelen verantwoorden dat voldaan is aan de tweede grondvoorwaarde voor een schorsing. Er is derhalve reden om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat nog hoeft nagegaan of verzoekster eventueel een ernstig middel aanvoert. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5248-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.609 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.419 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.262 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div