id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.634 Rolnummer: A. 185707/VII-37085 Zaak: Arrest 179634 - Milieuvergunningen - 14/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:38 Fiche Arrest nr 179.634 van 14 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.634 van 14 februari 2008 in de zaak A. 185.707/VII-37.
- In zake :
- Philippe de HALLEUX,
- Laurence de CROMBRUGGHE de PICQUENDAELE, die woonplaats kiezen bij advocaten P. FLAMEY en P.J. VERVOORT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te TERVUREN, Merenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Philippe de HALLEUX en Laurence de CROMBRUGGHE de PICQUENDAELE op 31 oktober 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT van 30 augustus 2007 waarbij hun beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg van 15 maart 2007, houdende het verlenen aan Jan BUTAYE van de milieuvergunning voor de opslag en de verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval voor de verwarming van tunnelserres, gelegen aan de Veeweidestraat 50 te Huldenberg, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd en aangevuld met een bijzondere voorwaarde waarbij het verbranden van houtafval afkomstig van afvalverwerking of van bouw- en sloopactiviteiten wordt verboden; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 17 december 2007, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 17 januari 2008; VII-37.085-1/12 Gelet op de mededeling van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaten P. FLAMEY en J. BOSQUET, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 14 december 2006 dient Jan BUTAYE bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een vergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een inrichting voor de opslag en verbranding van biomassa-afval (rubriek 2.3.4.1.a).2/.1) van de indelingslijst). Het voorwerp van de aanvraag heeft in concreto betrekking op een verbrandingsinstallatie voor niet verontreinigd behandeld houtafval die zal dienen voor de verwarming van tunnelserres voor de teelt van kleinhoutig fruit, gelegen aan de Veeweidestraat 50 te Huldenberg. 1.
- Met een besluit van 15 maart 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg de gevraagde vergunning. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een drietal bijzondere voorwaarden. 1.
- Tegen voornoemd besluit stellen de verzoekende partijen op 19 april 2007 beroep in bij de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT. In het beroepschrift wordt onder meer gewezen op de "manifeste" strijdigheid van de inrichting met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. VII-37.085-2/12 1.
- Met een besluit van 30 augustus 2007 van de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT wordt het administratief beroep van de verzoekende partijen tegen het besluit van 15 maart 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg niet ingewilligd. De in eerste aanleg verleende vergunning wordt bevestigd mits aanvulling van de opgelegde bijzondere voorwaarden met een bijkomende voorwaarde waarbij het verbranden van houtafval afkomstig van afvalverwerking of van bouw- en sloopactiviteiten wordt verboden. Het bestreden besluit luidt als volgt : "I. Betreft Beroep ingediend door Philippe de Halleux en Laurence de Crombrugghe de Picquendaele (omwonenden) tegen de vergunning voor de opslag en verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval voor verwarming van tunnelserres. Aanspraken van het beroepschrift (samengevat)
- Zowel het ketelhuis en houtsnipperopslag als de plastiektunnels die verwarmd zullen worden door de verbrandingsinstallatie zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De plastiektunnels en de verbrandingsinstallatie brengen de schoonheidswaarde van het landschap in gedrang en zijn in strijd met de gewestplanbestemming.
- De vergunningsaanvraag bevat onvoldoende technische informatie over de verbrandingsinstallatie (procédé, ontstane afvalstoffen) en geen omschrijving van de preventieve maatregelen die zullen worden genomen om hinder te beperken.
- De afvalverbrandingsinstallatie brengt rook-, geur-, en lawaaihinder met zich mee, de aanvoer en afvoer van het houtafval en de verbrandingsassen zorgen voor bijkomende hinder (door vrachtwagenverkeer), de exploitant beweert dat de verbrandingsassen zullen worden opgehaald door Indaver.
- Er is geen duidelijkheid over de vergunningsstatus van het eerder bouwvallig gebouw waar de houtsnippers worden opgeslagen en de verbrandingsinstallatie werd gebouwd. De beroepindiener stelt voor om de vergunning te weigeren aangezien het aannemelijk is dat de hinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. II. Toepasselijke regelgeving Het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd. Het besluit van 06 februari 1991 van de Vlaamse Executieve houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd. Het besluit d.d.1 juni 1995 van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals gewijzigd. III. Feitelijke gegevens Op 20.04.2007 werd door Flamey advocaten, Jan Van Rijswijcklaan 16 te 2018 Antwerpen namens Philippe de Halleux en Laurence de Crombrugghe de Picquendaele beroep aangetekend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg d.d. 15.03.2007 houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Jan Butaye, Veeweidestraat 50 te 3040 Huldenberg voor het uitbaten van een inrichting voor opslag en verbranding VII-37.085-3/12 van biomassa gelegen op bovenvermeld adres, afdeling 4, sectie C, nr. 302s met als voorwerp: - opslag en verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval in 2 stookinstallaties met een nominaal thennisch vermogen van elk 100 kW (rubriek 2.3.4.1.a.
- 1). De vergunning werd verleend voor een termijn van 20 jaar. Het beroepschrift werd ontvangen op 23.04.
- IV. Ontvankelijkheid Op 27.04.2007 werd het beroepschrift ontvankelijk verklaard. Op 28.06.2007 werd de behandelingstermijn met 1 maand verlengd. V. Adviezen, Onderzoek en Motivering Op 18.06.2007 bracht het Agentschap R-O Vlaanderen (ASV) gunstig advies uit. Op 25.05.2007 bracht de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) gunstig advies uit. Op 26.06.2007 bracht Toezicht Volksgezondheid (ToVo) gunstig advies uit mits voldaan wordt aan volgende bijzondere voorwaarde: - De houtverbrandingsinstallatie mag enkel gebruikt worden in periodes waarbij de vrijkomende energie nuttig wordt aangewend voor de verwarming van de tunnelserres. Op 23.05.2007 bracht Milieuvergunningen Dienst Vlaams-Brabant (AMV) volgend advies uit: beroep ongegrond, beslissing college bevestigen Op 1.06.2007 bracht de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) gunstig advies uit voor een proeftermijn van 2 jaar mits voldaan wordt aan volgende bijzondere voorwaarden: - De emissiegrenswaarden van artikel 5.2.
- bis 4.
- van Vlarem II en de bijhorende meetfrequenties zijn van toepassing op de emissies van de houtverbrandingsinstallatie; - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken; - Er moet op gelet worden dat het te verbranden houtafval voldoet aan de richtwaarden van artikel 5.2.3 bis 4.14 van Vlarem II; - Binnen de drie maanden na aanvang van de exploitatie moet de exploitant alle opgelegde analyses (concentraties van stofdeeltjes totaal, CO, NOx, HCL, dioxines en furanen) uitvoeren op de rookgassen om aan te tonen dat de verbrandingsinstallatie kan voldoen aan de emissiegrenswaarden voor de verbranding van niet-verontreinigd behandeld houtafval. Zonodig moet de installatie bijgesteld worden waarna nieuwe metingen moeten worden uitgevoerd; - De houtverbrandingsinstallatie mag enkel gebruikt worden in periodes waarbij de vrijkomende energie nuttig wordt aangewend; - Enkel houtafval dat niet voor materiaalrecuperatie in aanmerking komt mag verbrand worden. Evaluatie: Het is niet aangewezen om voor deze nieuwe houtverbrandingsinstallatie een proefvergunning te verlenen. Een proefvergunning zou aangewezen zijn wanneer het zou gaan om een nieuwe technologie die haar deugdelijkheid nog moet bewijzen. De voorgestelde houtverbrandingsinstallatie is echter een gekende technologie. Er werd zelfs een BBT- studie over gemaakt. Het voorstel van de OVAM, overgenomen door de gemeente (zie verslag van het onderzoek), om binnen de 3 maanden na het opstarten, emissiemetingen te doen en de resultaten hiervan over te zenden aan de gemeente biedt voldoende VII-37.085-4/12 garanties dat de emissies van de installatie goed zullen opgevolgd worden en dat desgewenst nog milderende maatregelen moeten getroffen worden. OVAM had trouwens in eerste aanleg ook een proefvergunning van 2 jaar voorgesteld maar de gemeente is hier niet op ingegaan. Zij heeft de vergunning verleend voor 20 jaar onder toepassing van strenge vergunningsvoorwaarden. Op 27.06.2007 bracht de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) unaniem volgend advies uit: de beslissing van het CBS van 15.03.2007 wordt bevestigd en aangevuld met volgende bijzondere voorwaarde: - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken. De stemgerechtigde leden waren de voorzitter en de vertegenwoordigers van de afdelingen ASV, VMM, APSG, AMV, OVAM en 2 externe deskundigen. Evaluatie van het beroepschrift
- De stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit werd door de deputatie verleend op 25 oktober
- Deze plastiektunnels zijn niet Vlarem-plichtig. De planologische verenigbaarheid van de tunnelserres is niet(meer) aanvechtbaar in het kader van onderhavige milieuvergunningsaanvraag. De houtverbrandingsinrichting voor de verwarming van de teelttunnels is wel Vlarem-plichtig maar wordt ondergebracht in een bestaand gebouw dat overigens aansluit bij bestaande bebouwing ( oude hoeve). De houtverbrandingsinstallatie heeft geen planologisch wijzigende impact.
- de verbrandingsinstallatie wordt wel degelijk uitgebreid toegelicht in de aanvraag (bijlage 2).Er werden zelfs emissiemetingen (CO, stikstof, stof...) in opgenomen.
- Wanneer de ter zake geldende algemene en sectorale vergunningsvoorwaarden van Vlarem II en de door het college opgelegde bijzondere voorwaarden nageleefd worden, kan de uitbating geschieden zonder overmatige hinder voor de omgeving.
- In het dossier dat werd overgezonden door de gemeente zijn geen aanwijzingen dat het gebouw niet over een geldige bouwvergunning zou beschikken . Mogelijks gaat het om een gebouw dat gebouwd werd voor het in voege treden van de Stedenbouwwet in
- Eventuele verbouwings/herstelwerken aan dit gebouw vallen buiten het beoordelingskader van de milieuaanvraag. Verslag van het onderzoek De inrichting (plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit en een houtverbrandingsinstallatie) is volgens het gewestplan Leuven (KB 07/04/1977) deels gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en deels in landelijk woongebied. De uitbating is verenigbaar met de bepalingen van art. 11 en 15 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. De Vlaremplichtige houtverbrandingsinstallatie heeft geen planologisch wijzigende impact. De inrichting waartegen beroep is ingediend betreft een installatie voor de opslag en het verbranden van biomassa voor de verwarming van 2 tunnelserres in een gesloten watercircuit doorheen de tunnels. Het opgewarmde water wordt naar de tunnels gevoerd. Het afgekoelde water wordt terug afgevoerd naar de verwarmingsinstallatie. De assen uit de verbrandingsinstallatie zullen opgehaald worden door Indaver om daar verwerkt te worden. De houtverbrandingsinstallatie staat opgesteld in een klein gebouw dat vroeger dienst deed als loods of stal en maakt onderdeel uit van de voormalige VII-37.085-5/12 boerderij. Het terrein werd recent aangekocht door de huidige exploitant voor de teelt van kleinfruit (frambozen, braambessen, aalbessen). Om de teelt van kleinfruit in optimale omstandigheden te laten verlopen (spreiding van de oogst) werden over een oppervlakte van iets minder dan één ha open en gesloten plastiek tunnels aangelegd. De nieuwe houtverbrandingsinstallatie heeft eerder een beperkt vermogen (2 x 100 kW) terwijl het nominaal vermogen voor indeling in klasse 2 tot een bovendrempel van 5MW gaat. De installatie ligt tevens op ruime afstand van de omringende woningen (minimaal 100 m en op 200 m van de woning van beroeper). Bovendien gelden er strenge voorwaarden zowel voor het gebruik van de brandstof (niet verontreinigd behandeld houtafval; artikel 5.2.3bis.4.14 van Vlarem II) als voor de emissiegrenswaarden van de rookgassen (art. 5.2.3bis.4.15 van Vlarem II). Het college legde verder volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden op: - De houtverbrandingsinstallatie mag enkel gebruikt worden in periodes waarbij de vrijkomende energie nuttig wordt aangewend; - Enkel niet-verontreinigd houtafval dat niet voor materiaalrecuperatie in aanmerking komt mag verbrand worden. Het niet-verontreinigd houtafval voldoet minimaal aan de voorwaarden van artikel 5.2.3bis.4.14 van Vlarem II. De installatie voldoet aan emissie grenswaarden zoals opgenomen in art. 5.2.3bis.4.15 van Vlarem II Binnen de 3 maanden na de aanvang van de exploitatie moet de exploitant alle opgelegde analyses ( concentraties stofdeeltjes totaal, CO,NOx, HCl, dioxines en furanen) uitvoeren op de rookgassen om aan te tonen dat de verbrandingsinstallatie kan voldoen aan de emissiegrenswaarden voor de verbranding van niet-verontreinigd behandeld houtafval. Zo nodig moet de installatie bijgesteld of uitgebreid worden met een rookgaszuivering ( cycloon, multicycloon= BBT,) zodat aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan. Na deze aanpassingen worden nieuwe metingen gedaan. Alle meetresultaten dienaangaande worden overgezonden aan de milieudienst van de gemeente Huldenberg. Een vergelijking van deze door het college opgelegde voorwaarden en door de OVAM voorgestelde bijzondere vergunningsvoorwaarden leert dat enkel de voorwaarde over het exclusief gebruik van niet-verontreinigd behandeld houtafval niet door het college werd overgenomen. Om uitdrukkelijk enkel het gebruik van niet-verontreinigd behandeld houtafval te garanderen wordt deze bijzondere vergunningsvoorwaarde bijkomend opgelegd. Zodoende is in de hoogst mogelijke mate gegarandeerd dat de uitbating BBT -conform kan geschieden en zonder overmatige hinder voor de omgeving. De inrichting is niet gelegen in overstromings(gevoelig)gebied. De aangevraagde inrichtingen hebben geen wijzigende impact op de waterhuishouding in de omgeving (watertoets). Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het beroep niet in te willigen en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg te bevestigen en aan te vullen met volgende bijzondere voorwaarde: - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken. Na het verslag gehoord te hebben van Jean-Pol OLBRECHTS, als lid van de deputatie, VII-37.085-6/12 BESLUIT: Artikel
- Het beroep ingediend door Flamey advocaten, Jan Van Rijswijcklaan 16 te 2018 Antwerpen namens Philippe de Halleux en Laurence de Crombrugghe de Picquendaele tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg d.d. 15.03.2007 houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Jan Butaye, Veeweidestraat 50 te 3040 Huldenberg voor het uitbaten van een inrichting voor opslag en verbranding van biomassa gelegen op bovenvermeld adres wordt niet ingewilligd. Art.
- De beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg van 15.03.2007 wordt bevestigd en aangevuld met volgende bijzondere voorwaarde: - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken". 1.
- Met betrekking tot dezelfde inrichting is een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het plaatsen van plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit te Sint-Aghata-Rode (Huldenberg), Veeweidestraat
- Tegen die vergunning hebben de verzoekende partijen ook een beroep tot nietigverklaring en tevens een vordering tot schorsing ingediend (zaak gekend onder A. 170.676/X-12.718). Bij arrest nr. 159.245 van 29 mei 2006 is de vordering tot schorsing verworpen. Het annulatieberoep is thans nog hangende;
- De rechtspleging Overwegende dat de verwerende partij op 15 januari 2008 een pleitnota en een administratief dossier wenst neer te leggen; dat de procedureregeling niet voorziet in de neerlegging van een pleitnota; dat de Raad van State de pleitnota van de verwerende partij dan ook niet als een processtuk in zijn beoordeling moet betrekken; dat evenwel, gezien als de neerslag van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, dergelijk stuk zou kunnen bijdragen tot het begrijpen van de uiteenzetting; dat vanuit dat oogpunt en met die beperkte waarde van een loutere geheugensteun, de pleitnota bij de zaak betrokken wordt; VII-37.085-7/12
- De gegrondheid van de vordering 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van "het gewestplan Leuven (K.B. 7 april 1977), van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (DROG) en van artikel 11.4.1 juncto artikel 15.4.6.1 van het K.B. van 28 december 1972 houdende inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (Inrichtingsbesluit), uit de schending van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van artikel 50, 3/, b) Vlarem I, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het fair play-beginsel en uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag"; dat zij uiteenzetten dat het bestreden besluit de milieuvergunning verleend heeft voor een afvalverbrandingsinstallatie in landschappelijk waardevol agrarisch gebied die dienst moet doen voor de verwarming van een aantal serres (plastiektunnels) voor kleinhoutig fruit die kennelijk in strijd met de gewestplanbestemming werden opgericht; dat hun bezwaar met betrekking tot de planologische onverenigbaarheid van de aanvraag werd verworpen omdat de verwerende partij ervan uitgaat dat zij, gelet op de afgifte van de bouwvergunning voor de plastiektunnels, bij het onderzoek van de milieuvergunningsaanvraag geen concreet onderzoek meer hoeft te doen naar de planologische verenigbaarheid van de inrichting; dat de verwerende partij bijgevolg van mening is "dat zij zich kan beperken tot de loutere affirmatie dat de inrichting houtverbrandingsinstallatie incluis verenigbaar is met het gewestplanvoorschrift landschappelijk waardevol agrarisch gebied"; dat de verwerende partij evenwel als milieuvergunningverlenende overheid er eveneens toe gehouden is om te onderzoeken of de aanvraag verenigbaar is met de dwingende bestemmingsvoorschriften en dat zij in het besluit zelf concreet moet motiveren waarom zij van oordeel is dat de inrichting bestaanbaar is met het gewestplanvoorschrift in kwestie; dat de vergunningverlenende overheid haar beslissing uitdrukkelijk dient te motiveren; dat in deze zowel het "ketelhuis en houtsnipperopslag" als de plastiektunnels die verwarmd zullen worden door de verbrandingsinstallatie, volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, hetgeen dus concreet betekent dat in deze gebieden alles toegelaten is wat in de agrarische gebieden normaal thuishoort - "landbouw in de ruime zin" - voor zover de schoonheidswaarde van het landschap niet wordt aangetast; dat uit de VII-37.085-8/12 samenlezing van artikel 11.4.1 en artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit wordt afgeleid dat in deze gebieden een dubbel criterium geldt: een planologisch criterium, hetgeen inhoudt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarische gebieden, en een esthetisch criterium, hetgeen inhoudt dat de overheid nagaat of de bedoelde werken in overeenstemming zijn met de eisen ter vrijwaring van het landschap; dat de kwestieuze plastiektunnels het landschapsschoon aantasten en als dusdanig niet verenigbaar zijn met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat om die reden het schepencollege eerder bij besluit van 24 mei 2005 terecht de bouwvergunning heeft geweigerd; dat ook de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar in zijn ontwerpbesluit had voorgesteld om het beroep van Jan BUTAYE niet in te willigen en de bouwvergunning te weigeren wegens strijdigheid met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het andersluidende besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 25 oktober 2005 werd aangevochten voor de Raad van State met een verzoek tot schorsing en een annulatieberoep; dat het auditoraatsverslag het eerste middel betreffende de planologische onverenigbaarheid ernstig heeft bevonden en de schorsing heeft geadviseerd; dat deze schorsing evenwel niet kon worden uitgesproken om reden dat de aanvrager iedereen voor voldongen feiten had gesteld door snel door te bouwen; dat desalniettemin naar alle waarschijnlijkheid de Raad van State binnen afzienbare tijd, conform het auditoraatsverslag, de onwettige bouwvergunning voor de plastiektunnels zal vernietigen wegens kennelijke strijdigheid met de gewestplanbestemming; dat zij voorts aanvoeren: "Dat de thans afgeleverde milieuvergunning voor de verbrandingsinstallatie er toe strekt om de plastiektunnels te verwarmen (zoals de aanvrager zelf stelt in zijn aanvraag) en daarenboven ingeplant wordt in hetzelfde landschappelijke waardevol agrarische gebied, zodat verwerende partij niet anders dan kon vaststellen dat de milieuvergunningsaanvraag strijdig is met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat door desalniettemin de vergunning te verlenen, het bestreden besluit genomen werd met schending van het gewestplan Leuven, de artikelen 11 en 15 van het inrichtingsbesluit en artikel 2 DROG; dat het bestreden besluit genomen werd met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag; Dat de bewering in het bestreden besluit dat de planologische verenigbaarheid niet meer moet onderzocht worden voor de milieuvergunningsaanvraag om reden dat de stedenbouwkundige vergunning werd verleend, kennelijk onjuist is; dat deze visie in strijd is met de verordenende kracht van de voorschriften van het gewestplan dewelke zich ook aan de milieuvergunningverlenende overheid opdringt, zoals genoegzaam blijkt uit de vaststaande rechtspraak van Uw Raad; dat het bestreden besluit zodoende artikel 2 DROG heeft geschonden en genomen werd met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; dat deze overweging in rechte niet VII-37.085-9/12 aanvaardbaar is en het bestreden besluit niet kan dragen; dat de materiële motiveringsplicht werd geschonden; Dat de bewering als zou een planologische beoordeling niet nodig zijn aangezien de bouwvergunning verleend werd voor de plastiektunnels daarenboven onjuist minsten misleidend is aangezien de bouwvergunning voor de plastiektunnels volgens het Auditoraat van de Raad van State onwettig is wegens planologische onverenigbaarheid en dus binnen afzienbare tijd vernietigd zal worden; dat het dan ook niet getuigt van zorgvuldig bestuur om andermaal een vergunning te verlenen die behept is met dezelfde onwettigheid; dat het kennelijk onredelijk is om de milieuvergunning af te leveren onder enkele verwijzing naar de bouwvergunning waarvan men weet dat deze precair is en zal vernietigd worden op principiële gronden (planologisch onverenigbaarheid); dat in de plaats van de onwettige bouwvergunning in te trekken, hetgeen van een zorgvuldige overheid kan worden verwacht wanneer het duidelijk is dat de vergunning behept is met een kennelijke onwettigheid, verwerende partij volhardt in de boosheid en de corresponderende milieuvergunning verleent onder loutere verwijzing naar die (onwettige) bouwvergunning; dat deze handelswijze niet getuigt van 'fair play'; Dat verwerende partij zich beperkt tot het louter poneren dat 'de uitbating verenigbaar [is] met de bepalingen van artikel 11 en 15 van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen'; dat dit uiteraard niet volstaat als motivering inzake de planologisch verenigbaarheid, niet in het minste omdat verzoekende partijen in hun bezwaarschrift concreet en omstandig hebben aangetoond dat de inrichting onverenigbaar is met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het Auditoraat bij de Raad van State inzake de bouwvergunning voor de plastiektunnels van dezelfde inrichting duidelijk heeft gesteld dat het landschapsschoon wordt aangetast en dat de inrichting onbestaanbaar is met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid waarom het bezwaar van verzoekende partijen verworpen werd en waarom verwerende partij van oordeel is dat de inrichting wel verenigbaar is met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch (het ondraagkrachtige motief dat er reeds een bouwvergunning werd verleend niet te na gesproken); dat het bestreden besluit kennelijk genomen werd met schending van de formele motiveringsplicht (artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en artikel 50, 3/,b) Vlarem I); Zodat, het bestreden besluit, door de milieuvergunning te verlenen voor een verbrandingsinstallatie gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied dewelke moet dienen voor de verwarming van serres (plastiektunnels) eveneens in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en kennelijk in strijd met deze bestemming (aantasting landschapsschoon zoals uitdrukkelijk geadviseerd door de Raad van State), onder loutere verwijzing naar de precaire bouwvergunning voor deze serres en zonder enige concrete beoordeling en motivering inzake de planologische verenigbaarheid, de in het middel opgesomde bepalingen en beginselen heeft geschonden"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij ter zitting antwoordt dat zij, in weerwil van de beweringen van de verzoekende partijen, wel degelijk een ernstig onderzoek heeft gedaan naar de verenigbaarheid van de inrichting met de gewestplanbestemming en dat zij bij dat onderzoek een afweging heeft gemaakt en hierbij rekening heeft gehouden met de verscheidene gunstige adviezen die VII-37.085-10/12 concluderen tot de verenigbaarheid van de constructie met de gewestplanbestemming, en dat de aan Vlarem onderworpen houtverbrandings- installatie op zich geen bestaanbaarheidsprobleem schept op planologisch vlak; dat zij daarbij stelt dat, doordat in het auditoraatsverslag toepassing wordt gemaakt van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement), zij niet in de gelegenheid is geweest om op een ernstige en degelijke manier haar verweer te voeren; dat zij een administratief dossier neerlegt dat onder meer die adviezen bevat; dat de Raad van State een beroep tot nietigverklaring slechts volgens de procedure voorgeschreven door artikel 93 van het algemeen procedurereglement vermag af te doen wanneer hij ook zelf vaststelt dat de zaak slechts korte debatten vereist; dat het beroep op de verkorte procedure van artikel 93 van het algemeen procedurereglement met omzichtigheid moet worden gedaan; dat die gestrengheid zich opdringt omdat het naar die verkorte procedure gedirigeerde geding zonder verdere plichtplegingen, met een minimaal en uitsluitend mondeling verweer, definitief wordt beslecht en dan nog door een alleenzetelende staatsraad, hoewel in de regel alleen een voltallige kamer een beslissing kan nemen over het definitief gegrond bevinden van een middel; dat in het raam van deze procedure alleen vermag geoordeeld te worden of de visie van het verslag van het auditoraat nog standhoudt nadat de partijen, en voornamelijk de verwerende partij die tot dan nog niet aan bod is gekomen, zijn gehoord; dat in deze vastgesteld is dat, alhoewel de procedure voor de Raad van State als schriftelijk wordt bestempeld, de noodzaak heeft bestaan om aan de partijen lange tijd het woord te verlenen; dat deze vaststelling wordt bevestigd door de in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting waar de verzoekende partijen vijf bladzijden hebben gewijd aan de toelichting van het middel; dat het bijgevolg past dat deze zaak volgens de "gewone" procedure wordt behandeld, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. VII-37.085-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien februari tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.085-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.634 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.718 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div