id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.791 Rolnummer: A. 88342/IX-2123 Zaak: Arrest 179791 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 18/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-04 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 07:38 Fiche Arrest nr 179.791 van 18 februari 2008 Fiscaliteit - Federale reglementen (fiscaliteit) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.791 van 18 februari 2008 in de zaak A. 88.342/IX-
- In zake : Theophiel PEETERS, wonende te TURNHOUT, Steenweg op Zevendonk 38/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Theophiel PEETERS op 8 december 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de opleidingsdirecteur van 14 oktober 1999 waarbij hem het opleidingsverlof voor het volgen van de cursus WORD voor gevorderden wordt geweigerd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 18 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. VAN ROOSBROECK die verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER die verschijnt voor de verwerende partij; IX-2123-1/8 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak. De gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat: 1.
- De verzoeker is als verificateur werkzaam bij de Administratie van de ondernemings- en de inkomensfiscaliteit. Op 20 september 1999 dient hij een aanvraag in tot het verkrijgen van opleidingsverlof voor het volgen van een cursus WORD voor gevorderden. Deze cursus duurt 60 uren. 1.
- Op dezelfde datum geeft de dienstchef van de verzoeker een ongunstig advies op grond van de volgende motivering: “Gezien de huidige achterstand op het werkplan van betrokkene blijkt enkel een negatieve invloed van bijscholing op de prestaties”. De gewestelijk directeur sluit zich daar in een bijkomend advies van 23 september 1999 bij aan. 1.
- Op 14 oktober 1999 deelt de opleidingsdirecteur aan de verzoeker mee dat het opleidingsverlof in het belang van de dienst niet wordt toegestaan, met toepassing van artikel 77 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen. Dit is de bestreden beslissing. IX-2123-2/8 Over de voorafgaande maatregelen. 2.
- De verzoeker werpt in zijn memorie van wederantwoord op dat er geen bewijs is dat de memorie van antwoord tijdig per aangetekende zending werd verstuurd en dat ze dan ook, behoudens te leveren tegenbewijs van tijdige verzending, uit de debatten moet worden geweerd. 2.
- Het verzoekschrift werd op 11 januari 2000 door de verwerende partij ontvangen en de 60-dagentermijn voor het indienen van een memorie van antwoord liep bijgevolg af op maandag 13 maart
- Om tijdig ingediend te zijn moest die memorie van antwoord dan ook ten laatste op 13 maart 2000 ter post aangetekend verzonden zijn. Zoals de verzoeker heeft vastgesteld bij raadpleging van het dossier is de briefomslag waarmee de memorie van antwoord aan de Raad van State werd toegezonden niet afgestempeld door de postdiensten zodat niet blijkt wanneer hij werd verzonden. Wel blijkt dat de memorie op 13 maart 2000 werd afgestempeld door de griffie. Om te antwoorden op verzoekers opwerping deelde de verwerende partij met een brief van 25 mei 2000 ten bewijze van het feit dat de memorie van antwoord aangetekend werd verzonden, de op 10 maart 2000 gedateerde vordering mee, waarmee de postontvanger werd verzocht per aangetekende zending een brief te versturen naar de hoofdgriffier van de Raad van State. Op die vordering staat vermeld dat het gaat om de memorie van antwoord, het administratief dossier en de inventaris in de procedure A.88.342/IX-2123 inzake Theophiel PEETERS. Deze vordering werd op 10 maart 2000 afgestempeld door DE POST. Hierdoor wordt het bewijs geleverd dat de memorie van antwoord op 10 maart 2000 door een ter post aangetekende zending werd aangeboden aan DE POST en dat bijgevolg de vaste datum is bewezen. Ook blijkt aldus dat de verzending tijdig gebeurde. Er is dan ook geen reden om de memorie van antwoord uit de debatten te weren. IX-2123-3/8 Ten gronde. 3.1.
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de formele motiveringsplicht. De verzoeker betoogt dat de formele motivering die in de bestreden beslissing voorkomt, zijnde “het belang van de dienst”, een passe-partout motivering is die niet afdoende is. 3.1.
- De verwerende partij antwoordt dat, hoewel de verzoeker in zijn eerste middel aanvoert dat de beslissing te summier is gemotiveerd, uit het tweede middel blijkt dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent, zijnde de overwegingen opgenomen in het advies van de dienstchef. Vermits blijkt dat hij reeds kennis had van de motieven vooraleer de beslissing hem werd meegedeeld is voldaan aan de motiveringplicht. 3.1.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat hij van de motieven, meer bepaald het advies van zijn dienstchef, pas kennis kreeg nadat de beslissing hem was meegedeeld en nadat hij zelf navraag had gedaan bij de vormingsdirecteur naar de mogelijke oorzaken van de bestreden weigeringsbe- slissing. Vermits hij op het ogenblik dat hij de beslissing ontving deze motieven niet kende kan de beslissing niet als geldig gemotiveerd worden beschouwd. De verzoeker voegt daaraan toe dat hij pas na inzage van het administratief dossier kennis kreeg van het bijkomend advies van de gewestelijk directeur. Dit advies is onwettig want het is niet opgenomen in de reglementering betreffende de opleidingsverloven. Er kon dan ook geen rekening mee worden gehouden. Door het gebrek in de motivering is het ook onmogelijk om na te gaan of en in welke mate dit onregelmatig advies heeft gespeeld bij het nemen van de bestreden beslissing. 3.1.
- Toen de verzoeker vooraleer hij het annulatieberoep indiende, navraag deed naar de motieven van de weigeringsbeslissing werd hem het advies van zijn dienstchef meegedeeld. Dit wijst erop dat dit advies de beslissing heeft gemotiveerd, minstens dat het de beslissing op een doorslaggevende wijze heeft verantwoord. Indien ook het bijkomend advies van de gewestelijk directeur van 23 september 1999 als motief had gediend zou ook dat advies aan verzoeker zijn meegedeeld. Verzoeker brengt trouwens geen kritiek uit op de inhoud van het advies van de gewestelijk directeur zodat het feit dat hij hiervan slechts kennis nam bij inzage van het administratief dossier, zijn belangen niet heeft geschaad. IX-2123-4/8 Het wordt niet betwist dat de verzoeker, kort nadat de bestreden beslissing hem werd meegedeeld, door de verwerende partij op de hoogte werd gebracht van de motieven ervan. Bijgevolg kende hij de motieven op het ogenblik dat hij zijn verzoekschrift tot nietigverklaring indiende. Het doel van de formele motiveringsplicht is dat zij de betrokkene in staat moet stellen om te oordelen of hij zich op het stuk der motieven zinvol kan verweren. Een verzoeker kan de schending van de formele motiveringsplicht niet dienstig aanvoeren indien hij door zijn omstandige kritiek op de motieven van de bestreden beslissing te kennen geeft dat te zijnen opzichte het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt. Dit is te dezen het geval, zodat het eerste middel niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden. 3.2.
- De verzoeker voert in een tweede middel aan dat het motief dat de dienstchef aanvoert met name dat de achterstand die de verzoeker op zijn werkplan opliep, aantoont dat de bijscholing bij hem een geringer rendement tot gevolg heeft, onjuist is. Hij argumenteert dit als volgt: - de achterstand op de planning is niet te wijten aan het opnemen van opleidingsver- lof maar wel aan zijn langdurige ziekte en de ermee gepaard gaande opname van talrijke verlofdagen zonder dat zijn werkplanning werd aangepast; - het volgen van een vorige cursus WINDOWS 95 gaf integendeel aanleiding tot een gunstige inschrijving op de persoonlijke fiche van de verzoeker, waaruit blijkt dat zijn oversten het er over eens waren dat het volgen van die cursussen een positieve invloed had op het werk van de verzoeker; - het is aan het volgen van bijkomende opleidingen WINDOWS, WORD e.a. te danken dat de achterstand op het werkplan gedeeltelijk werd ingelopen en waarschijnlijk tegen half december 1999 volledig zal zijn weggewerkt. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt dat de weigeringsbeslissing wordt gemotiveerd door de achterstand die de verzoeker op zijn werkplan had opgelopen en dat hij het bestaan van die achterstand niet betwist. Om het werkplan te realiseren en de dienst te verzekeren leek het op het ogenblik van de bestreden weigeringsbe- slissing aangewezen, aldus de verwerende partij, om bijkomende afwezigheden van de verzoeker te beperken. In dit licht is de houding van de dienstchef niet onredelijk. 3.2.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat een achterstand op het werkplan een algemeen verschijnsel is op de taxatiediensten; IX-2123-5/8 dat een teamcollega die dezelfde achterstand had als de verzoeker geen opleidings- verlof had genoten, waaruit blijkt dat de achterstand op het werkplan niet kan te wijten zijn aan het opleidingsverlof voor het volgen van cursussen in burotica die in de huidige arbeidsomstandigheden bij de administratie tot een verhoging van het rendement moeten leiden. Hij besluit dat de redenen die door de dienstchef werden aangehaald als oorzaak van de achterstand op het werk niet correct zijn en dat bijgevolg de motivering van het advies niet pertinent is. Tenslotte suggereert de verzoeker dat de bestreden weigeringsbe- slissing zou zijn geïnspireerd door het feit dat hij zich tot de vrederechter had gewend om achterstallige wedden van zijn administratie te verkrijgen. 3.2.
- De dienstchef van de verzoeker motiveert zijn negatief advies als volgt : “Gezien de huidige achterstand op het werkplan van betrokkene blijkt enkel een negatieve invloed van bijscholing op de prestaties.” Dit negatief advies maakt het materieel motief uit van de bestreden weigeringsbeslissing. Met de verzoeker wordt aangenomen dat de achterstand op het werkplan, op het tijdstip waarop de bestreden beslissing werd genomen, niet te wijten is aan het vormingsverlof, omdat hij enerzijds in de periode van 1 januari 1999 tot eind augustus 1999 slechts 10 dagen vormingsverlof opnam en omdat hij anderzijds tijdens dezelfde periode 8 dagen syndicaal verlof, 23,5 dagen vakantie- verlof en 21 dagen ziekteverlof opnam, wat een totaal uitmaakt van 62,5 dagen tijdens dewelke de verzoeker wettig afwezig was. Desbetreffend geeft de verweren- de partij in haar memorie van antwoord toe dat “die achterstand op het werkplan veroorzaakt was door veelvuldige op zich geoorloofde afwezigheden van verzoeker in de eerste helft van 1999”. De verzoeker voegt terecht daaraan toe dat “de huidige achter- stand op het werkplan geenszins te wijten is aan het opnemen van 10 dagen vormingsverlof, maar wel aan de totaliteit van de opgenomen ziekte- en vakantie- verlofdagen in deze korte periode en dat de dagen ziekteverlof gespreid in de tijd werden opgenomen, om (hem) toe te laten regelmatig (behandelingen) te ondergaan (...) dit ingevolge een (...aandoening)”. De verzoeker wijst er bovendien op “dat IX-2123-6/8 deze behandelingen (zijn) fysieke toestand (zodanig) aantastten dat (de) uitvoering van de dagelijkse taken sterk in het gedrang werd gebracht” en “dat het bijgevolg normaal is dat (hij) een achterstand opliep op het werkplan”. De verzoeker besluit op goede gronden dat voornoemde achterstand “niet te wijten was aan het opnemen van opleidingsverlof doch wel aan (zijn) langdurige ziekte en de hiermede gepaard gaande opname van talrijke verlofdagen”. Wat voorafgaat vindt steun in de omstandigheid dat het volgen van een voorgaande cursus WINDOWS 95 aanleiding gaf tot een gunstige inschrijving op de persoonlijke fiche van de verzoeker, waaruit blijkt dat de hiërarchie van de verzoeker het ermee eens was “dat het volgen van dergelijke cursussen een positieve invloed had op het werk van verzoeker”. Bovendien verkreeg de verzoeker opleidingsverlof voor het volgen van de cursussen MS WORD, MS EXCEL en MS ACCES, waarbij hij telkens 60 uren vormingsverlof opnam. Het tweede middel is bijgevolg gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de opleidingsdirecteur van 14 oktober 1999 waarbij aan de verzoeker het opleidingsverlof voor het volgen van de cursus WORD voor gevorderden wordt geweigerd. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2123-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 februari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2123-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.791 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.