← België

Arrest 179792 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.792 Rolnummer: A. 87161/IX-2042 Zaak: Arrest 179792 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:38 Fiche Arrest nr 179.792 van 18 februari 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.792 van 18 februari 2008 in de zaak A. 87.161/IX-

  1. In zake : Jochen HOMMEZ, wonende te ZWEVEZELE, Wingenesteenweg 19 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jochen HOMMEZ op 6 oktober 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 juli 1999 van de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur, waarbij de beslissing van 6 juli 1999 van het college van afdelingshoofden van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer tot toekenning van een loopbaanvertraging aan de verzoeker wordt bekrachtigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 12 september 2001 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij en het verzoek tot voortzetting door de verwerende partij; IX-2042-1/7 Gelet op de beschikking van 8 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker bekleed met de graad van deskundige bij de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur. 1.
  4. Op 25 februari 1999 wordt met de verzoeker een evaluatiegesprek over het jaar 1998 gevoerd, waarvan de resultaten in een evaluatieverslag worden vastgelegd, dat op 2 april 1999 door de verzoeker voor kennisname wordt ondertekend. Op 9 april 1999 deelt de verzoeker zijn opmerkingen bij het evaluatieverslag mede. In zijn vergadering van 5 mei 1999 bespreekt het college van afdelingshoofden van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer de voorstellen om de functionele loopbaan van een aantal ambtenaren, onder wie de verzoeker, te vertragen. Beslist wordt om, vooraleer een definitief standpunt te formuleren, aan de betrokkenen de mogelijkheid te geven om door het college van afdelingshoofden te worden gehoord. IX-2042-2/7 Op 27 mei 1999 ontvangt de verzoeker een nota van de leidend ambtenaar van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, waarbij wordt medegedeeld dat hij voor een loopbaanvertraging zou kunnen worden voorgesteld en hij kan vragen om door het college van afdelingshoofden te worden gehoord. Met een brief van 31 mei 1999 deelt de verzoeker aan de leidend ambtenaar mede dat hij van zijn hoorrecht geen gebruik wenst te maken. Op 6 juli1999 beslist het college van afdelingshoofden eenparig om de verzoeker in zijn functionele loopbaan te vertragen. Op 14 juli 1999 wordt de beslissing tot loopbaanvertraging door de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur bekrachtigd. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt per aangetekende brief van 13 augustus 1999 aan de verzoeker ter kennis gebracht. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  5. De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 25, 8/, van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtena- ren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeen- schapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (hierna : APKB), doordat hij zijn evaluatie niet heeft kunnen aanvechten bij een commissie die voor de ene helft samengesteld is uit leden aangewezen door de overheid en voor de andere helft uit leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties van het personeel. 2.
  6. De verwerende partij antwoordt, samengevat, dat volgens het Vlaams personeelsstatuut de evaluatie in de eerste plaats een beschrijvend karakter heeft en, behalve in het geval van “onvoldoende”, geen samenvattende eindwaarde- ring bevat. Een beschrijvende evaluatie zonder “onvoldoende” is, aldus de verwerende partij, bij gebrek aan rechtstreekse koppeling met een beloning “de meest positieve waardering”. Vervolgens zet de verwerende partij uiteen dat de IX-2042-3/7 schaalanciënniteit jaarlijks opgebouwd wordt op basis van de functionerings- evaluatie, maar daaruit niet automatisch voortvloeit. De beslissing tot loopbaanver- traging wordt in principe niet genomen en zelfs niet voorgesteld door de evaluato- ren, maar door het college van afdelingshoofden en bekrachtigd door de departe- mentale directieraad. De verwerende partij besluit dat, behoudens het geval waarin het beschrijvend evaluatieverslag eindigt met de einduitspraak “onvoldoende”, er geen eindwaardering is, zodat er op grond van het APKB ook geen verplichting is om in een beroepsmogelijkheid te voorzien. 2.3.
  7. Artikel 25, eerste lid, 7/ en 8/, van het APKB, in de versie ten tijde van de bestreden beslissing, verleent de ambtenaar het recht om beroep in te stellen, hetzij bij de directieraad in al de gevallen waarin hij er niet mee kan instemmen dat hij niet de meest positieve waardering heeft gekregen (7/), hetzij bij een paritair samengestelde commissie indien hij niet kan instemmen met de hem meegedeelde evaluatie wat inhoud en vorm betreft (8/). In beide gevallen heeft de ambtenaar het recht om te worden gehoord en te worden bijgestaan door een persoon naar eigen keuze. 2.3.
  8. Artikel II 9, derde lid, van het te dezen toepasselijke Vlaams personeelsstatuut (besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel) bepaalt daarentegen dat de ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, wat de evaluatie betreft, alleen beroep kunnen instellen “tegen de evaluatie onvoldoende of tegen een vormgebrek tijdens de evaluatieprocedure”. Met betrekking tot die bepaling heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies opgemerkt hetgeen volgt: “In de mate dat artikel II 9, derde lid, van het ontwerp alleen voorziet in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de evaluatie ‘onvoldoende’ -en niet tegen andere evaluaties-, is het strijdig met artikel 25, 8/, van het algemene principes-besluit welke bepaling voor de ambtenaar een recht van beroep opent ‘indien hij niet kan instemmen met de hem medegedeelde evaluatie, wat inhoud en vorm betreft’ of ‘indien ... (hij) ermee niet kan instemmen dat hij niet de meest positieve waardering heeft gekregen ... (en) ... een vormgebrek kan inroepen’ (artikel 25, 7/ juncto 8/).” IX-2042-4/7 De toelichting bij het Vlaams personeelsstatuut bevat desbetref- fend de volgende “repliek” van de Vlaamse regering: “De repliek van de Vlaamse overheid luidt dat de evaluatie aan de bron anders geïnspireerd is dan in het AP-KB met name door het beschrijvend karakter, dat in se met zich mee brengt dat er geen samenvattende eindwaarde- ring (in gradaties) aan gekoppeld is (behalve bij onvoldoende) doch niettemin een waardering inhoudt. De opmerking van de Raad van State houdt enkel een bewering van strijdigheid in met art. 25-8/ (niet 7/) AP-KB nl. er is geen beroep tegen een vormgebrek en een negatieve waardering. Hierop luidt de repliek : 1/ evaluatie Er is inhoudelijk beroep voorzien tegen ‘onvoldoende’ en alle andere evaluaties zijn de meest gunstige. Immers een beschrijvende evaluatie zonder ‘onvoldoende’ is bij gebrek aan rechtstreekse koppeling met een of andere beloning de ‘meest positieve waardering’. De evaluatie dient immers slechts als basis voor de beslissing tot normaal, versneld of vertraagd opbouwen van schaalanciënniteit. Voor de beslissing tot loopbaanvertragingen (zonder onvoldoende) geldt een bijzondere motiveringsplicht doch geen formeel beroep. 2/ vorm Ingaand op het advies van de Raad van State wordt er een beroepsmogelijk- heid voorzien bij de Raad van beroep tegen vormgebreken. (...)” Aan de opmerkingen van de Raad van State werd derhalve slechts tegemoet gekomen voor wat betreft het beroep tegen vormgebreken. Er is daarentegen niet in een beroepsmogelijkheid voorzien, noch voor de ambtenaar die, wat de inhoud betreft, er niet mee kan instemmen dat hij niet de meest positieve waardering heeft gekregen, noch voor de ambtenaar die, al is hem geen onvoldoende toegekend, wat de inhoud betreft niet met de evaluatie kan instemmen. In tegenstel- ling tot wat de verwerende partij voorhoudt, kan niet worden aangenomen dat een beschrijvende evaluatie die niet besloten wordt met de vermelding “onvoldoende”, bij gebrek aan rechtstreekse koppeling met een beloning, “de meest positieve waardering” zou zijn. Een dergelijke visie miskent de betekenis die de stellers van het personeelsstatuut zelf hebben willen geven aan de evaluatie, die er immers precies op gericht is de loopbaan van de ambtenaar, bijvoorbeeld op het vlak van bevordering of mutatie, in belangrijke mate te beïnvloeden. 2.3.
  9. Titel 5 van deel VIII (artikelen VIII 77 tot VIII 85) van het Vlaams personeelsstatuut voorziet in een regeling waarbij aan de ambtenaren op basis van hun evaluatie een schaalanciënniteit wordt toegekend, hetzij met normale IX-2042-5/7 snelheid, hetzij vertraagd. Artikel VIII 77, § 2, van voornoemd besluit luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt: “De schaalanciënniteit wordt jaarlijks opgebouwd op basis van de functione- ringsevaluatie: 1/ hetzij met normale snelheid, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan de werkelijke diensten; 2/ [...]; 3/ hetzij vertraagd, waarbij de in aanmerking komende diensten a) gelijk zijn aan de helft van de werkelijke diensten; b) vervallen indien de functioneringsevaluatie met ‘onvoldoende’ besloten wordt.” Een functioneringsevaluatie die, zoals in het geval van de verzoeker, ertoe leidt dat de loopbaansnelheid met de helft verminderd wordt, kan bezwaarlijk als “de meest positieve waardering” worden beschouwd. Het gaat integendeel om de op één na meest negatieve waardering die aan een ambtenaar kan worden toegekend, de meest positieve waardering zijnde die welke leidt tot de toekenning van een functioneringstoelage, met toepassing van artikel XIII 57quater van het Vlaams personeelsstatuut. 2.3.
  10. Uit het bovenstaande volgt dat de verzoeker, vooraleer hem op basis van zijn evaluatie definitief een loopbaanvertraging werd opgelegd, die evaluatie zowel wat de vorm als wat de inhoud betreft had moeten kunnen aanvechten voor een paritair samengestelde commissie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, 8/, APKB. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  11. Vernietigd wordt de beslissing van 14 juli 1999 van de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur, waarbij de beslissing van 6 juli 1999 van het college van afdelingshoofden van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer tot toekenning van een loopbaanvertraging aan Jochen HOMMEZ wordt bekrachtigd. IX-2042-6/7 Artikel
  12. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 februari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2042-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.792 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.