← België

Arrest 179794 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.794 Rolnummer: A. 185667/IX-5781 Zaak: Arrest 179794 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-28 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-29 07:38 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 179.794 van 18 februari 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Voortzetting gewone procedure prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.794 van 18 februari 2008 in de zaak A. 185.667/IX-5781. In zake : Guido SOETEMANS, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE RIDDER, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat S. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 270. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guido SOETEMANS op 30 oktober 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverkla- ring te vorderen van de beslissing van 13 september 2007 van de procureur des Konings te Brussel, waarbij hij van zijn huidig takenpakket wordt ontlast en geaffecteerd wordt aan het politieparket te Vilvoorde; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing; Gelet op de beschikking van 18 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 januari 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5781-1/8 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, van advocaat P. LAHOUSSE, die loco advocaat E. DE RIDDER verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat S. VERBOUWE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1. De verzoeker is eerste substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Binnen het parket te Brussel was hij verantwoordelijk voor de dienst die instaat voor de controle van de voorwaarden die door de onderzoeksrech- ters worden opgelegd aan verdachten die in voorlopige vrijheid worden gesteld. Het gaat om de opvolging van de zogenaamde MAM-dossiers, waarbij MAM staat voor “Mesures Alternatives - Alternatieve Maatregelen”. Tussen de verzoeker en zijn korpschef, de procureur des Konings te Brussel, is betwisting ontstaan over de na te leven veiligheidsmaatregelen bij de ontvangst van personen die de MAM-dienst bezoeken. Aanvankelijk trok de verzoeker uit de standpunten van de procureur des Konings de conclusie dat deze hem wantrouwde, en verklaarde hij zich in die omstandigheden niet meer te zullen bezighouden met de opvolging van de alternatieve maatregelen. Hierop vroeg de procureur des Konings, in een brief van 13 juli 2007, dat de verzoeker de uitoefe- ning van zijn taken onmiddellijk zou hervatten, zo niet zou hij zich verplicht zien om in diens vervanging te voorzien. IX-5781-2/8 Nadat de verzoeker in een brief van 16 juli 2007 zijn zienswijze had bevestigd, nam de procureur des Konings in een brief van 17 juli 2007 een nieuw standpunt in: “De noodzaak van een MAM-dienst bij het Brusselse Parket wordt aan een grondige evaluatie onderworpen met ingang van 1 september 2007, temeer nu blijkt dat andere, specifieke diensten hiervoor de laatste jaren werden opgericht en dit project bovendien niet gedragen wordt door het Parket-generaal. In dit vooruitzicht, minstens lopende Uw ‘verlof’, zal niemand van de collega’s de bijkomende taakbelasting van Uw nalatigheid ondergaan. U zal verder op de hoogte gesteld worden van Uw nieuwe opdrachten die U ook op dit parket te vervullen heeft, zowel als van het ogenblik waarop zij zullen ingaan.” Bij brief van 13 september 2007 deelde de procureur des Konings aan de verzoeker de volgende beslissing mee: “Verwijzend naar mijn schrijven van 17 juli 2007 waarbij ik mijn beslissing betreffende de verdere behandeling van de MAM-dossiers in het vooruitzicht stelde, wens ik U ter kennis te brengen dat ik geoordeeld heb om U van Uw takenpakket te ontlasten en U te affecteren aan het politieparket te Vilvoorde gelegen te 1800 Vilvoorde, Hanssenslaan 11. Deze dienstmaatregel gaat in op maandag 17 september 2007.” Deze beslissing vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Over de rechtsmacht van de Raad van State 2. De bestreden handeling gaat uit van de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. In verband met de handelingen van de leden van het openbaar ministerie bepaalt artikel 610, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek: “Onverminderd artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, neemt het Hof van Cassatie kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen waardoor rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie, alsook tuchtrechtelijke overheden van openbare en ministeriële ambtenaren en van de balie, hun bevoegdheid mochten hebben overschreden.” IX-5781-3/8 Die bepaling moet gelezen worden in samenhang met artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek, naar luid waarvan onder meer de handelingen van de ambtenaren van het openbaar ministerie wegens machtsoverschrijding bij het Hof van Cassatie kunnen worden aangebracht door de procureur-generaal bij het Hof, op voorschrift van de minister van Justitie. De betrokkene zelf beschikt dus niet over de hoedanigheid om de in artikel 610 bedoelde vordering tot nietigverklaring in te stellen. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, laatst gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007, bepaalt : “De afdeling (bestuursrechtspraak) doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substan- tiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1/ van de onderscheiden administratieve overheden; 2/ van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in 2/ bedoelde akten en reglementen.” Overeenkomstig deze laatste bepaling is de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State slechts bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring indien de bestreden handeling kan worden beschouwd, hetzij als een handeling van een administratieve overheid, in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1/, hetzij als een handeling van één van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2/, voor zover het in het laatste geval gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid. 3. De procureur des Konings is een gerechtelijke en geen administra- tieve overheid. Hij valt niet onder de toepassing van artikel 14, § 1, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bijgevolg rijst de vraag of de bestreden beslissing beschouwd kan worden als een handeling ten aanzien van een lid van het personeel van het parket. IX-5781-4/8 De uitbreiding van de bevoegdheid van de Raad van State tot bepaalde handelingen van onder meer de wetgevende en de gerechtelijke overheden, thans geregeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is het gevolg van de wet van 25 mei 1999 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek. Met die wet is de wetgever tegemoet willen komen aan het arrest nr. 31/96 van 15 mei 1996 van het Arbitragehof. In dat arrest had het Hof erop gewezen dat er een leemte was in de rechtsbescherming van leden van het administratief personeel van overheidslichamen die niet onder de uitvoerende macht ressorteerden. Zowel uit de tekst van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State als uit de voorgeschiedenis van de wet van 25 mei 1999 blijkt dat met het “personeel” van de “organen van de rechterlijke macht” niet de magistraten zelf worden bedoeld, maar wel het administratief personeel van met name de griffies en de parketten (zie Parl. St., Senaat, 1998-99, nr. 1-361/3, pp. 3 en 5; Parl. St., Kamer, 1998-99, nr. 49-1960/8, p. 4). Gelet op het voorgaande, moet bijgevolg ambtshalve worden vastgesteld dat de Raad van State volgens de vigerende wetgeving niet bevoegd is om van het beroep tot nietigverklaring kennis te nemen. 4. Ter zitting nodigt de verzoeker de Raad van State uit om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, in verband met het verschil in behandeling dat de artikelen 610 van het Gerechtelijk Wetboek en 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in het leven roepen tussen de magistraten van het openbaar ministerie en de ambtenaren bij de besturen. Er bestaat te dezen aanleiding om op dat verzoek in te gaan. Daarbij dient artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve in de vraagstelling betrokken te worden. Zoals het Arbitragehof in zijn arrest nr. 33/94 van 26 april 1994 heeft vastgesteld, met verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie van 21 november 1991 (Arr. Cass., 1991-92, nr. 153), neemt het Hof van Cassatie aan dat een beslissing van een korpsoverste van het openbaar ministerie met toepassing van artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek het voorwerp kan uitmaken van een voorziening in cassatie, welke de betrokkene zelf kan instellen. Het Arbitragehof IX-5781-5/8 heeft in het genoemde arrest opgemerkt dat de vraag rijst of de onmogelijkheid voor een griffier om tegen een beslissing van een procureur-generaal, genomen in een tuchtzaak, een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te stellen al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. In de betrokken zaak kon het Hof op die vraag niet ingaan, nu zij door de verwijzende rechter niet was ingesteld. Er bestaat te dezen reden om het Grondwettelijk Hof ambtshalve te verzoeken om over een gelijkaardige vraag uitspraak te doen. Over de vordering tot schorsing 5. Nu de Raad van State geen einduitspraak doet in het geschil ten gronde, dient de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te worden onderzocht. In voorkomend geval kan de Raad van State immers de schorsing bevelen totdat er een einduitspraak ten gronde is. 6. Te dezen blijkt uit het onderzoek van de ambtshalve opgeworpen exceptie dat de Raad van State volgens de vigerende wetgeving geen rechtsmacht heeft om van de voorliggende vordering kennis te nemen. Die conclusie zou slechts anders kunnen zijn, indien uit het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de door de Raad van State te stellen prejudiciële vragen zou blijken dat de betrokken wetsbepalingen door een ongrondwettigheid zijn aangetast. Voorshands moet derhalve aangenomen worden dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. Over het verdere verloop van de procedure 7. Ten gevolge van de verwerping van de vordering tot schorsing zal de verzoeker zich erover moeten beraden of hij de voortzetting van de procedure vraagt. In bevestigend geval zal de zaak ten gronde volgens de gewone procedure verdergezet worden. Dit betekent dat, na ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof, de partijen dan de gelegenheid zullen krijgen om een memorie van antwoord en een memorie van wederantwoord in te dienen. IX-5781-6/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende prejudiciële vragen gesteld: “1. Houdt artikel 610, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gelezen in samenhang met artikel 1088 van hetzelfde wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat een beslissing van een procureur des Konings in verband met de opdrachten van een magistraat van het openbaar ministerie voor het Hof van Cassatie bestreden kan worden met een vordering tot nietigverklaring, welke alleen de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, op voorschrift van de minister van Justitie, kan instellen, en in samenhang met artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in die zin geïnterpreteerd dat de betrokken magistraat van het openbaar ministerie tegen een dergelijke beslissing geen beroep tot nietigverklaring kan instellen bij de Raad van State, een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het in verband met de toegang tot de Raad van State een niet te verantwoorden verschil in het leven roept tussen de magistraten van het openbaar ministerie en de ambtenaren van de besturen? 2. Houden de artikelen 608 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat een beslissing van een procureur des Konings in verband met de opdrachten van een magistraat van het openbaar ministerie door de betrokkene voor het Hof van Cassatie bestreden kan worden met een voorzie- ning in cassatie, en 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in die zin geïnterpreteerd dat de betrokkene tegen een dergelijke beslissing geen beroep tot nietigverklaring kan instellen bij de Raad van State, een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat ze in verband met de toegang tot de Raad van State een niet te verantwoorden verschil in het leven roepen tussen de magistraten van het openbaar ministerie en de ambtenaren van de besturen?” Artikel 3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5781-7/8 Artikel 4. Het beroep tot nietigverklaring wordt verder behandeld volgens de gewone procedure. Artikel 5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 18 februari 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5781-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.794 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.