id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.861 Rolnummer: A. 181946/IX-5612 Zaak: Arrêt / Arrest 179861 - Militaires et corps spéciaux - Recrutement et carrière / Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-25 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-29 07:38 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 179.861 van 19 februari 2008 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.861 van 19 februari 2008 in de zaak A. 181.946/V-1732 In zake : Bart SEYS, woonplaats kiezend bij Mr. B. STAELENS, advocaat, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 8000 Brugge, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Landsverdediging. Tussenkomende partij : Robert BUEKENHOUT, woonplaats kiezend bij Mrs. M. UYTTENDAELE en J. SAUTOIS, advocaten, Bronstraat 68 1060 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, Ve K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart SEYS op 23 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de artikelen 2 en volgende van het koninklijk besluit nr. 6286 van 8 december 2006 waarbij A. DUYTSCHAEVER, S. RANWEZ, R. BUEKENHOUT, J.M. VERDEBOUT, M. DECOLLE en L. LAMS met ingang van 26 december 2005 werden benoemd tot majoor in het kader van de beroepsofficieren; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; V - 1732 -1/14 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van kolonel militair-administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. SAUTOIS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker maakt deel uit van het korps van de logistiek van de landmacht en is bekleed met de graad van kapitein-commandant.
- Met een “omzendnota” van de Directeur-generaal Human Resources van 13 december 2004 wordt aan alle militaire autoriteiten van de Defensie meegedeeld dat de bevorderingscomités, belast met het onderzoek van de kandidaturen voor de graad van (onder meer) majoor in principe zullen doorgaan in de loop van het vierde trimester 2005, en dat die nota dient als officiële notificatie aan de kandidaten. De lijsten, opgesteld in volgorde van anciënniteit in de graad, van de officieren wier kandidatuur aan het bevorderingscomité voorgelegd zal worden, zijn als bijlage bij de nota gevoegd. V - 1732 -2/14 Uit de lijst van de kandidaten-majoors van het korps van de logistiek blijkt dat er 44 kandidaten zijn. De verzoeker komt als eerste op die lijst voor, en heeft m.a.w. de hoogste anciënniteit in graad. Hij zal op 1 april 2014 op pensioen gaan. Hij blijkt, als enige, reeds voor de vijfde maal op de lijst te zijn ingeschreven. Luidens artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren wordt elke kandidaat, zolang hij blijft voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden, op vijf opeenvolgende lijsten ingeschreven; het betreft derhalve verzoekers laatste kans om tot majoor te worden benoemd. Op 27 januari 2005 verleent de eerste overheid van de verzoeker een gunstig advies over zijn kandidatuur voor benoeming in de graad van majoor. Zowel op de criteria met betrekking tot de wijze van dienen als wat betreft de geschiktheid om de functies van de hogere graad uit te oefenen krijgt hij een (gemotiveerde) vermelding “zeer goed”. De tweede overheid sluit zich volledig bij de beoordeling en de commentaren aan. Op 20 oktober 2005 onderzoekt het bevorderingscomité van de landmacht, korps van de logistiek, de kandidaturen van de 44 kandidaten voor de bevordering tot de graad van majoor. De kandidaten worden gerangschikt op basis van een puntensysteem. De verzoeker wordt als 22ste gerangschikt. Nadat de voorzitter meegedeeld heeft dat maximum 13 plaatsen toegekend kunnen worden, beveelt het comité de eerste 13 kandidaten voor bevordering aan. Dezelfde dag, d.w.z. op 20 oktober 2005, onderzoekt het intermachtencomité de kandidaturen van 190 kandidaten voor de bevordering tot de graad van majoor of korvetkapitein, die niet zijn aanbevolen door de bevorderingscomités van de korpsen. Ook het intermachtencomité hanteert een puntensysteem. De verzoeker wordt als 35ste gerangschikt. Nadat de voorzitter meegedeeld heeft dat maximum 12 plaatsen toegekend kunnen worden, beveelt het comité de eerste 12 kandidaten voor bevordering aan. Bij een reeks koninklijke besluiten van 6 december 2005 worden een aantal aanbevolen kandidaten tot majoor bevorderd. Tegen 28 van die bevorderingen stelt de verzoeker een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging in bij de Raad van State. In zijn arrest V - 1732 -3/14 nr. 162.708 van 25 september 2006 beslist de Raad van State dat de vordering tot schorsing slechts ontvankelijk is voor zover ze de schorsing beoogt van de kandidaten wier titels en verdiensten werden vergeleken met de zijne, door het korpsencomité landmacht logistiek of door het intermachtencomité. Aldus wordt de vordering slechts ontvankelijk bevonden voor zover ze gericht is tegen de bevordering van L. Lams, M. Decolle, S. Ranwez, R. Buekenhout en J.M. Verdebout en A. Duytschaever. Ingaande op de middelen is de Raad van State van oordeel dat de bevorderingen onregelmatig lijken, o.m. op grond dat ze steunen op punten waarvoor geen verantwoording wordt gegeven. De tenuitvoerlegging van de bestreden koninklijke besluiten wordt geschorst, in zoverre die besluiten betrekking hebben op de zes hiervóór genoemde kandidaten.
- Met een nota van 13 november 2006 aan de minister van Landsverdediging stelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Juridische Steun en Bemiddeling voor om de geschorste besluiten in te trekken en vervolgens nieuwe benoemingen te doen, na een nieuwe vergelijking van de kandidaten. Hij zet uiteen dat uit artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren volgt dat de aanbevelingen van de bevorderingscomités de minister niet binden en dat deze bijgevolg, nadat de bevorderingscomités hun aanbevelingen hebben geformuleerd, op basis van een eigen onderzoek van de kandidaturen kan overgaan tot de voordracht van de kandidaten aan de Koning. De minister kan dus een eigen beoordeling maken, die rekening houdt met de opmerkingen van de Raad van State. Een nieuwe bijeenroeping van de bevorderingscomités is dan niet nodig. Bij de nota voegt de directeur-generaal een beoordeling, punt per punt, van de zes kandidaten waarvan de bevordering geschorst werd, alsmede van de verzoeker. Die beoordeling is opgemaakt in samenspraak met de dienst “HRE-X”. De directeur-generaal voegt aan zijn nota ook nog een schrijven van de chef van de divisie Coördinatie en Evaluatie van de Algemene Directie Human Resources van 16 juni 2006 toe, waarin met betrekking tot de kandidatuur van de verzoeker wordt verklaard dat rekening is gehouden met het feit dat deze ondertussen, in de sessie september 2005, geslaagd is voor het wettelijk examen over de grondige kennis van de tweede landstaal. Het betrokken brevet levert de verzoeker drie bijkomende punten (op 100) op voor het criterium “vorming”. Ten slotte voegt de directeur-generaal bij zijn nota een ontwerp van koninklijk besluit, dat voorziet, enerzijds, in de intrekking van de geschorste V - 1732 -4/14 besluiten, en anderzijds, in de bevordering van de zes kandidaten waarvan de bevordering geschorst was. De hiervóór genoemde beoordeling is bedoeld om gevoegd te worden als bijlage bij het ontworpen besluit. De minister volgt dit voorstel. Bij koninklijk besluit nr. 6286 van 8 december 2006 worden A. Duytschaever, S. Ranwez, R. Buekenhout, J.M. Verdebout en M. Decolle opnieuw bevorderd tot majoor, en L. Lams tot de ermee overeenstemmende graad bij de marine, nl. korvetkapitein. De hiervóór genoemde beoordeling van de kandidaten, die in de aanhef van het bestreden besluit omschreven wordt als een “eigen onderzoek” door de Minister van Landsverdediging, wordt als bijlage bij het besluit gevoegd. In de aanhef van het besluit wordt uitvoerig ingegaan op de argumenten die de verzoeker tegen de geschorste benoemingen had ingeroepen. Het koninklijk besluit van 8 december 2006, dat op 19 januari 2007 aan de verzoeker ter kennis is gebracht, vormt het voorwerp van de voorliggende vordering.
- Bij arrest nr. 174.675 van 20 september 2007 heeft de Raad van State vastgesteld dat de geschorste besluiten zijn ingetrokken, zodat het beroep tot nietigverklaring, wat die besluiten betreft, zijn voorwerp verloren heeft. In hetzelfde arrest heeft de Raad voorts vastgesteld dat de verzoeker, voor wat betreft de niet- geschorste besluiten, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend, zodat hij wordt vermoed, wat die besluiten betreft, afstand van zijn beroep te hebben gedaan. Rechtspleging
- Met een op 25 april 2007 ter post aangetekend verzoekschrift heeft R. BUEKENHOUT gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen. 6.
- Ter zitting legt de verwerende partij een pleitnota neer. De verzoeker verzet zich hiertegen, en vraagt dat de nota uit de debatten zou worden geweerd. V - 1732 -5/14 6.
- Het procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota neer te leggen. De nota, die overigens niet vooraf aan de andere partijen is meegedeeld, wordt dan ook uit de debatten geweerd. Ontvankelijkheid van de vordering 7.
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoeker minder geschikt is bevonden dan 21 andere kandidaten en dat het onbegrijpelijk voorkomt dat de verzoeker in zijn eerste vordering tot schorsing, en dus ook in de voorliggende vordering, niet de benoeming van al deze medekandidaten bestrijdt maar slechts van enkele kandidaten voor de logistiek. Volgens de tussenkomende partij had de verzoeker een beroep moeten instellen tegen alle benoemingen van kandidaten die door de bevorderingscomités beter dan hem gerangschikt waren. Er is geen reden waarom alleen de benoeming van de tussenkomende partij en van vijf andere kandidaten in vraag wordt gesteld, terwijl de benoeming van anderen ongemoeid wordt gelaten. Volgens de tussenkomende partij heeft dit verzuim tot gevolg dat de verzoeker geen wettig belang heeft bij zijn vordering. 7.
- Het thans bestreden besluit heeft uitsluitend betrekking op de bevordering van zes kandidaten. De verzoeker vecht dit besluit in al zijn onderdelen aan. Aan de verzoeker kan niet verweten worden dat hij niet de bevordering van andere kandidaten aanvecht, nu daarvan in het bestreden besluit geen sprake is. De omstandigheid dat de verzoeker zijn oorspronkelijke beroep, gericht tegen de koninklijke besluiten van 6 december 2005, niet tegen alle bevorderingen tot majoor heeft gericht, is zonder belang voor de ontvankelijkheid van de thans voorliggende vordering. Overigens heeft de Raad van State in zijn arrest nr. 162.708 van 25 september 2006 uit de beperking door de verzoeker van het voorwerp van zijn vordering tot schorsing, niet afgeleid dat die vordering onontvankelijk was. In de huidige stand van het geding kan de exceptie niet aangenomen worden. V - 1732 -6/14 Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 9.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren, inzonderheid de artikelen 1, 5/, 2 tot 9, en 11, en uit de miskenning van het gezag van gewijsde van het genoemde arrest nr. 162.708 van 25 september
- De verzoeker zet uiteen dat de Raad van State in zijn arrest nr. 162.708 heeft gesteld dat niet te begrijpen viel waarom de bevorderingscomités andere kandidaten dan de verzoeker aan de minister hadden aanbevolen, en dat het dan ook niet duidelijk was waarom de minister op grond van de enkele verwijzing naar die aanbevelingen de bestreden beslissingen had genomen. Uit de economie van de reglementering blijkt dat aan het bevorderingscomité een prominente plaats wordt toebedeeld. Artikel 8 van het genoemde koninklijk besluit van 7 april 1959 bepaalt in het bijzonder dat het bevorderingscomité advies uitbrengt over de geschiktheid van de kandidaten en de meest verdienstelijke kandidaten aanbeveelt. De Raad van State was te dezen van oordeel dat de bevorderingscomités een verantwoording moesten geven voor de punten die aan elk van de kandidaten waren toebedeeld, omdat die punten sloegen op domeinen die de loutere kennis overstegen. Door te oordelen dat de bevorderingscomités niet opnieuw moesten samenkomen, werd er geen correcte uitvoering gegeven aan het schorsingsarrest. Ook nadat de geschorste besluiten waren ingetrokken, moest het bestuur de besluitvorming overdoen vanaf het ogenblik van ontsporing, te dezen dus vanaf het ogenblik van de besluitvorming door de bevorderingscomités. In de nota van de directeur-generaal Algemene Directie Juridische Steun en Bemiddeling wordt verwezen naar artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 april
- Volgens die bepaling binden de voordrachten de minister niet. Dit V - 1732 -7/14 impliceert echter niet dat de voordrachten op onregelmatige wijze tot stand mogen komen, of dat de minister, nadat de Raad van State heeft vastgesteld dat de voordrachten onrechtmatig zijn, de bevorderingscomités eenvoudig buiten spel mag zetten. De minister dient, indien hij van de voordrachten wil afwijken, te motiveren in verhouding tot deze voordrachten, en dit motiveren kan uiteraard niet op rechtsgeldige wijze gebeuren als deze voordrachten niet op rechtsgeldige wijze tot stand zijn gekomen. Bovendien heeft de verzoeker recht op een degelijk onderzoek van zijn aanspraken door de bevorderingscomités. Als hij voor de Raad van State kan aantonen dat de bevorderingscomités hun werk niet goed hebben gedaan, dan gaat het niet op dat het rechtsherstel wordt verleend door de bevorderingscomités gewoon buiten spel te zetten. De reactie van de verwerende partij op het schorsingsarrest komt erop neer dat de vergelijking van de kandidaten is toevertrouwd, niet aan het orgaan dat daartoe is aangewezen bij het koninklijk besluit van 7 april 1959, maar aan een dienst die in de plaats van de minister en van de bevorderingscomités optreedt. De verzoeker besluit dat de uitvoering die aan het arrest van de Raad is gegeven sterk lijkt op de kroniek van een aangekondigde reparatie: er dient niets meer opnieuw grondig onderzocht te worden, de bevorderingscomités dienen daartoe niet meer samen te komen, maar er wordt een tekst opgesteld en aan de minister voorgelegd door een dienst wiens bevoegdheid elke rechtsgrond mist. Dit komt erop neer dat er toegeschreven wordt naar een oplossing die inhoudt dat ten spoedigste degenen die in hun bevordering werden geschorst, opnieuw op dezelfde stoel terechtkomen. 9.2.
- De verwerende partij merkt op dat de bestreden akte nog steeds berust op de adviezen die op 20 oktober 2005 werden uitgebracht door de bevorderingscomités, maar dat die adviezen in de overwegingen van het bestreden besluit zijn “aangepast” in de mate dat de Raad van State in het schorsingsarrest onregelmatigheden heeft vastgesteld. De verwerende partij werpt op dat niet te begrijpen valt hoe de rechtzetting door de minister, en niet door de bevorderingscomités, van de door de Raad van State vastgestelde onregelmatigheden de verzoeker kan hebben benadeeld. Volgens haar heeft de verzoeker dan ook geen belang bij het middel. V - 1732 -8/14 9.2.
- Subsidiair voert de verwerende partij aan dat de verzoeker niet duidelijk maakt op grond van welke bepaling hij recht zou hebben op een nieuw advies van de bevorderingscomités. Geen enkele van de in het middel ingeroepen bepalingen geeft hem dat recht, en hij kan dit recht evenmin ontlenen aan het schorsingsarrest, dat enkel maar aangaf dat het advies van de bevorderingscomités en de voordracht van de minister aan de Koning onregelmatig waren. De keuze van de wijze waarop de administratieve overheid na de intrekking van de geschorste benoemingen gemeend heeft te moeten overgaan tot een nieuw benoemingsbesluit (nieuw advies van de bevorderingscomités versus amendering door de minister van Landsverdediging zelf van de door de bevorderingscomités geformuleerde adviezen) komt uiteraard enkel toe aan de administratie. 9.
- De tussenkomende partij voert aan dat de Raad van State in zijn arrest nr. 162.708 van 25 september 2006 geoordeeld heeft dat, in zoverre de bestreden besluiten zich ertoe beperkten in hun motieven te verwijzen naar het advies van de bevorderingscomités, de verwerende partij geacht moest worden zich de motivering vervat in die adviezen volledig tot de hare te maken. Vervolgens heeft de Raad van State vastgesteld dat die motivering niet voldeed aan de vereisten van de formele motiveringsverplichting. De verwerende partij heeft de gevolgen uit het arrest van de Raad van State getrokken. Uit artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 volgt dat de minister niet gebonden is door het advies van een bevorderingscomité. De Koning heeft de geschorste besluiten dan ook ingetrokken, en een nieuw besluit genomen, op grond van een eigen beoordeling van de minister, weliswaar op basis van de adviezen van de bevorderingscomités, maar zonder zich daarbij volledig aan te sluiten. Aldus heeft de verwerende partij de gebreken hersteld, waardoor de adviezen van de bevorderingscomités waren aangetast. 9.4.
- In zoverre de verwerende partij de ontvankelijkheid van het middel betwist op grond dat de verzoeker er geen belang bij zou hebben om aan te voeren dat het rechtsherstel ten onrechte door de minister, in plaats van door de bevorderingscomités, is gebeurd, dient opgemerkt te worden dat de bevorderingscomités specifiek in het leven geroepen zijn om de titels en verdiensten van de kandidaten te onderzoeken en om de minister daarover een gemotiveerd V - 1732 -9/14 advies te geven. Aldus bieden de bevorderingscomités een zekere waarborg voor een objectief onderzoek, voorafgaand aan de beoordeling door de overheid die voor de bevorderingen politiek verantwoordelijk is. De verzoeker heeft dan ook belang bij een middel waarin wordt aangevoerd dat over de bevorderingen is beslist zonder dat de bevorderingscomités daarover een nieuw advies hebben uitgebracht. In de huidige stand van het geding kan de exceptie van onontvankelijkheid van het middel niet aangenomen worden. 9.4.
- Artikel 1, 5/, van het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren luidt als volgt: “De procedure die aan de benoeming in een graad van opperofficier of hoofdofficier voorafgaat omvat: (...) 5/ het onderzoek van de kandidaturen door het bevorderingscomité, de mededeling van het aantal te begeven plaatsen door de Minister van Landsverdediging en de aanbeveling van de kandidaten door het bevorderingscomité.” De artikelen 2 tot 9 van hetzelfde besluit regelen de werking van de bevorderingscomités en de procedure inzake het onderzoek van de kandidaturen. Te dezen is met name artikel 8 van belang, dat luidt als volgt: “Het bevorderingscomité brengt advies uit over de geschiktheid van de kandidaten om het ambt van de hogere graad te vervullen. Op basis van het gemotiveerd advies van de officier belast met het voordragen van de kandidaten worden de respectieve verdiensten van de kandidaten vergeleken. De meest verdienstelijke kandidaten worden aanbevolen binnen het door de Minister van Landsverdediging vastgesteld maximum aantal opengestelde plaatsen. De opeenvolgende etappes in de adviesvorming van het bevorderingscomité worden bekrachtigd door één of meer stemmingen. De beraadslagingen van het bevorderingscomité zijn geheim.” Uit de aangehaalde bepalingen blijkt dat geen bevordering kan worden gedaan indien daarover niet vooraf is beraadslaagd door het bevorderingscomité, en indien dit over de kandidaten geen advies heeft gegeven en de naar zijn oordeel meest verdienstelijke kandidaten niet heeft aanbevolen. Hieruit volgt dat de regelmatigheid van een bevordering mede afhangt van de regelmatigheid van het bedoelde advies en de bedoelde aanbeveling. V - 1732 -10/14 Volgens de verwerende partij is het bestreden besluit genomen op basis van de adviezen en de aanbevelingen die op 20 oktober 2005 door de betrokken bevorderingscomités zijn gegeven. In zoverre de Raad van State in zijn arrest nr. 162.708 van 25 september 2006 heeft vastgesteld dat die adviezen en aanbevelingen onregelmatig waren, zou de minister die onregelmatigheden hersteld hebben, met name door zelf de kandidaturen te onderzoeken en te vergelijken. De aldus door de verwerende partij gevolgde werkwijze strookt niet met de economie van het koninklijk besluit van 7 april
- Door te steunen op een beoordeling die is uitgevoerd in samenwerking met de dienst “HRE-X”, heeft de minister de adviezen en de aanbevelingen van de bevorderingscomités laten bestaan, met de gebreken die de Raad van State reeds heeft vastgesteld. Terwijl de artikelen 1, 5/, en 8 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 juist beogen het voor de minister mogelijk te maken om zich terdege te laten voorlichten, heeft de minister er te dezen voor geopteerd om van een regelmatige voorlichting door de geëigende organen af te zien. Ongeacht de inhoudelijke waarde van de beoordeling waarop de minister te dezen gesteund heeft om de zes kandidaten aan de Koning ter benoeming voor te dragen, kan niet anders dan vastgesteld worden dat deze beoordeling, door een dienst waarvan geen sprake is in het koninklijk besluit van 7 april 1959, op het vlak van de objectiviteit minder waarborgen biedt, of althans de schijn wekt minder waarborgen te bieden, dan een volwaardige beoordeling door de bevorderingscomités. Door het bestreden besluit te nemen zonder de bevorderingscomités om een nieuw advies en een nieuwe aanbeveling te vragen, heeft de verwerende partij dan ook de hiervóór genoemde bepalingen van het koninklijk besluit van 7 april 1959 geschonden. Hiertegen kan niet opgeworpen worden, zoals de verwerende partij en de tussenkomende partij doen, dat artikel 11 van het koninklijk besluit van 7 april 1959 bepaalt dat de minister, die de te benoemen kandidaten aan de Koning voordraagt, er niet toe gehouden is zich bij het advies van het bevorderingscomité aan te sluiten. Het feit dat het advies en de aanbeveling van een comité niet bindend zijn, belet immers niet dat een regelmatig advies en een regelmatige aanbeveling moeten voorliggen, op basis waarvan de minister dient te beslissen welke kandidaten hij voor benoeming voordraagt. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 1, 5/, en 8 van het koninklijk besluit van 7 april 1959, is het ernstig. V - 1732 -11/14 10.
- Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat hij door het bestreden besluit een moreel nadeel lijdt. Hij wijst erop dat hij duidelijk primeert, dat het de laatste maal is dat hij kandidaat kan zijn, en dat hij moet ervaren dat jongere kandidaten, die slechts voor de eerste of de tweede maal deelnemen, hem over het hoofd springen. Dit nadeel is des te onverdraaglijker, omdat de verzoeker bij elke evaluatie uiterst lovend wordt beoordeeld. Daarnaast wijst de verzoeker erop dat het zijn laatste kans was om tot majoor te worden bevorderd en dat hij in zijn huidige graad uiterlijk in april 2014 op pensioen zal worden gesteld. Een vernietiging die pas zou tussenkomen na een normale annulatieprocedure zou impliceren dat hij pas in de nadagen van zijn carrière in aanmerking zou komen voor een bevordering. Tevens zou elke verdere bevordering vanuit de graad van majoor onherstelbaar verloren zijn. Hij stelt verder dat het ook ten aanzien van de benoemde kandidaten aangewezen is dat onherstelbare gevolgen worden vermeden. Bij een volledige vernietiging wordt het rechtsherstel voor alle andere kandidaten een bijna onoplosbare puzzel want inmiddels zullen er anderen bevorderd zijn, die bevorderd blijven en die het aantal vacatures zullen bepalen. 10.
- Weliswaar moet iemand die zich voor een bepaalde benoeming kandidaat stelt, rekening houden met een afwijzing van zijn kandidatuur zodat die mislukking in beginsel geen bron kan zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Zulks zal enkel het geval zijn wanneer de verzoeker bijzondere gegevens aanvoert die aantonen dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt die toch een schorsing verantwoordt. Te dezen moet vastgesteld worden dat de verzoeker voor de vijfde keer deelneemt aan de bevorderingsronde voor majoor, dat het vanuit statutair oogpunt om zijn laatste kans gaat, en dat hij binnen zijn korps over de hoogste graadanciënniteit beschikt en daarom als eerste voorkwam op de lijst van kandidaten die aan de bevorderingsronde deelnamen. Bovendien heeft de verzoeker van zijn hiërarchische meerderen een advies “zeer goed” met lovende kritiek gekregen. In die omstandigheden voert de verzoeker terecht aan dat het voorbijgaan aan zijn kandidatuur zijn imago sterk aantast. Omwille van deze specifieke redenen dient de V - 1732 -12/14 verzoeker niet langer dan strikt noodzakelijk te wachten om zijn geschil met het bestuur definitief beslecht te zien. Op grond van deze beschouwingen aanvaardt de Raad van State dat er te dezen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is.
- Er is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Robert BUEKENHOUT in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de artikelen 2 en volgende van het koninklijk besluit nr. 6286 van 8 december 2006 waarbij A. DUYTSCHAEVER, S. RANWEZ, R. BUEKENHOUT, J.M. VERDEBOUT, M. DECOLLE en L. LAMS met ingang van 26 december 2005 werden benoemd tot majoor in het kader van de beroepsofficieren. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. V - 1732 -13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien februari 2008, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de HH. E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. V - 1732 -14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.861 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div