id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.935 Rolnummer: A. 158867/XIV-21494 Zaak: Arrest 179935 - Dienst Vreemdelingenzaken - 21/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:39 Fiche Arrest nr 179.935 van 21 februari 2008 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 179.935 van 21 februari 2008 in de zaak A. 158.867/XIV-21.494 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. VANOVERLOOP, kantoor houdende te 9040 SINT-AMANDSBERG, Halvemaanstraat 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Guinese nationaliteit, op 13 december 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 november 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 januari 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 19 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-21.494-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat N. VANOVERLOOP verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. FIERENS, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 25 november 2002 via de burgemeester van de stad Antwerpen een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van het toenmalige artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), indient; dat op 4 november 2004 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag ontvankelijk doch ongegrond verklaart; dat dit de bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “de redenen die aangehaald worden om het verblijf toe te staan zijn onvoldoende : De aangehaalde elementen vormen geen bewijs van verregaande integratie en zijn bijgevolg onvoldoende om betrokkene een verblijf toe te staan op grond van art. 9 van de wet van
- Het feit dat betrokkene verschillende cursussen Nederlands en een beroepsopleiding heeft gevolgd, talrijke verklaringen van kennissen en vrienden kan voorleggen en dat hij tewerkgesteld was, is een logisch gevolg van zijn verblijf in België gedurende meer dan 3 jaar en 6 maanden. Het is normaal dat betrokkene getracht heeft zijn tijd zo goed mogelijk te benutten gedurende de behandelingsduur van zijn asielaanvraag. Bovendien werd de arbeidsvergunning aan betrokkene verleend in het kader van de asielaanvraag en zij was derhalve enkel geldig zolang de procedure lopende was. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. Het feit dat er een vertraging, zelfs onredelijk lang, werd opgelopen in de behandeling van zijn dossier geeft betrokkene niet de mogelijkheid zich te beroepen op gelijk welk recht van verblijf dan ook. Bijgevolg verzoek ik u door afgifte van het formulier B overeenkomstig het model van bijlage 13 van het K.B. van 08 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. van 27 oktober 1981), gewijzigd door het K.B. van 22 november 1996 (B.S. van 06 december 1996) aan de betrokkene kennis te geven van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten binnen de 30 (dertig) dagen na de kennisgeving. Reden van de maatregelen : betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - art 7, alinea 1, 20). Het bevel om het grondgebied te verlaten, moet worden opgesteld in drie exemplaren : het origineel wordt afgegeven aan de vreemdeling, een exemplaar wordt mij toegestuurd en het derde ; wordt door u diensten bewaard. eik exemplaar dient door de vreemdeling ondertekend te worden. Het attest van immatriculatie en/of de documenten die werden afgegeven op het ogenblik dat belanghebbende zich vluchteling verklaarde dienen te worden ingetrokken. Gelieve betrokkene mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.
- Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste met XIV-21.494-2/7 het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hem een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat hij voor kennisname heeft getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggéstuurd. Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkene nog in Uw gemeente verblijft en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van Uw bevindingen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste en een tweede middel aanvoert, die beide verwijzen naar hetzelfde argument, en die luiden als volgt: “Eerste middel : Schending van artikel 9 van de Vreemdelingenwet van 16.12.1980 en het beginsel van behoorlijk bestuur. De bestreden beslissing wordt als volgt gemotiveerd: 'De redenen die aangehaald worden om het verblijf toe te staan zijn onvoldoende: De aangehaalde elementen vormen geen bewijs van verregaande integratie en zijn bijgevolg onvoldoende om betrokkene een verblijf toe te staan op grond van artikel 9 van de wet van
- Het feit dat betrokkene verschillende cursussen Nederlands en een beroepsopleiding heeft gevolgd, talrijke verklaringen van kennissen en vrienden kan voorleggen en dat hij tewerkgesteld was, is een logisch gevolg van zijn verblijf in België gedurende meer dan 3 jaar en 6 maanden. Het is normaal dat betrokkene getracht heeft zijn tijd zo goed mogelijk te benutten gedurende de behandelingsduur van zijn asielaanvraag. Bovendien werd de arbeidsvergunning aan betrokkene verleend in het kader van de asielaanvraag en zij was derhalve enkel geldig zolang de procedure lopende was. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. Het feit dat er een vertraging, zelfs onredelijk lang, werd opgelopen in de behandeling van zijn dossier geeft betrokkene niet de mogelijkheid zich te beroepen op gelijk welk recht van verblijf dan ook.' Artikel 9 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat: Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich -niet in een der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven. De toepassing van het derde lid van artikel 9 van de vreemdelingenwet werd uitgewerkt in meerdere omzendbrieven geregeld. Betreffende de gegrondheid van een aanvraag tot machtiging van verblijf van meer dan drie maanden op basis van artikel 9 van de Vreemdelingenwet stelt de omzendbrief dd. 19.02.2003 over de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 het volgende: De redenen waarom de betrokkene een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in België wenst te verkrijgen, moeten uitdrukkelijk in de aanvraag worden vermeld... De Minister of zijn gemachtigde beschikt over een ruime appreciatiebevoegdheid wat de gegrondheid van de aanvraag betreft. Hoewel de minister over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, is deze appreciatiebevoegdheid niet onbeperkt. Zijn beslissingen moeten gemotiveerd en gerechtvaardigd zijn. Verzoeker verwijst in analogie naar het arrest dd. 30 juni 1998: ‘Hoewel de minister bij de beoordeling van de buitengewone omstandigheden die rechtvaardigen dat de aanvraag in België in plaats van in het buitenland wordt ingediend, over een erg ruime beoordelingsmarge beschikt, neemt dat niet weg dat hij zijn beslissing moet motiveren en rechtvaardigen’ (R.v.St. nr 74.880, 30 juni 1998, Rev. Dr. Étr. 1998, 227) De bestreden beslissing bepaalt dat de elementen door verzoeker aangehaald, geen bewijs vormen van verregaande integratie. Artikel 9, derde lid van de vreemdelingenwet, noch de omzendbrieven bepalen aan welke voorwaarden moet worden voldaan vooraleer de integratie weerhouden wordt. De Minister beschikt hierin over een appreciatievrijheid. Zoals reeds gemeld is deze appreciatievrijheid echter niet onbeperkt. XIV-21.494-3/7 Uit de beslissing blijkt dat verzoeker vlot Nederlands spreekt (na het volgen van meerdere cursussen), vele vrienden heeft en tewerkgesteld was. Uit de beslissing zelf blijkt aldus dat verzoeker verregaand geïntegreerd was. De bestreden beslissing bevestigt aldus dat verzoeker zich geïntegreerd heeft in onze maatschappij, maar gezien dit het gevolg is van de lange behandelingsduur van zijn dossier, kan die integratie niet weerhouden worden. Door deze beslissing gaat de minister zijn appreciatiebevoegdheid te buiten. De bestreden beslissing komt er op neer dat integratie die het gevolg is van de onredelijke termijn in de behandeling van het dossier niet in aanmerkelijk' wordt genomen. Nochtans maakt de Vreemdelingenwet geen onderscheid tussen integratie als gevolg van legaal verblijf (wat in casu het geval is) en integratie als gevolg van langdurig verblijf. Als besluit stelt de bestreden beslissing dat een vertraging, zelfs onredelijk lang, die werd opgelopen in de behandeling van zijn dossier, verzoeker niet de mogelijkheid geeft zich te beroepen op gelijk welk recht van verblijf dan ook. Artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet geeft vreemdelingen de mogelijkheid om een verzoek tot machtiging van verblijf van meer dan drie maanden in te dienen. Verzoeker heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft de verschillende elementen van zijn dossier verduidelijkt. De buitengewone omstandigheden werden door de Minister weerhouden. Ondanks de duidelijke bewijzen van integratie, meent de Minister dat de integratie onvoldoende is, ondermeer omdat zij het gevolg is van de langdurige behandelingsduur van zijn asielaanvraag. De bestreden beslissing stelt dan ook foutief dat verzoeker niet de mogelijkheid heeft zich te beroepen op gelijk welk recht van verblijf. De bestreden beslissing is totaal willekeurig en in strijd met artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Aanvullend verwijst verzoeker nog naar de regularisatieprocedure in het kader van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grond gebied van het Rijk. De Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers stelt in het wetsontwerp: De wetgever is enerzijds van mening dat de termijn van vier of drie jaar, de normale duur overschrijdt voor een procedure tot onderzoek van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en anderzijds dat, gedurende deze periode, een vreemdeling die op het Belgisch grondgebied verblijft, zich geleidelijk in de maatschappij heeft geïntegreerd, waardoor hij ernstig benadeeld dreigt te worden in geval van verwijdering. (Pagina 7, doc 50 0234/001) Verzoeker verblijft ondertussen reeds meer dan 3 jaar in België, waarvan het grootste deel met legaal verblijf. Ook hij dreigt ernstig benadeelt te worden in geval van verwijdering. De bestreden beslissing verduidelijkt niet waarom er in casu een andere redenering gevolgd dient te worden. Om deze redenen schendt de bestreden beslissing de bepalingen van artikel 9.3 van de wet van 15.12.
- Tweede middel : Niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, met name schending van artikel 62, 1ste lid van de Vreemdelingenwet van 15.12.
- Schending van artikel 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van artikel 149 Grondwet. Artikel 62, 1ste lid van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 schrijft voor dat de administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. Artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan die beslissing, en dat de gegeven motivering afdoende dient te zijn. Aan de motiveringsplicht is in casu geenszins voldaan. Verzoeker verwijst hiervoor naar het eerste middel. Verzoeker verwijst naar de argumenten zoals deze in het eerste middel heeft uitgewerkt. Uit de beslissing is niet op te maken om welke reden de Minister het verzoek van verzoeker ongegrond vindt. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom de integratie van verzoeker niet voldoende is. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom integratie als gevolg van onredelijke termijn in de behandeling van een asielprocedure niet in aanmerking kan genomen worden in het kader van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom verzoeker zich niet zou kunnen beroepen op gelijk welk recht van verblijf, in casu een machtiging van verblijf van meer dan drie maanden op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. De bestreden beslissing schendt vanuit die optiek alle aangehaalde wettelijke en grondwettelijke bepalingen evenals de rechten van verdediging.”; XIV-21.494-4/7 2.
- Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet betrekking heeft op de motivering van jurisdictionele uitspraken, en niet op zuiver administratieve beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht, die vereist de betrokkene met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover hij in rechte beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 vereisen dat de administratieve overheid in haar bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op afdoende wijze; dat derhalve de motivering draagkrachtig moet zijn en in rechte en in feite evenredig met het belang van de genomen beslissing; Overwegende dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat het hem op grond van artikel 9, 3de lid, van de Vreemdelingenwet in buitengewone omstandigheden evenwel wordt toegestaan die aanvraag in te dienen via de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat slechts wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet aanvragen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te verkrijgen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet aldus een dubbel onderzoek inhoudt, enerzijds, wat de ontvankelijkheid betreft, naar de bijzondere omstandigheden die het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland rechtvaardigen, en anderzijds, wat de gegrondheid betreft, naar de gronden om een machtiging tot verblijf van langer dan drie maanden toe te staan; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken de argumenten van de verzoekende partij inzake haar maatschappelijke integratie inhoudelijk niet betwist, doch slechts stelt dat deze onvoldoende zijn om een verblijf toe te staan, nu deze integratie een “logisch gevolg” is van het verblijf in België van de verzoekende partij gedurende meer dan drie jaar en zes maanden, tijdens de behandeling van haar asielverzoek; dat de verzoekende partij zich in haar aanvraag om machtiging tot verblijf niet beroept op een “onredelijk lange” vertraging in de asielprocedure, zodat de stelling van de minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent niet relevant is; dat niet in redelijkheid kan worden ingezien hoe uit het simpele feit dat de maatschappelijke integratie van de verzoekende partij zich ontwikkelde gedurende de duur van de asielprocedure kan worden afgeleid dat de deze integratie onvoldoende is om de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van XIV-21.494-5/7 artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet ongegrond te verklaren; dat een dergelijke motivering derhalve niet kan worden beschouwd als afdoend in de zin van de artikelen 2 en 3 van wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het eerste en het tweede middel in die mate gegrond zijn;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat er geen grond meer is om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 november 2004 waarbij de aanvraag van de verzoekende partij om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig februari tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-21.494-6/7 J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-21.494-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div