← België

Arrest 179957 - Milieuvergunningen - 21/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.957 Rolnummer: A. 184800/VII-37033 Zaak: Arrest 179957 - Milieuvergunningen - 21/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-25 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:39 Fiche Arrest nr 179.957 van 21 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 179.957 van 21 februari 2008 in de zaak A. 184.800/VII-37.033. In zake : 1. Roger LUYCKX, 2. Henriette TILCKENS, die woonplaats kiezen bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te BRUSSEL, de Henninstraat 67-69 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30. tussenkomende partij : de v.z.w. TERLAMEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger LUYCKX en Henriette TILCKENS op 13 augustus 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 juni 2007 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 9 november 2006, houdende wijziging, op verzoek van de v.z.w. TERLAMEN, van de vergunningsvoorwaarden voor de exploitatie van een omloop voor motorvoertui- gen, gelegen Terlaemen 30 te Heusden-Zolder, ongegrond worden verklaard, en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; VII-37.033-1/27 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 januari 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 31 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. JACOBS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat I. VAN DEN BOSSCHE die, loco advocaat D. DE GREEF verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een verzoekschrift van 25 september 2007 vraagt de v.z.w. TERLAMEN, exploitant van de kwestieuze inrichting, om in het administra- tief kort geding te mogen tussenkomen. Dit verzoek kan worden ingewilligd. 2. De feiten 2.1. De tussenkomende partij exploiteert een permanente omloop voor motorvoertuigen, algemeen gekend als het circuit van Zolder-Terlamen. 2.2. De omloop wordt thans uitgebaat op grond van een bij besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 7 januari 2000 verleende milieuvergunning waarvan de geldigheidstermijn loopt tot 31 december 2019. Aan die basisvergunning zijn een reeks bijzondere voorwaarden verbonden die hoofdzakelijk betrekking heeft op de bestrijding van de geluidshinder die met de vergunde activiteiten gepaard gaat. VII-37.033-2/27 In het kader van voorliggend geding zijn inzonderheid de volgende voorwaarden van belang : "(...) 2) In afwijking van artikel 5.32.10.3. van titel II van het Vlarem : 2.1) Tijdens de activiteiten van categorie B en C mag de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of - rijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 95 dB(A). 2.2) Tijdens de activiteiten van categorie A mag voor de wedstrijden met regionaal karakter de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of -rijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 105 dB(A). Onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie. 2.3) - 2.7) (...) 3) In afwijking van artikel 5.32.10.4. van titel II van het Vlarem : Voor de toepassing van deze bepalingen worden volgende categorieën van activiteiten onderscheiden : * activiteiten van de A-categorie : wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, alsook recreatief gebruik van motorvoertuigen of motorrijwielen, die voldoen aan de bijzondere voorwaarde 2, 2); (...); Vanaf de datum van het in werking treden van deze vergunning geldt daarenboven het volgende : * A-activiteiten zijn enkel toegelaten : - elke donderdag, voor zover deze niet voorafgaat aan een A-weekend van drie dagen, van 9-12 u en van 13-17 u - tien weekends per jaar, als volgt samengesteld : * drie weekends van twee en een halve dag, als volgt samengesteld : - vrijdag van 14-18 u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * maximaal vier weekends van drie dagen, als volgt samengesteld : - vrijdag van 9-12 u en van 13-18u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18u - zondag van 10-18u30 - de donderdag voorafgaand aan deze weekends is geen ingedeelde activiteit toegestaan (noch A, B, C of D) * minimaal twee weekends per jaar als volgt samengesteld : - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * één weekend van 24 uren begrepen tussen zaterdag 9 u en zondag 18u30 - 5 dagen per jaar van 9-19 u ingeval van toewijzing van een WK gemotoriseerde sporten. Indien deze vijf dagen aaneengesloten worden genomen, mogen er geen ingedeelde activiteiten ingericht worden (noch A, B, C of D) de dag voor en de dag na deze vijf dagen. - één avondtraining tijdens een weekdag van 16-24 u Het totaal aantal A-dagen mag de 73,5 niet overschrijden (of 78,5 ingeval van toewijzing van een WK). (...); 4) - 5) (...). VII-37.033-3/27 6) - De vzw Terlamen zal uiterlijk drie volle maanden voorafgaand aan elk verder volgend kwartaal de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt. Bij niet-afwijzing binnen de maand na deze voorlegging wordt de aldus voorgelegde activiteitenkalender geacht te zijn goedgekeurd. De activiteiten van categorie A met regionaal karakter dienen specifiek vermeld in de activiteitenkalender. - (...). 7) - 13) (...)". 2.3. Op 19 juli 2004 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking een besluit waarbij enkele bijzondere voorwaarden, opgelegd in de lopende milieuvergunning, ambtshalve worden gewijzigd. Aldus worden wijzigingen aangebracht aan de voorwaarden gesteld in - onder meer - de nummers 2.2) en 6) van de basisvergunning. Bovenvermelde voorwaarde 2.2) wordt vervangen door de volgende bepaling : "Tijdens de activiteiten van categorie A mag voor de wedstrijden en/of activiteiten met regionaal karakter de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of motorrijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissiemeetposten, niet hoger is dan 105 dB(A). Onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie. De vrije trainingen op donderdag worden steeds gecatalogeerd als activiteiten met regionaal karakter en moeten dus voldoen aan hoger vermelde norm van 105 dB(A), met uitzondering van de trainingen op donderdagen vóór weekends met internationale wedstrijden". De bijzondere voorwaarde 6), eerste gedachtenstreepje, luidt, na wijziging door het besluit van 19 juli 2004, voortaan als volgt : "De vzw Terlamen zal uiterlijk drie volle maanden voorafgaand aan elk verder volgend kwartaal de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt. Bij niet-afwijzing binnen de maand na deze voorlegging wordt de aldus voorgelegde activiteitenkalender geacht te zijn goedgekeurd. De activiteiten van categorie A met internationaal karakter dienen specifiek te worden vermeld in de activiteitenkalender. Voor elke activiteit met internationaal karakter wordt een verduidelijking en motivering gegeven van het internationaal karakter". De wijziging van de betrokken voorwaarden wordt in het besluit van 19 juli 2004 als volgt gemotiveerd : VII-37.033-4/27 "Toepassing van de emissienorm van 105 dB(A) : op pagina 13 van het ministerieel besluit van 7 januari 2000 is volgende overweging opgenomen : 'dat de exploitant stelt dat slechts voor A-activiteiten met regionaal karakter een emissienorm LA, max van 105 dB(A) kan gerespecteerd worden, vermits deze norm voor internationale wedstrijden niet haalbaar is; dat het dus aangewezen is een onderscheid te maken tussen A-activiteiten van regionaal en van internationaal karakter; dat onder wedstrijden met regionaal karakter wedstrijden verstaan worden die onder de auspiciën staan van de Vlaamse Autosportfederatie'; in bijzondere voorwaarde nr. 2.2 is deze emissienorm dan ook opgenomen voor wedstrijden met regionaal karakter; in bijzondere voorwaarde nr. 6 is bovendien opgenomen dat de activiteiten van categorie A met regionaal karakter specifiek moeten vermeld worden in de activiteitenkalender; dit impliceert dat exploitant zelf moet aangeven wanneer de emissienorm van 105 dB(A) van toepassing is (in principe zou dit telkens moeten gebeuren bij wedstrijden van regionaal belang), zoniet dan is er geen enkele geluidsbeperking gedurende de A-activiteit; de praktijk (bvb. zie activiteitenkalender 2003) toont echter aan dat exploitant de A-activiteiten nooit expliciet catalogeert als activiteit of wedstrijd van regionaal belang, ook niet de A-activiteiten op donderdag die op enkele uitzonderingen na (nl. trainingsritten de donderdag voor een internationale wedstrijd) nooit als activiteit van internationaal belang te beschouwen zijn, maar als 'vrije trainingen' zijn gecatalogeerd; dit gaat in tegen de logica en de overwegingen van het ministerieel besluit van 7 januari 2000; om die reden is het dan ook aangewezen dat de logica wordt omgekeerd, namelijk dat de emissienorm van 105 dB(A) steeds van toepassing is, tenzij het gaat om activiteiten met een internationaal karakter, en die als dusdanig zijn vermeld in de activiteitenkalender; bij het aanduiden daarvan in de activiteitenkalender moet tevens een korte toelichting gegeven worden waarom de activiteit een internationaal karakter heeft; de trainingen op donderdag dienen steeds te beantwoorden aan de norm van 105 dB(A) tenzij het gaat om trainingsritten de donderdag voor een internationale wedstrijd; met deze wijziging wordt in se niks fundamenteels gewijzigd aan de logica van de bijzondere voorwaarden van het ministerieel besluit van 7 januari 2000; de wijziging moet echter zorgen voor het operationaliseren van het bewust gemaakte onderscheid dat in de praktijk niet wordt toegepast". 2.4. Op 25 augustus 2004 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur een besluit waarbij de vergunningsvoorwaarden voor de exploitatie van het betrokken circuit opnieuw ambtshalve worden gewijzigd. Met betrekking tot het gebruik van de omloop op donderdagen en de daarbij toepasselijke geluidsnorm wordt de zin die aan voorwaarde 2.2) werd toegevoegd bij besluit van 19 juli 2004 geschrapt. Daarmee wordt in feite volledig teruggekeerd naar de voorwaarde zoals die oorspronkelijk was opgenomen in de basisvergunning van 7 januari 2000. Een tweede wijziging houdt verband met de vermelding in de activiteitenkalender van het soort A-activiteiten. Voortaan geldt als regel dat "voor de activiteiten van categorie A wordt verduidelijkt of ze een regionaal dan wel een internationaal karakter hebben". VII-37.033-5/27 2.5. Tegen voormeld besluit van 25 augustus 2004 stelt eerste verzoeker, omwonende van het circuit, een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 150.456 van 20 oktober 2005 wordt het besluit van 25 augustus 2004 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur door de Raad van State vernietigd. Eén van de aangevoerde middelen wordt kennelijk gegrond bevonden. 2.6. Op 8 november 2005 dient de tussenkomende partij bij de Raad van State een verzoek tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in tegen voormeld besluit van 19 juli 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking (zaak A. 167.598/VII-34.912). Bij arrest nr. 159.568 van 2 juni 2006 worden het annulatieberoep en de vordering tot schorsing verworpen wegens kennelijke laattijdigheid. 2.7. Daags nadat de tussenkomende partij de zaak A. 167.598/VII- 34.912 bij de Raad van State heeft ingeleid, neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het besluit waarbij het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 tot wijziging van de bijzondere exploitatievoorwaarden wordt opgeheven. Bij arrest nr. 175.648 van 11 oktober 2007 wordt het besluit van 9 november 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur op zijn beurt vernietigd. 2.8. Inmiddels heeft de tussenkomende partij op grond van artikel 45 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) bij de deputatie van de provincie Limburg een verzoek ingediend tot wijziging en aanvulling van de geldende vergunningsvoorwaarden. Luidens de motivering van het verzoek strekken de beoogde wijzigingen voornamelijk tot het vrijwaren van de (internationale) oefenritten die quasi elke donderdag op het circuit plaatsvinden, ofwel ter voorbereiding van internationale races die op het circuit zelf georganiseerd worden, ofwel als vast oefenterrein voor verschillende professionele teams ter voorbereiding van wedstrijden die elders gereden worden, ofwel als individuele testmogelijkheid voor de deelnemers aan zogenaamde amateurseries. VII-37.033-6/27 Concreet impliceren de voorgestelde wijzigingen dat de geluidsbeperking van 105 dB(A), die als algemene regel opgelegd wordt door het ministerieel besluit van 19 juli 2004 (het zogenaamde besluit-TAVERNIER), terug komt te vervallen. Voor de test- en oefenritten op donderdag zou geen geluidsbeperking meer gelden, tenzij op een dergelijke dag onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie een "regionale autosportwedstrijd" zou worden georganiseerd. Een ander voorstel tot wijziging heeft specifiek betrekking op de wedstrijd die gekend is onder de naam "Zolder Touring Cup". In de nieuw voorgestelde vergunningsvoorwaarden zou dit kampioenschap opgewaardeerd worden naar een A-weekend met een geluidsnorm van 105 dB(A) (waardoor de emissiegrens van 95 dB(A) die voorheen van toepassing was niet langer geldt voor die wedstrijd). 2.9. Met een besluit van 9 november 2006 gaat de deputatie van de provincie Limburg bijna volledig in op het verzoek van de tussenkomende partij. De vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd zoals gewenst door de exploitant. 2.10 Tegen voormeld deputatiebesluit worden verschillende beroepen ingediend bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. 2.11. Op 12 juni 2007 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het thans bestreden besluit waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 9 november 2006 ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing integraal wordt bevestigd. De vergunningsvoorwaarden die relevant zijn in het kader van het voorliggend geding zien er na wijziging als volgt uit: "(...) 2) In afwijking van artikel 5.32.10.3. van titel II van het Vlarem : 2.1) Tijdens de activiteiten van categorie B en C mag de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of - rijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 95 dB(A). 2.2) Tijdens de activiteiten van categorie A mag voor de wedstrijden met regionaal karakter de omloop uitsluitend worden gebruikt door motorvoertuigen en/of motorrijwielen waarvan het geluidsniveau LA, max, gemeten door de in punt 2.3) hierna bedoelde emissieposten, niet hoger is dan 105 dB(A); onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Regionale Vlaamse Autosportfederatie; voor wedstrijden die ten gevolge van de federalisering van de auto- en/of motorsport onder de auspiciën van een Vlaamse sportfederatie zouden komen, maar die een VII-37.033-7/27 duidelijk bovenregionaal karakter hebben, geldt deze geluidsbeperking niet; dit bovenregionaal karakter wordt bewezen geacht indien er meer dan één manche van de serie, waarvan de wedstrijd deel uitmaakt, buiten het Vlaams Gewest plaatsvindt, of indien meer dan 15% van de deelnemers een andere licentie dan een VAS-licentie hebben; de deelnemerslijsten moeten tijdens en tot één jaar na de wedstrijden ter inzage liggen bij de exploitant; 2.3) - 2.7) (...) 3) In afwijking van artikel 5.32.10.4. van titel II van het Vlarem : Voor de toepassing van deze bepalingen worden volgende categorieën van activiteiten onderscheiden : * activiteiten van de A-categorie : wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen, alsook recreatief gebruik van motorvoertuigen of motorrijwielen, die voldoen aan de bijzondere voorwaarde 2, 2); (...); Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze vergunning geldt daarenboven het volgende : * A-activiteiten zijn enkel toegelaten : - elke donderdag, voor zover deze niet voorafgaat aan een A-weekend van drie dagen, van 9-12 u en van 13-17 u - tien meerdaagse weekendactiviteiten per jaar, als volgt samengesteld : * drie weekends van twee en een halve dag, als volgt samengesteld : - vrijdag van 14-18 u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * maximaal drie weekends van drie dagen, als volgt samengesteld : - vrijdag van 9-12 u en van 13-18u - zaterdag van 9-12 u en van 13-18u - zondag van 10-18u30 - de donderdag voorafgaand aan deze weekends is geen ingedeelde activiteit toegestaan (noch A, B, C of D) * minimaal twee weekends per jaar als volgt samengesteld : - zaterdag van 9-12 u en van 13-18 u - zondag van 10-18u30 * één weekend van 24 uren begrepen tussen zaterdag 9 u en zondag 18u30 - 5 dagen per jaar van 9-19 u ingeval van toewijzing van een WK gemotoriseerde sporten. Indien deze vijf dagen aaneengesloten worden genomen, mogen er geen ingedeelde activiteiten ingericht worden (noch A, B, C of D) de dag voor en de dag na deze vijf dagen. - één activiteitsdag (week of weekend) voor regionale wedstrijden van 9-22u; deze dag mag enkel opgenomen worden in de periode van oktober tot en met maart; tijdens de twee volgende kalenderdagen en de eerstvolgende donderdag mogen er geen ingedeelde activiteiten ingericht worden; - één avondtraining tijdens een weekdag van 16-24 u; Het totaal aantal A-dagen mag de 73,5 niet overschrijden (of 78,5 ingeval van toewijzing van een WK); * B-activiteiten zijn enkel toegelaten op : - maximum acht dagen per maand, te kiezen uit maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag, zaterdag en zondag, telkens van 9-12u en van 13-18u [...]; er dient rekening gehouden te worden met de beperkingen omschreven onder de A- activiteiten Het totaal aantal B-dagen bedraagt maximum 96; (...); 4) - 5) (...). VII-37.033-8/27 6) - De vzw Terlamen zal uiterlijk drie volle maanden voorafgaand aan de kwartalen 1, 3 en 4 en uiterlijk twee volle maanden voorafgaand aan kwartaal 2 de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt; bij niet afwijzing binnen de maand na deze voorlegging wordt de aldus voorgelegde activiteitenkalender geacht te zijn goedgekeurd; in de activiteitenkalender moet de exploitant bij activiteiten van de categorie A specifiek vermelden onder welk van de 3 onderstaande types deze activiteit valt: * bovenregionaal : emissievrij; * regionaal : emissie maximum 105 dB(A); * deels regionaal : emissie maximum 105 dB(A) tijdens de regionale races; - (...). 7) - 13) (...)". Dit besluit is al volgt gemotiveerd: "Overwegende dat het beroep, ingediend door derden, betrekking heeft op de in de bestreden beslissing opgelegde, gewijzigde milieuvergunnings- voorwaarden; Overwegende dat met betrekking tot de volgende opgelegde milieuver- gunningsvoorwaarde: 'één activiteitsdag (week of weekend) voor regionale wedstrijden van 9-22u. Deze dag mag enkel opgenomen worden in de periode van oktober tot en met maart. Tijdens de twee volgende kalenderdagen en de eerstvolgende donderdag mogen er geen ingedeelde activiteiten ingericht worden', het volgende kan worden gesteld: dat het totaal aantal A-dagen niet toeneemt; dat bij ministerieel besluit van 7 januari 2000 dit beperkt is tot 73,5 dagen (of 78,5 ingeval van toewijzing van een wereldkampioenschap); dat met de bestreden beslissing dit aantal ongewijzigd blijft; dat deze activiteitendag gaat over de Race Promotion Night, die voortaan Belcar 10 Hours of Zolder heet; dat deze activiteit ook erkend is in het ministerieel besluit van 7 januari 2000, waarbij één B-dag werd toegewezen van 9 u tot 22 u; dat het evenwel sportief gezien niet houdbaar is dat het hele seizoen wordt gereden met een geluidsbeperking van 105 dB(A) en voor deze laatste race een beperking geldt van 95 dB(A); dat deze B-dag nu geschrapt is en vervangen door een A-dag; dat een aantal milderende maatregelen (wordt) opgelegd: - vermindering van het aantal weekends van 3 dagen van 4 naar 3; - een geluidsbeperking van 105 dB(A), wat een beperking is ten opzichte van andere A-activiteiten zonder geluidsbeperking; - enkel in de periode oktober - maart; - op de A-donderdag en de zondag en maandag volgend op de 10 uren race wordt er niet gereden; dat bijgevolg niet kan worden gesteld dat geluidshinder zal toenemen; Overwegende dat met betrekking tot de volgende opgelegde milieuvergunningsvoorwaarde: 'onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden onder de auspiciën van de Regionale Vlaamse Autosportfederatie. Voor wedstrijden die ten gevolge van de federalisering van de auto- en/of motorsport onder de auspiciën van een Vlaamse sportfederatie zouden komen, maar die een duidelijk bovenregionaal karakter hebben, geldt deze geluidsbeperking niet. Dit bovenregionaal karakter wordt bewezen geacht VII-37.033-9/27 indien er meer dan één manche van de serie, waarvan de wedstrijd deel uitmaakt, buiten het Vlaams Gewest plaatsvindt, of indien meer dan 15% van de deelnemers een andere licentie dan een VAS-licentie hebben. De deelnemerslijsten moeten tijdens en tot één jaar na de wedstrijden ter inzage (...) liggen bij de exploitant', het volgende kan worden gesteld: dat in het ministerieel besluit van 7 januari 2000 een geluidsemissiebeperking was opgelegd van 105 dB(A) tijdens de activiteiten van categorie A voor de wedstrijden met regionaal karakter en onder wedstrijden met regionaal karakter verstaat men die wedstrijden die onder de auspiciën van de Vlaamse Autosportfederatie vallen; dat tegen dit ministerieel besluit geen verzoekschrift werd ingediend bij de Raad van State; dat in het ministerieel besluit van 19 juli 2004 de voorwaarden zoals opgelegd in het ministerieel besluit van 7 januari 2000 ambtshalve werden aangevuld met: de vrije trainingen op donderdag worden steeds gecatalogeerd als activiteiten met regionaal karakter en moeten dus voldoen aan de hoger vermelde norm van 105 dB(A), met uitzondering van de trainingen op donderdagen vóór weekends met internationale wedstrijden; dat dit ministerieel besluit door de Raad van State is geschorst; dat gelet op de discussies hierover een verduidelijking van de term 'wedstrijden met regionaal karakter' noodzakelijk werd geacht; dat door de gewijzigde voorwaarde, de exploitant verplicht is om voor alle A-activiteiten te vermelden in de activiteitenkalender onder welk van de 3 onderstaande types deze activiteit valt: • bovenregionaal: emissievrij; • regionaal: emissie maximum 105 dB(A); • deels regionaal: emissie maximum 105 dB(A) tijdens de regionale races; dat dit bijgevolg ook dient opgegeven te worden voor de donderdagen; dat de wekelijkse 'internationale trainingsdag' in de loop der jaren een begrip tot ver buiten de landsgrenzen werd; dat de donderdagen noodzakelijk zijn om testsessies voor de bewuste race af te handelen en dit een aantal weken tot maanden voor de race en zelfs meerdere keren tot men de juiste afstellingen gevonden heeft; dat de donderdagse trainingen noodzakelijk zijn als vast oefenterrein voor alle (inter) nationale teams, aangezien zij aantreden in series waarvoor geen of geen vergelijkbare geluidsbeperking van toepassing is; dat uit de inschrijvingslijst van deze internationale trainingsdagen op donderdag, waarin bepaald is wie over een VAS-licentie beschikt, blijkt dat 27 % van de piloten beantwoorden aan het begrip regionaal en 73 % bovenregionaal; dat deze inschrijvingslijsten steeds ter inzage dienen te liggen; dat bijgevolg uit de praktijk blijkt dat alle A-activiteiten, met inbegrip van test- en oefensessies, op donderdag het A-statuut zonder geluidsbeperking hebben, met uitzondering van de regionale autosportwedstrijden - en de bijbehorende kwalificaties - die op donderdag zullen worden georganiseerd; dat als milderende maatregelen (reeds vroeger opgelegd), enerzijds een beperking van de uren is opgelegd van 9 tot 12u en van 13 tot 17 u en, anderzijds, dat er de donderdag voor een A-weekend van drie dagen geen ingedeelde activiteit wordt toegelaten; dat deze voorwaarde bijgevolg voornamelijk meer duidelijkheid schept over het begrip bovenregionaal karakter en het voor de omwonenden ook duidelijker wordt op welke dag welke geluidsemissiegrenswaarden van toepassing zijn; dat door de invoering van deze nieuwe definitie 'het bovenregionaal karakter' beter controleerbaar is en voor alle partijen meer rechtszekerheid biedt; Overwegende dat met betrekking tot de volgende opgelegde milieuvergunningsvoorwaarde: VII-37.033-10/27 ' De VZW Terlamen zal ... uiterlijk twee volle maanden voorafgaand aan kwartaal 2 de activiteitenkalender van desbetreffend kwartaal per aangetekend schrijven ter goedkeuring voorleggen aan de leidinggevend ambtenaar van de buitendienst van de afdeling Milieuvergunningen te Hasselt...', het volgende kan worden gesteld: dat uit de georganiseerde activiteiten van het Circuit van Zolder blijkt dat deze duidelijk een internationaal karakter bezitten; dat voor de planning van deze activiteiten dan ook dient gekeken te worden naar de internationale autosportkalender; dat de laatste jaren gebleken is dat de internationale autosportkalender pas in januari wordt bekendgemaakt; dat het in die omstandigheden zeer moeilijk is om reeds in december een activiteitenkalender op te stellen; dat de omwonenden zowel via de website als via een bewonersbrief als een publicatie in een lokale krant in kennis worden gesteld van de activiteitenkalender; dat de gevraagde verkorting van de termijn voor het indienen van de activiteitenkalender voor het tweede kwartaal bijgevolg aanvaardbaar is omdat de omwonenden nog voldoende op voorhand in kennis worden gesteld van de activiteitenkalender; Overwegende dat met betrekking tot de volgende opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden: 'De activiteitenkalender vermeldt ook de dagen waarop geluidsinstallaties worden gebruikt voor muziek, randanimatie, ..., en desgevallend van de toelatingen die door het college van burgemeester en schepenen werden verleend in toepassing van artikel 6.7.3 van VLAREM II (afwijking op de normen van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen); na het bekomen van dergelijke toelatingen zal de exploitant tevens de afdeling Milieu-inspectie dienst Limburg (via e-mail) hiervan op de hoogte stellen', het volgende kan worden gesteld: dat alleen de laatste zin, zijnde 'na het bekomen van dergelijke toelatingen zal de exploitant tevens de afdeling Milieu-inspectie dienst Limburg (via e-mail) hiervan op de hoogte stellen' nu is toegevoegd; dat het inhoudelijk belangrijkste deel van deze voorwaarde reeds was opgelegd in het ministerieel besluit van 19 juli 2004 en niet het voorwerp uitmaakt van onderhavig dossier; dat bijgevolg door deze kleine wijziging de controle door afdeling Milieu- inspectie alleen maar kan verbeteren ten voordele van de omwonenden; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". 3. De ontvankelijkheid 3.1. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun vordering omdat het bestreden besluit niet griefhoudend zou zijn. In vergelijking met de basisvergunning van 7 januari 2000 zou er namelijk geen sprake zijn van een achteruitgang van het beschermingsniveau van de omwonenden van het circuit; de door de verzoekende partijen gelaakte wijzigingen van de exploitatievoorwaarden zouden enkel de "rechtszekerheid" bevorderen en louter verband houden met de "praktische organisatie" van de uitbating; het aantal VII-37.033-11/27 A-activiteiten en B-activiteiten zou immers ongewijzigd blijven en, aangezien het bestreden besluit geen toename van de geluidsproductie toestaat, zouden de verzoekende partijen geen enkel belang hebben bij hun vordering. 3.2. De tussenkomende partij vertrekt van de vooronderstelling dat het griefhoudend karakter van de bestreden beslissing beoordeeld moet worden in het licht van de exploitatievoorwaarden die opgelegd werden in de basisvergunning van 7 januari 2000. Dat uitgangspunt is verkeerd aangezien het bestreden besluit er in wezen toe strekt de gewijzigde exploitatievoorwaarden van het latere, inmiddels definitieve, besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004 ongedaan te maken. De verzoekende partijen zijn omwonenden van het betrokken autocircuit. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de door de omwonenden te verdragen geluidslast aanzienlijk toeneemt. Zoals de Raad van State reeds heeft aangegeven in het schorsingsarrest nr. 160.831 van 29 juni 2006 en het arrest ten gronde nr. 175.648 van 11 oktober 2007 worden de vrije trainingen op donderdag op grond van het besluit van 19 juli 2004 steeds gecatalogeerd als regionale activiteiten met een maximum toegelaten geluidsniveau van 105 dB(A) en heeft de opheffing van dat besluit tot gevolg dat de "door de omwonenden te verdragen geluidslast aanzienlijk toeneemt". Thans wordt hetzelfde effect bereikt door de wijziging van de betrokken vergunningsvoorwaarden, met toepassing van de procedure die voorzien is in artikel 45 van Vlarem I. Zoals bij het onderzoek van het enig middel nader wordt uitgelegd, keert het bestreden besluit het in het ministerieel besluit van 19 juli 2004 gehanteerde principe om, zodat de test- en oefenritten op donderdag in de regel niet langer onderworpen zijn aan een maximale geluidsnorm van 105 dB(A), waardoor ze onder zogenaamde "emissievrije" omstandigheden kunnen plaatsvinden. De omwonenden komen thans in een situatie die te vergelijken is met de toestand die het gevolg was van de uitdrukkelijke opheffing van het besluit van 19 juli 2004 bij besluit van 9 november 2005. De bestreden beslissing brengt de verzoekende partijen nadeel toe, zoals hierna overigens ook zal blijken. De exceptie gaat niet op. VII-37.033-12/27 VII-37.033-13/27 4. De schorsingsvoorwaarden 4.1. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.2.1. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van "artikel 1.2.1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : 'DABM') en van de daarin vervatte algemene beginselen inzake het milieubeleid in het bijzonder het standstill-beginsel en het voorzorgsbeginsel, evenals de schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, een schending die tevens een inbreuk vormt op artikel 23 van de Grondwet, evenals de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen" : "Doordat, de bestreden beslissing onder meer de voorwaarden die werden ingevoerd door het Ministerieel Besluit van 19 juli 2004 (het besluit Tavernier) ter beperking van geluidsemissie op A-activiteiten en in het bijzonder op de A-activiteiten die op donderdagen werden gehouden terug afschaft en vervangt door milieuvergunningsvoorwaarden die het de exploitant mogelijk maken om tijdens alle A-activiteiten onbeperkt lawaai te maken en dat de mogelijkheid om op elke donderdag activiteiten te organiseren met onbeperkte geluidsemissies strijdt met de basisdoelstellingen en de geest van de basismilieuvergunning van 7 januari 2000; dat de bestreden beslissing daarbij uitgaat van feitelijke gegevens en beweringen van de aanvrager zonder deze op hun juistheid of pertinentie te controleren; dat de bestreden beslissing het leefklimaat van de omwonenden aanzienlijk aantast en het beschermingsniveau afbouwt daarbij motieven aanhalend die hetzij niet dienend dan wel niet afdoende zijn noch motieven aanhaalt die duiden op een afweging van de verschillende belangen, waaronder in eerste instantie het belang van de bescherming van het leefmilieu en van het leefklimaat van de omwonenden, Terwijl, krachtens artikel 1.2.1, §1, 2/ DABM het milieubeleid onder meer tot doel heeft de bescherming tegen verontreiniging van mens en milieu en dat krachtens artikel 12.1, §2 DABM het milieubeleid dient te streven, op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten, naar een hoog beschermingsniveau, dat onder meer berust op het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt, En terwijl, een draagkrachtige en afdoende motivering inhoudt dat de motieven waarop de beslissing steunt, motieven zijn waarvan vast staat dat ze eigen zijn aan de administratieve overheid en het gevolg zijn van een eigen onderzoek zowel naar feiten als naar recht zodat blijk wordt gegeven dat de VII-37.033-14/27 overheid op basis van objectieve gegevens en met kennis van alle feitelijke gegevens tot haar beoordeling is gekomen; dat een beslissing (

  1. er)blijk moet (van) geven dat de argumentatie van de bezwaarindiener daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken is en dat uit de bestreden beslissing moet blijken waarom de in beroep verdedigde stellingen niet werden aangenomen, zeker als blijkt dat de bezwaren pertinent zijn en fundamenteel zijn bij de beoordeling van de aangevraagde wijziging van de milieuvergunningsvoorwaarden, Zodat de bestreden beslissing, door het bestaande beschermingsniveau dat werd gecreëerd achtereenvolgens door de basisvergunning van 7 januari 2000 en het besluit Tavernier van 19 juli 2004 terug volledig af te bouwen zonder enige afweging te maken tussen de verschillende maatschappelijke belangen en zonder dat daartoe dwingende redenen bestaan, minstens na te laten daartoe draagkrachtige en afdoende motieven aan te halen die dergelijke afbouw van het bestaande beschermingsniveau kunnen verantwoorden, en zonder te antwoorden op de fundamentele bezwaren ingediend in het kader van het administratief beroep zodat zelfs niet kan worden nagegaan of met deze bezwaren rekening werd gehouden, de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt". 4.2.2. De verwerende partij laat in haar nota gelden dat het standstill- beginsel een principe van algemeen milieubeleid is dat nadere uitwerking in direct afdwingbare normen behoeft, dat voormeld beginsel een ruime appreciatiebevoegdheid van de overheid niet in de weg staat, dat artikel 23 van de Grondwet geen directe werking heeft, dat uit de bestreden beslissing blijkt dat alle bij de zaak betrokken belangen tegen elkaar werden afgewogen, dat het bestreden besluit een motivering bevat waarin de argumenten van de beroepsindieners op een afdoende manier worden weerlegd, dat wat betreft de toegelaten activiteiten het maximaal aantal A-dagen niet toeneemt en een aantal milderende maatregelen worden opgelegd om de herindeling van een vroegere B-activiteit naar een A- activiteit te compenseren, dat het bestreden besluit duidelijkheid schept over het begrip "bovenregionaal" zodat het voor eenieder duidelijk is op welke dagen maximale emissies toegelaten zijn, dat de trainingsdagen op donderdag meer afgestemd worden op de daaropvolgende internationale wedstrijden, dat het feit dat de internationale wedstrijdkalender pas in de maand januari wordt bekendgemaakt noodzakelijkerwijze meebrengt dat de activiteitenkalender voor het eerste kwartaal pas twee maanden voordien kan worden ingediend en, ten slotte, dat het bestreden besluit voorziet in bijkomende controle waardoor het beschermingsniveau wordt verbeterd. 4.2.3. De tussenkomende partij beoogt met een omstandige uiteenzetting aan te tonen dat de bestreden beslissing het bestaande beschermingsniveau niet afbouwt, dat, ondergeschikt, deze beslissing afdoende motiveert waarom de afbouw VII-37.033-15/27 van het beschermingsniveau te dezen verantwoord is en dat de verwerende partij afdoende heeft geantwoord op de ingediende bezwaren. Zij stelt daarover, onder meer, het volgende: "(...) Verzoekende partijen houden voor - zonder zulks concreet aan te tonen - dat de bestreden beslissing een verzwaring met zich brengt van de geluidsoverlast die de omwonenden zullen dienen te dragen ten gevolge van de exploitatie van de omloop. Daarbij gaan zij ervan uit dat het concept van de regionale activiteiten wordt uitgehold. Het concept van de regionale activiteiten wordt evenwel niet uitgehold, maar ten behoeve van de rechtszekerheid gepreciseerd. Dit gebeurt om aansluiting te zoeken bij de basismilieuvergunning van 2000 waarvan elke partij toegeeft dat zij de resultante was van een moeizaam bereikt evenwicht, waarbij het aantal A-activiteiten sterk beperkt werd, maar waarbij anderzijds voldoende ruimte gelaten werd om een leefbare uitbating van Circuit Zolder mogelijk te maken. Deze vergunning verzoende aldus de belangen van de omwonenden door de beperking van het aantal A-activiteiten, de belangen van de exploitant door het garanderen van de leefbaarheid van de exploitatie en de belangen van de regio (aantrekkingskracht van de provincie, rechtstreekse [op het circuit] en onrechtstreekse [hotels, horeca,...] tewerkstelling,...). Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de doorgevoerde precisering de resultante is van enerzijds bepalingen uit de basismilieuvergunning en anderzijds de toepassing ervan op het terrein gedurende 4 jaar zonder klachten. Doordat minister Tavernier vier jaar later (duidelijk op eenzijdig verzoek van verzoekers), in extremis, op het einde van de regeerperiode en zonder tussenkomende partij te horen, een einde stelde aan dit moeizaam bereikte evenwicht, ontstond een situatie die voor één van de belanghebbende partijen, nl. de tussenkomende partij, bijzonder nadelig uitviel. Het evenwicht ging compleet verloren. Het aantal A-dagen wordt herleid naar ongeveer 113de. Om die reden werd een wijziging van de exploitatievoorwaarden gevraagd, niet om het leefmilieu en de leefkwaliteit te kunnen aantasten, maar wel om terug te kunnen keren naar het bereikte evenwicht van de vergunning van 2000. Verzoekers moeten, indien ze willen volhouden dat de basismilieuvergunning niet essentieel gewijzigd werd, toch eens op papier zetten voor de Raad van State hoe het dan mogelijk is 73,5 A-activiteiten te organiseren wanneer niet alle 'bruikbare' donderdagen als A-activiteit mogen worden ingevuld? Zij moeten dan eveneens eens uitleggen hoe dat geen essentiële wijziging is. In de vergunning wordt thans gepreciseerd wat onder 'regionaal' en 'bovenregionaal' begrepen dient te worden en zulks ten behoeve van de rechtszekerheid van beide partijen. Waar er voor het besluit van minister Tavernier nooit klachten geweest waren noch ten aanzien van de overheid, noch in het overlegcomité Terlamen, over de invulling van het begrip 'regionaal' en 'bovenregionaal', werden deze begrippen na het besluit van minister Tavernier aangegrepen om de leefbaarheid van Circuit Zolder en de exploitatiemogelijkheden nog verder aan te tasten dan reeds het geval was in het moeizaam bereikte compromis van 2000. Het is nogal logisch dat die begrippen thans gedefinieerd worden en dat hierbij aangesloten wordt bij de bedoelingen van het besluit van 2000 - dat door verzoekende partijen nooit werd aangevochten en bij de concrete invulling hiervan in de praktijk, zoals deze door Circuit Zolder steeds concreet werden toegepast, zowel vóór 2000 als sinds 2000, en waarover nooit discussie heeft bestaan tot aan het besluit gemorreld werd in 2004. De wijzigende minister hield in het besluit zelf voor VII-37.033-16/27 dat door dat (nieuwe) besluit aan het (bestaande) besluit 'in se niks fundamenteels (werd) gewijzigd aan de logica en de bijzondere voorwaarden'. (...) (...) Verzoekende partijen doen (bewust?) foutief uitschijnen dat hierdoor een bijkomende A-activiteit zou gecreëerd worden, hetgeen dan, volgens verzoekende partijen, bijkomende geluidshinder veroorzaakt. Dit is evenwel totaal onjuist. Het aantal A-activiteiten ligt immers in totaal vast en is bij ministerieel besluit van 7 januari 2000 beperkt tot 73,5 dagen (of 78,5 ingeval van toewijzing van een wereldkampioenechap). Met de bestreden beslissing blijft dit aantal in totaal ongewijzigd. Voor zover dit aantal - wat uiteindelijk een beperking was van de activiteiten van Circuit Zolder in een moeizaam bereikt evenwicht - gerespecteerd wordt, kan de invulling vrij bepaald worden binnen de omschreven modaliteiten. Er mag evenwel geen misverstand bestaan: er is geen sprake van een bijkomende A-activiteit, want dit aantal is beperkt in de basisvergunning en hieraan wordt geen wijziging gebracht. Er is dan ook geen sprake van een geluidstoename, wat de verzoekende partijen hierover ook durven insinueren. Ze verliezen uit het oog dat er een weekend van drie dagen minder is als compensatie. (...) Uit de rechtspraak blijkt bovendien dat van een inbreuk op het stand-still beginsel slechts sprake kan zijn indien de overheid haar bevoegdheid, in acht genomen de omstandigheden van plaats en tijdstip, kennelijk onredelijk zou uitoefenen. Dit is in casu niet het geval. Er is ter zake slechts een marginale controle mogelijk. Er is geen kennelijk onredelijke uitoefening van bevoegdheden aangetoond. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de rechtspraak van uw Raad welke stelt dat het opleggen van exploitatievoorwaarden de vergunde exploitatie niet dermate mag beperken dat ze economisch nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt, waardoor het vergunningsbesluit kan worden beschouwd als een verkapte weigering en daardoor in strijd komt met o.m. het redelijkheidsbeginsel. Hieruit blijkt dat de overheid bij het nemen van beslissingen wel degelijk rekening kan en zelfs moet houden met de economische leefbaarheid van het bedrijf. Dit belang dient te worden afgewogen tegen het belang dat de omwonenden hebben. Deze afweging is in casu niet gebeurd op een wijze die kennelijk onzorgvuldig of onredelijk is. Wel integendeel. (...) In de bestreden beslissing worden de verschillende bezwaren verwoord. De overheid heeft er dus alleszins kennis van genomen en ze bij de beoordeling betrokken. In de bestreden beslissing werd niet overgegaan tot het stelselmatig, punt per punt weerleggen van de geopperde bezwaren, Zulks is ook niet vereist. In vaste rechtspraak van zowel de Franstalige als Nederlandstalige kamers overwoog Uw Raad immers meermaals dat de motiveringsplicht niet wordt geschonden door het niet punt per punt bespreken van de tijdens het openbaar onderzoek aangehaalde bezwaren en argumenten. Het is bijgevolg voldoende indien de vergunningverlenende overheid een summiere, doch afdoende en pertinente motivering geeft waarom een bepaalde beslissing genomen werd. En dat is in casu het geval. Er wordt gemotiveerd waarom de beslissing is wat ze is. Weliswaar gebeurt ze niet punt per punt aan de hand van de ingediende bezwaren, doch zij gebeurt punt per punt aan de hand van de wijzigingen/verduidelijkingen die in de basisvergunning worden aangebracht. Telkens wordt geargumenteerd waarom zulks verantwoord is. (...) Praktisch gezien wordt aan de basismilieuvergunning van 2000 niet geraakt, zij het dat de discussie over de praktische implementatie hiervan gesloten wordt VII-37.033-17/27 door duidelijkheid te scheppen over het begrip bovenregionaal karakter waardoor het voor de omwonenden ook duidelijker wordt op welke dag welke geluidsemissiegrenswaarden van toepassing zijn en waardoor ook 'het bovenregionaal karakter' beter controleerbaar is en voor alle partijen meer rechtszekerheid biedt. Daarbij wordt inderdaad - en dit kan moeilijk aan de overheid verweten worden - rekening gehouden met de praktijk zoals zij o.a. blijkt uit de inschrijvingslijsten die ook steeds ter inzage dienen te liggen. Er wordt hierbij tevens uitgegaan van hetgeen reeds in de basisvergunning als uitgangspositie werd verwoord en waartegen geen enkel partij zich ooit verzet heeft, nl. dat slechts voor A-activiteiten met regionaal karakter een emissienorm LA, max, van 105 dB(A) kan gerespecteerd worden, vermits deze norm voor internationale wedstrijden niet haalbaar is; dat het dus aangewezen is een onderscheid te maken tussen A-activiteiten van regionaal en van internationaal karakter. Het is steeds en voor iedereen duidelijk geweest dat internationale wedstrijden en dus uiteraard ook de daaraan voorafgaandelijke trainingen niet aan de geluidsnorm van 105 dB(A) kunnen voldoen. Het is onmogelijk enerzijds internationale wedstrijden toe te laten waarbij geen geluidsnormen gelden, doch tezelfdertijd bepalen dat de trainingsdagen hiervoor per definitie en steeds regionaal zouden zijn en dus wél aan de geluidsnorm moeten voldoen. Dit laatste is nooit de bedoeling geweest van de initiële basismilieuvergunning en wie dit wél beweert heeft slechts één doel voor ogen en dit is de onleefbaarheid en dus de sluiting van het circuit. Daarbij kan dan opgemerkt worden dat het merkwaardig is dat slechts twee personen - want de meerderheid leeft in vrede met het circuit en met de aanpak en openheid van het huidige nieuwe bestuur - alles in het werk stellen om de exploitatie van het circuit onmogelijk te maken terwijl het toch wel duidelijk moet zijn dat zij zich relatief recent zijn komen vestigen nadat het circuit bestond en toen het met grotere hinder geëxploiteerd werd. Bovendien is dit een misprijzen voor alle inspanningen die Circuit Zolder sindsdien en niet in het minst bij de totstandkoming van de basismilieuvergunning heeft gedaan. In de belangenafweging van de overheid spelen ook andere dan louter particuliere belangen. Het belang van de omwonenden dient uiteraard een plaats te krijgen. Hetzelfde geldt evenwel ook voor de belangen van de exploitant en van de belangen van de hele gemeenschap (aantrekkelijkheid van de provincie, rechtstreekse en onrechtstreekse tewerkstelling op het circuit, resp. in hotels, horeca edm.). In dit kader is de beslissing gerechtvaardigd, niet kennelijk onredelijk en bovendien feitelijk en juridisch correct en afdoende gemotiveerd. (...) In de vergunning wordt ten aanzien van de basisvergunning de controle nog vergroot ten voordele van de omwonenden. Er is dan ook geen sprake van een achteruitgang van het beschermingsniveau, wel in tegendeel". 4.2.4. Bij een verzoek van de exploitant om de geldende vergunningsvoorwaarden te wijzigen moet de bevoegde overheid onderzoeken of de hinder die zou worden veroorzaakt door de wijziging van de vergunningsvoorwaarden binnen aanvaardbare perken blijft. De beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over dergelijk verzoek van de exploitant moet op dat punt ook afdoende gemotiveerd zijn. Een milieuhygiënische beoordeling van een vergunningsaanvraag impliceert dat de vergunningverlenende overheid, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak en de erbij betrokken uiteenlopende belangen, de hinder en de risico's voor de mens en het leefmilieu onderzoekt en dat VII-37.033-18/27 ze, rekening houdend met de precieze bevindingen van dat onderzoek, de passende eindconclusies trekt. Het bestreden besluit houdt wel degelijk een afbouw in van het beschermingsniveau van de omwonenden. Het heeft immers tot gevolg dat voor de activiteiten die de exploitant op donderdagen wenst te organiseren, geen geluidsnorm van toepassing is, terwijl de voorwaarden van het gewijzigde besluit van 19 juli 2004 er juist toe strekten om met betrekking tot alle activiteiten op donderdag, de trainingsritten voor een internationale wedstrijd uitgezonderd, een geluidsbegrenzing van 105 dB(A) voorop te stellen en zulks om de hinder voor de omwonenden binnen aanvaardbare perken te houden. De verwerende partij en de tussenkomende partij trachten tevergeefs de draagwijdte van de thans bestreden beslissing te minimaliseren door deze te vergelijken met de vergunningsvoorwaarden van het basisvergunningsbesluit van 7 januari 2000. De voorwaarden van het thans bestreden besluit zouden meer bepaald een terugkeer betekenen naar de "evenwichtige" regeling die opgenomen was in die vergunning. De vergunningsvoorwaarden van het besluit van 19 juli 2004 dienen nochtans wel degelijk als uitgangspunt om de gevolgen van het thans bestreden besluit te bepalen. De vergunningsvoorwaarden van de basisvergunning werden immers gewijzigd door het besluit van 19 juli 2004 en die wijziging heeft een definitief karakter verkregen. Via de nieuwe invulling van de begrippen regionale en bovenregionale wedstrijd wordt in het bestreden besluit de basis gelegd voor de toename van het aantal A-activiteiten zonder geluidsbeperking. In wezen wordt in het bestreden besluit slechts één motief opgegeven voor de nieuwe invulling van voormelde begrippen, met name de duidelijkheid en de rechtszekerheid, inzonderheid wanneer overwogen wordt dat "deze voorwaarde bijgevolg (...) meer duidelijkheid schept over het begrip bovenregionaal karakter en het voor de o mw o n e n d e n o o k d u i d e l i j k e r w o r d t o p w e l k e d a g w e l k e geluidsemissiegrenswaarden van toepassing zijn" en verder dat "door de invoering van deze nieuwe definitie 'het bovenregionaal karakter' beter controleerbaar is en voor alle partijen meer rechtszekerheid biedt". De beweerde onduidelijkheid van de te wijzigen vergunningsvoorwaarden en de nood aan rechtszekerheid zijn geen voldoende motief om de bestreden beslissing te schragen. Het bestreden besluit bevat immers VII-37.033-19/27 geen milieuhygiënisch motief en uit niets blijkt dat de toename van de hinder voor de omwonenden, waarop de nadruk werd gelegd in de diverse bezwaren en beroepschriften, bij de beoordeling van het verzoek tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden werd betrokken. Er is weliswaar bondig sprake van enkele "milderende maatregelen" - beperking van de exploitatieuren en een verbod om ingedeelde activiteiten te organiseren op een donderdag voorafgaand aan een A- weekend van drie dagen - maar die maatregelen waren reeds geïncorporeerd in de lopende vergunningsvoorwaarden. Het middel is ernstig. 4.3.1. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen: "De bestreden beslissing geeft aan de vzw Terlamen de mogelijkheid om meer activiteiten te organiseren met meer hinder, en houdt een aantal versoepelingen in die de belangen van de omwonenden terzijde schuiven in het voordeel van de vzw Terlamen. Bij verzoekschrift van 29 november 2004 en 9 januari 2006 dienden verzoekende partijen reeds een annulatieberoep en een schorsingsverzoek in tegen de ministeriële besluiten van 25 augustus 2004 en 9 november 2005 die beiden een gelijkaardige versoepeling van de milieuvergunningsvoorwaarden inhielden als thans het geval is ten gevolge van de bestreden beslissing. Toen werd reeds op de impact gewezen van het aan de exploitant vrij overlaten van de bepaling wanneer er al dan niet regionale (geluidsbeperkte) activiteiten kunnen plaatsvinden, omdat daarmee de exploitant terug naar zijn vroegere praktijk zal grijpen om zonder meer alle activiteiten op donderdagen als internationale A-activiteit te bestempelen. Heel eenvoudig gesteld, daar waar het besluit van 19 juli 2004 de geluidshinder beperkte op donderdagen tot 105 dB(A), en dit naar de geest van de basismilieuvergunning van 7 januari 2000, kan de exploitant thans ten gevolge van de bestreden beslissing, net zoals dat het geval was ten gevolge van het reeds vernietigde besluit van 25 augustus 2004 (het besluit Peeters I) en het geschorste ministerieel besluit van 9 januari 2006 (het besluit Peeters II) terug zelf zal kunnen bepalen wanneer er al dan niet geluidsbeperking geldt, hetgeen in de praktijk zonder twijfel zal leiden tot de algemene praktijk van het organiseren van A-activiteiten zonder geluidsbeperking op alle donderdagen, nu de voorwaarden om zonder geluidsbeperking te exploiteren zo soepel zijn dat daaraan steeds kan worden beantwoord. Bovendien wordt het aan de exploitant mogelijk gemaakt in de praktijk meer activiteiten te organiseren doordat activiteiten die voorheen niet werden gebruikt te vervangen door nieuwe, langere en meer luidruchtige activiteiten die een rationeler gebruik toe laten van de beschikbare activiteitendagen. Dat een toename van het aantal dagen met onbeperkt lawaai voor de omwonenden - waaronder tweede en derde verzoekende partij - als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden aangenomen, werd reeds door uw Raad in vorige gelijkaardige procedures van de omwonenden aanvaard: 'Overwegende wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij, die blijkens het door haar toegevoegde kadasterplan op ongeveer 200 meter van de omloop woont, erop wijst (samengevat) dat de in artikel VII-37.033-20/27 5.32.10.2, § 4 van Vlarem II vervatte regeling haar per 1 januari 1996 gedurende minstens twee weekeinden per maand enige verademing garandeerde van de hinder (lawaai, verkeerschaos, parkeerproblemen, zwerfvuil, ...) die de omloop in kwestie - welke 750.000 bezoekers per jaar aantrekt - met zich mee brengt, dat het thans bestreden besluit 'zonder meer een verdubbeling toelaat van de overlast ten aanzien van hetgeen reglementair gewaarborgd werd', terwijl 'het nalaat gelijkwaardige voorwaarden op te leggen die het nadeel van het verlies van het recht op rust en de beperkingen van milieuschade moeten compenseren' (R.v.St., Jacobs, nr. 62.894, 31 oktober 1996) 'dat daarenboven, de zware hinder die verzoeker reeds ten gevolge van de reglementaire afwijking moet gedogen tot gevolg heeft dat elke bijkomende hinder als des te erger kan worden ervaren; dat verzoeker voldoende aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen' (R.v.St., Jacobs, nr. 65.694, 27 maart 1997) en 'dat ten opzichte van de bestaande regeling kan worden aangenomen dat door de verbreking van het weekendevenwicht de hinder voor de omwonenden substantieel zal toenemen; dat daarbij niet kan voorbijgegaan aan de vaststelling dat de betrokken omloop die in de onmiddellijke omgeving van verzoekers woonplaats is gelegen, reeds geniet van een afwijking op de principiële verbodsbepalingen van artikel 5.32.10.2, §1 van Vlarem II die voorschrijven dat de exploitatie van een omloop die niet voldoet aan de in dat artikel opgesomde afstandsregels niet mag worden geëxploiteerd; dat aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan'. (R.v.St., Jacobs, nr. 80.018, 29 april 1999) Ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal er voortaan geen enkele rem meer staan op het organiseren van A-activiteiten zonder enige geluidsbeperking. De uitholling door de exploitant van het evenwicht dat destijds moeizaam tot stand was gekomen in het kader van de basismilieuvergunning, wordt thans door de bestreden beslissing gelegitimeerd, waardoor de omwonenden, waaronder verzoekende partijen, te maken zullen krijgen met een aanzienlijke vermindering van de kwaliteit van de leefomgeving in vergelijking met hetgeen zij konden verhopen op het ogenblik van het verlenen van de initiële basismilieuvergunning van 7 januari 2000, en ten opzichte van hetgeen hen werd gegarandeerd ten gevolge van het definitief worden van het besluit Tavernier van 19 juli 2004. De noodzakelijke bescherming voor de omwonenden en het leefmilieu, zoals die gecreëerd is geweest ten gevolge van het besluit Tavernier van 19 juli 2004, en waartegen door de exploitant nooit tijdig een annulatieberoep werd ingesteld, wordt thans door de bestreden beslissing terug te niet gedaan. Daar waar het besluit van 19 juli 2004 ervoor zorgde dat de hinder in de geest van de milieuvergunning van 2000 verder zou worden teruggedrongen, zal tengevolge van de bestreden beslissing de geluidsoverlast aanzienlijk toenemen. Meer zelfs, de bestreden beslissing houdt een aanzienlijke achteruitgang in van het beschermingsniveau vastgelegd in de basismilieuvergunning van 2000". 4.3.2. In haar nota laat de verwerende partij gelden dat de verzoekende partijen geen "redelijk aanneembaar" nadeel lijden vermits de bestreden beslissing geen "fundamentele versoepeling" in de exploitatievoorwaarden aanbrengt waardoor de geluidshinder zou toenemen, dat het maximaal aantal dagen met toegelaten B- VII-37.033-21/27 activiteiten ongewijzigd blijft op 96, dat de doorgevoerde wijzigingen van de voorwaarden gepaard gaan met "beperkingen en milderende maatregelen", dat de toestand die door het bestreden besluit in het leven wordt geroepen vergeleken moet worden met deze van de basisvergunning van 7 januari 2000 die niet in rechte werd betwist, dat het thans slechts gaat om "geringe veranderingen" die geen enkele invloed hebben op de globale leefsituatie van de omwonenden, dat de verzoekende partijen niet aangeven hoeveel decibels in hun woning wordt waargenomen, dat eventuele geluidshinder hoe dan ook getemperd wordt door tussenliggende gebouwen, groenschermen en geluidsbeperkende maatregelen, dat niet wordt aangetoond dat het nadeel zijn rechtstreekse oorzaak vindt in de gewijzigde exploitatievoorwaarden, dat de betrokken omloop er eerst was en dat de verzoekende partijen zich er pas nadien zijn komen vestigen, en ten slotte, dat de bewering dat de exploitant de opgelegde voorwaarden niet zou respecteren, louter hypothetisch is en deze kwestie slechts de handhaving aanbelangt. 4.3.3. De tussenkomende partij stelt daar het volgende tegenover: "Verzoekende partijen houden voor - zonder dit evenwel te bewijzen of minstens aannemelijk te maken - dat de tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou veroorzaken. Verzoekende partijen voeren aan dat ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, er voortaan geen enkele rem meer staa(
  2. t)op het organiseren van A- activiteiten zonder enige geluidsbeperking. Verzoekende partijen spreken over een uitholling door de exploitant van het evenwicht dat destijds moeizaam tot stand was gekomen in het kader van de basismilieuvergunning (noot: vergunning van 2000). Volgens verzoekende partijen houdt de bestreden beslissing een aanzienlijke achteruitgang in van het beschermingsniveau vastgelegd in de basismilieuvergunning van 2000. Deze argumentatie is totaal onjuist. Het is wel juist te stellen, zoals verzoekende partijen doen, dat met de basismilieuvergunning van 2000 destijds een moeizaam evenwicht is tot stand gekomen. Zowel tussenkomende partij als verzoekende partijen zijn het er blijkbaar over eens dat in de basismilieuvergunning de belangen van beide partijen op een evenwichtige wijze werden gewaarborgd. Welnu, het is niet correct te stellen dat aan dit evenwicht geraakt wordt door de thans bestreden beslissing. Nadat minister Tavernier op het einde van de legislatuur in extremis en zonder tussenkomende partij te horen (maar vermoedelijk op aansturen van verzoekende partijen), morrelde aan het - inderdaad - moeizaam bereikte evenwicht, drong zich een correctie hiervan op om terug te keren naar het bereikte evenwicht. De bestreden beslissing kan allerminst aanzien worden als een verslechtering van de toestand van het leefmilieu en/of het woonklimaat van de verzoekende partijen. Er wordt aansluiting gezocht bij de oorspronkelijke basisvergunning. Daarbij worden een aantal zaken verduidelijkt. Er wordt hoogstens een kleine wijziging aangebracht om redenen die te maken hebben met de praktische organisatie van Circuit Zolder. Ze hebben geen invloed op de globale toestand van het leefmilieu of het leefklimaat van de omwonenden, laat staan dat zulks al voldoende zou zijn om over een 'ernstig' nadeel te spreken. VII-37.033-22/27 Het nadeel en zeker het ernstig karakter, wordt reeds gerelativeerd nu slechts twee personen beweren hinder te zullen ondervinden. De meerderheid leeft in vrede met het circuit en met de aanpak en openheid van het huidige nieuwe bestuur. Er was een grote consensus over het feit dat met de basismilieuvergunning van 2000 een evenwicht gevonden werd tussen alle belanghebbende partijen. Die vergunning werd om die reden door geen enkele partij aangevochten. Het is niet ernstig dat twee (van honderden buren van het circuit) beweren dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou veroorzaken. Ten opzichte van de niet gecontesteerde basisvergunning houdt de thans bestreden beslissing op geen enkele wijze een achteruitgang in. Het totaal aantal toegelaten A-activiteiten wordt van 73,5 dagen (of 78,5 ingeval van toewijzing van een WK) verminderd naar 72,5 (of 77,5 in geval van WK). In de huidige regeling zal er 1 dag minder - zonder geluidsbeperking georganiseerd kunnen worden. Ook het totaal aantal B-dagen wordt niet gewijzigd en blijft behouden op maximaal 96. Er kan geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden voorgehouden. Verzoekende partijen maken abstractie van het feit dat Circuit Zolder reeds bestond en geëxploiteerd werd op het moment dat zij zich hierrond zijn komen vestigen en het al bestaat van in de jaren '50 en er toen veel meer geluidshinder was dan nu. Sindsdien is de geluidsdruk en het aantal toegelaten activiteiten alleen maar gedaald. De huidige vordering houdt een misprijzen in voor de inspanningen die het nieuwe bestuur al die tijd heeft gedaan, niet in het minst bij de totstandkoming van de basismilieuvergunning. Aangezien deze basisvergunning niet gecontesteerd werd, aangezien deze vergunning als de resultante van een moeizaam bereikt evenwicht wordt aanzien en aangezien er ten opzichte van deze vergunning geen wijziging is in het maximaal aantal toegelaten activiteitsdagen (A of B), kan er geen sprake zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekers tonen in redelijkheid niet de ernst aan. De afwezigheid van alle andere buren van het circuit spreken die ernst tegen. Het feit dat ze hier kwamen wonen toen er nog veel meer hinder was, is een ander element van het gebrek aan ernst van het ingeroepen nadeel". 4.3.4. In het arrest nr. 160.831 van 29 juni 2006 wordt overwogen dat de toen aangevochten wijziging van de exploitatievoorwaarden, die de exploitant toeliet op alle donderdagen als internationaal gekwalificeerde activiteiten te organiseren waarvoor geen geluidsbeperking geldt, "tot gevolg heeft dat de door de omwonenden te verdragen geluidslast dermate toeneemt dat hun woon- en leefklimaat in ernstige mate wordt aangetast". De Raad van State kwam dan ook tot de conclusie dat er sprake was van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van het destijds bestreden besluit kon verantwoorden. Zoals uit de bespreking van het enig middel blijkt, heeft het thans bestreden besluit hetzelfde gevolg. Op nagenoeg alle donderdagen zullen A-activiteiten zonder geluidsbeperking plaatsvinden, terwijl zogenaamde "vrije trainingen" op donderdag door de vroegere vergunningsvoorwaarden, opgelegd door het ministerieel besluit van 19 juli 2004, gekwalificeerd werden als regionale VII-37.033-23/27 activiteiten met een maximaal geluidsniveau van 105 dB(A). Het gestelde van het arrest nr. 160.831 van 29 juni 2006 geldt derhalve onverkort in de huidige zaak. Aan de grondvoorwaarde inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is eveneens voldaan. 4.4.1. De tussenkomende partij dringt "in het licht van de blijkbare marginaliteit van verzoekers in hun omgeving, en in het licht van het economisch belang van de activiteit in de Limburgse regio", aan op een belangenafweging. Zij staaft dit verzoek als volgt : "Schorsing is geen recht, zelfs al is voldaan aan de schorsingsvoorwaarden. Het MTHEN van de onmiddellijke tenuitvoerlegging moet worden vergeleken met de gevolgen van de schorsing, die misschien nog erger zijn. Er kunnen redenen van algemeen belang zijn die de schorsing in de weg staan. In zoverre aan de basisvoorwaarden tot schorsing zou zijn voldaan, kan alleszins voldaan worden aan de voorwaarden tot belangenafweging, zoals uiteengezet door LANCKSWEERDT. Er kan niet worden betwist dat 'Circuit Zolder' een laboratorium is voor geluidsbeheersing. Veel van de nieuwigheden die op dat vlak in auto's hun intrede hebben gedaan, zijn hier op het spoor gekomen en zijn hier uitgetest. Ze zijn bijgesteld en uiteindelijk gemeengoed geworden. Voor de maatschappij is wat hier wordt onderzocht en gemeten, van essentieel belang. In de wereld van auto's en uiteraard van autorace is 'Zolder' een internationaal begrip dat gelinkt is aan geluidsbeheersing. Dat neemt niet weg dat ook een gouden kalf kan geslacht worden. Er kan niet betwist worden dat verzoekende partij tot tussenkomst minstens een even wettig belang heeft als verzoekers. De wettigheid van deze belangen is gelegen in de niet aangevochten vergunning van 7 januari 2000. Ze zijn terug te vinden in het maatschappelijk doel van de vereniging. Ze liggen in de tewerkstelling die ze genereert in een provincie waar daaraan grote nood is. Ze liggen in haar bijdrage tot het onderzoek omtrent geluid en de beheersingstechnieken ervan. Als belangrijk bedrijf sluit verzoekende partij tot tussenkomst jaarlijks honderden contracten om haar activiteit aldus ten uitvoer te kunnen leggen. Er zijn nog honderden contracten die lopen en die zouden moeten worden stopgezet als een vernietiging de exploitatie niet langer rendabel maakt. Verzoekende partij voert dit reeds lang aan. Er is een point of no return dat bereikt wordt. Wat verzoekers nastreven is de Achillespees van het Circuit te treffen: nl. de trainingsdagen op donderdag. Als niet langer kan getraind worden om het geluid precies af te stellen, zullen de racers het circuit duidelijk links laten liggen. Het wordt een te groot risico eraan deel te nemen. De neerdalende curve is dan meteen en onherroepelijk ingezet. Hun handelen t.a.v. het circuit heeft perverse, onomkeerbare, vernietigende effecten. Is het overdreven te stellen dat er onevenredig zware gevolgen aan een schorsingsmaatregel zouden verbonden zijn: twee verzoekers t.o.v. tienduizenden recreanten, t.o.v. van honderden rechtstreekse en onrechtstreekse werkplaatsen, t.a.v. één der weinige succesverhalen van Limburg, t.o.v. al wie zich vol overgave en met alle positieve energie inzetten voor de inrichting en de omgeving ervan ... In artikel 17, §1 en §2, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State wordt een mogelijkheid voorzien voor uw Raad om tot schorsing over te gaan. Uw raad kan doch moet niet tot schorsing VII-37.033-24/27 overgaan. Uw Raad kan, zelfs indien alle voorwaarden tot schorsing vervuld zijn, quod certe non, gebruik maken om, na belangenafweging, niet tot schorsing over te gaan. In de belangenafweging van de overheid spelen ook andere dan louter particuliere belangen. Het belang van de omwonenden dient uiteraard een plaats te krijgen. Hetzelfde geldt evenwel ook voor de belangen van de exploitant, maar ook voor de belangen van de hele gemeenschap (aantrekkelijkheid van de provincie, rechtstreekse en onrechtstreekse tewerkstelling op het circuit, resp. in hotels, horeca edm.). Een schorsing van de bestreden beslissing heeft niet enkel desastreuze gevolgen voor de leefbaarheid van Circuit Zolder (hoe kunnen er immers internationale wedstrijden plaatsvinden als niet tevens internationale trainingen zonder geluidsbeperking kunnen plaatsvinden op de donderdagen, zoals voorzien in de basisvergunning?). Zij heeft ook enorme gevolgen voor de ruimere gemeenschap: de tewerkstelling binnen het circuit komt in het gedrang, maar tevens de onrechtstreekse tewerkstelling van horeca, restaurants, hotels, welke afhangen van de uitbating en levensvatbaarheid van het circuit. In de regio, de provincie Limburg welke niet overbedeeld is met beschikbare jobs, zou dit een drama betekenen. De schade welke een schorsing zou veroorzaken is veel groter dan het voordeel dat verzoekende partijen kunnen halen uit een schorsing, zeker gezien het feit dat er ten aanzien van de niet gecontesteerde basisvergunning, welke als een evenwichtige situatie werd erkend, geen verzwaring van de geluidstoestand kan en zal zijn". 4.4.2. De verwerende partij steunt dat verzoek wanneer zij stelt dat de belangen van slechts twee omwonenden afgewogen moeten worden tegen deze van de "uitbater, van de recreatie van duizenden mensen en van de economische impact van het circuit op de hele regio". 4.4.3. De Raad van State heeft in zijn arrest nr. 160.831 van 29 juni 2006 een verzoek tot belangenafweging, uitgaande van de tussenkomende partij, verworpen omdat "niet concreet wordt aangetoond dat de sluiting van de inrichting dreigt ten gevolge van het moeten respecteren van een geluidsnorm van 105 dB(A) op donderdagen, gedurende de beperkte termijn voor het vellen van een arrest over het bodemgeschil nadat de schorsing is bevolen". Thans vertrekt de tussenkomende partij opnieuw van dezelfde, niet met concrete gegevens gestaafde, laat staan bewezen, premisse dat het organiseren op donderdagen van wedstrijden, test- en oefenritten zonder geluidsbeperking cruciaal is voor het voortbestaan van het circuit. Zij toont echter niet aan dat zij in haar bestaan is bedreigd geworden naar aanleiding van het reeds eerder uitgesproken schorsingsarrest. Er wordt evenmin aangetoond dat zulks actueel wel het geval zou zijn. Op het verzoek tot belangenafweging kan bijgevolg niet worden ingegaan, VII-37.033-25/27 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de v.z.w. TERLAMEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 juni 2007 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 9 november 2006, houdende wijziging, op verzoek van de v.z.w. TERLAMEN, van de vergunningsvoorwaarden voor de exploitatie van een omloop voor motorvoertuigen, gelegen Terlaemen 30 te Heusden-Zolder, ongegrond worden verklaard, en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-37.033-26/27 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig februari tweeduizend en acht, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-37.033-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.957 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.922 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.