← België

Arrest 180009 - Commissie voor bank- financie- en verzekeringswezen - 22/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.009 Rolnummer: A. 186946/IX-5832 Zaak: Arrest 180009 - Commissie voor bank- financie- en verzekeringswezen - 22/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-02-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:40 Fiche Arrest nr 180.009 van 22 februari 2008 Economische zaken - Commissie voor bank- financie- en verzekeringswezen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.009 van 22 februari 2008 in de zaak A. 186.946/IX-

  1. In zake : de NV PATRONALE HYPOTHEEKMAATSCHAPPIJ, die woonplaats kiest bij advocaat H. DE LOOSE, kantoor houdende te St-KRUIS-BRUGGE, Puienbroeklaan 33 tegen : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en A. WIRTGEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
  2. tussenkomende partijen :
  3. Werner VAN WALLE,
  4. Filip MOEYKENS, die woonplaats kiezen bij advocaat H. DE LOOSE, kantoor houdende te St.-KRUIS-BRUGGE, Puienbroeklaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV PATRONALE HYPOTHEEKMAATSCHAPPIJ op 6 februari 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 21 december 2007, van het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, waarbij haar aanvraag tot het bekomen van een bedrijfsvergunning als kredietinstelling wordt afgewezen en van de beslissing van 29 januari 2008 van het directiecomité van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, waarbij haar verzoek tot herziening van voornoemde beslissing wordt verworpen; Gezien uit het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift tot “schorsing wegens dringende noodzakelijkheid en onherstelbare schade”, blijkt dat de verzoekster tevens het volgende vordert : IX-5832-1/6 “Te zeggen voor recht dat de uitvoering van het KB van 20 maart 2007 geschorst wordt zodat de Patronale gerechtigd is haar activiteiten als kapitalisatieonderneming verder te zetten in afwachting van een definitieve beslissing. Rechtdoende op de vordering tot nietigverklaring en de incidentele vordering, akte te nemen van de incidentele vordering tot vaststelling van nietigheid van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 en de niet tegenstelbaarheid van het KB aan verzoekster. Te zeggen voor recht dat het koninklijk besluit van 20 maart 2007 nietig is en dienvolgens niet tegenstelbaar aan verzoekster. Dienvolgens vast te stellen dat de Patronale Hypotheek Maatschappij nog steeds haar activiteiten kan uitvoeren als kapitalisatieonderneming. Te zeggen voor recht dat de beslissing van de CBFA van 21 december 2007 en 29 januari 2008 nietig zijn en als onbestaande dienen beschouwd te worden. Recht doende over de grond van de zaak te zeggen voor recht dat de Patronale Hypotheek Maatschappij gerechtigd is als financiële instelling te werken. Te zeggen voor recht dat er geen beroepsverbod kan worden ingeroepen door de CBFA tegen de personen Moeykens Filip, Werner Van Walle, Walter De Brouwer, en de beslissing van de CBFA ter zake teniet te doen, Te zeggen voor recht dat er geen enkele reden is waarom Filip Moeykens en Etienne Nevens als effectieve leiders niet worden aanvaard, en de beslissing van de CBFA ter zake teniet te doen, Te zeggen voor recht dat de Heer Van den Broek als effectieve leider aanvaardbaar is. Voor zover deze maatregelen zouden worden behouden, Te zeggen voor recht dat de erkenning als kredietinstelling kan gebeuren, mits als voorwaarde op te leggen dat binnen de zes maanden effectieve bestuurders worden aangesteld welke wel voldoen aan de wettelijke voorwaarden, Te zeggen voor recht dat verzoekster beschikt over een periode van drie jaar om een procedureboek uit te werken, meer bepaald wat betreft, - controle der makelaars, - risicoanalyse van de compliancedomeinen, - het werkprogramma uit te bouwen Te zeggen voor recht dat Fork Capital niet als een financiële holding wordt beschouwd, Voor zover dit wel het geval zou zijn deze toe te laten de nodige hervormingen in te voeren binnen het jaar na het tussen te komen arrest om te voldoen aan de voorwaarden van financiële holding. Akte verlenen aan verzoekster van het feit dat zij bereid is alle bijkomende voorwaarden welke nog kunnen worden gesteld te voldoen, met inbegrip het eventueel ontslag van personen tegen wie een beroepsverbod zou gelden en het creëren van bijkomende functies die noodzakelijk zijn om als een krediet- instelling te worden aanvaard. (...).” Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2008, om 10.30 uur; IX-5832-2/6 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE LOOSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en de tussenkomende partijen, en van advocaten D. LINDEMANS en A. WIRTGEN, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Met verzoekschriften van 8 februari 2008 vragen Werner VAN WALLE en Filip MOEYKENS om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om de verzoeken in te willigen.
  6. Over de opgeworpen excepties. 1.
  7. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State moet de ontvankelijkheid van het beroep in het kader van een procedure in kort geding slechts worden onderzocht indien is voldaan aan de voorwaarden om tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen te kunnen overgaan. Dit is in casu niet het geval, wat blijkt uit wat volgt. 1.
  8. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. IX-5832-3/6
  9. Over de uiterst dringende noodzakelijkheid. 2.
  10. De verzoekster zet in verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid, door haar “dringende noodzakelijkheid” genoemd het volgende uiteen : “Verzoekster verliest ten gevolge van deze beslissing de mogelijkheid zich tot de kapitaalmarkt te wenden, vermits zij vanaf 31 december 2007 geen kapitalisatiebons mag uitgeven en bij gebrek aan erkenning als financiële instelling ook geen andere spaarproducten mag op de markt brengen. Hetgeen meebrengt dat zij beperkt wordt in de mogelijkheden van het toekennen van hypotheken zijnde haar kerntaak. Nochtans is het wegvallen van het statuut van kapitalisatieonderneming door de Wet opgelegd en voorzag deze wetgeving een vrije keuze van de kapitalisatieondernemingen om hetzij een verzekeringsinstelling hetzij een financiële instelling te worden. Tevens voorzag het artikel 27bis een overgangsmaatregel. Deze ontbreken totaal voor de financiële instelling.” 2.
  11. De dringende noodzakelijkheid wordt door de verzoekster niet onderbouwd en niet bewezen. Zij stelt enkel dat de bestreden beslissingen haar beperken in de mogelijkheden “van het toekennen van hypotheken, zijnde haar kerntaak”. 2.
  12. Met de verwerende partij wordt aangenomen dat “een dergelijke summiere beschrijving helemaal geen verantwoording is voor de toepassing van de uitzonderlijke procedure die de procedure bij uiterst dringende noodzaak is”. De verwerende partij voegt daar terecht aan toe dat “deze beschouwing (...) dermate nietszeggend is dat zij zelfs louter formeel niet kan worden beschouwd als het aanvoeren van een verantwoording van de uiterst dringende noodzaak. Die verantwoording van de uiterst dringende noodzaak moet nochtans op straffe van onontvankelijkheid van het verzoek bij uiterst dringende noodzaak in het verzoekschrift zijn opgenomen”. 2.
  13. Het staat vast dat de verzoekster niet aantoont aan de hand van precieze en concrete feiten die in de vordering dienen te worden uiteengezet, dat de zaak zozeer spoedeisend is, dat zelfs een gewone schorsing niet dienstig is. Bovendien mist de uiterst summiere verantwoording van de verzoekster betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid op het eerste gezicht feitelijke grondslag. Uit de nota van de verwerende partij en uit de debatten is immers gebleken dat de financiering van de hypotheekverrichtingen van de verzoekster niet noodzakelijk IX-5832-4/6 moet gebeuren met kapitalisatieverrichtingen. Dit betekent concreet dat ook het eigen vermogen van verzoekster of interbancaire kredieten als financieringsbron kunnen worden aangewend, naast de publieke uitgifte van obligatieleningen. De verwerende partij voegt daar op goede gronden aan toe dat “dit het in elk geval voor de verzoekende partij moet mogelijk maken om zonder al te grote problemen het resultaat van de behandeling van het beroep tot nietigverklaring af te wachten”. Wat voorafgaat klemt des te meer, nu huidige procedure valt onder de toepassing van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Bijgevolg is de ingestelde vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. De verzoeken tot tussenkomst van Werner VAN WALLE en Filip MOEYKENS in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingewilligd. Artikel
  15. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. IX-5832-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 februari 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-5832-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.009 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.