id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.043 Rolnummer: Zaak: Arrest 180043 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 25/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:40 Fiche Arrest nr 180.043 van 25 februari 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.043 van 25 februari 2008 in de zaak A. 118.134/IX-3264 118.208/IX-3269. In zake : I. de Christelijke Centrale voor de Openbare Diensten, thans het ACV OPENBARE DIENSTEN, gevestigd te BRUSSEL, Helihavenlaan 21 II. Patrick DE BRUYN, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te GENT, Mazestraat 16. tegen : I. + II. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Christelijke Centrale voor de Openbare Diensten (de CCOD) op 14 maart 2002 heeft ingediend om de nietigver- klaring te vorderen van de artikelen IV.20, IV.23, VI.9, XI.13, XI.27, XII.14, XII.16 en XII.18 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (de zaak A.118.134/IX- 3264); Gezien het verzoekschrift dat Patrick DE BRUYN op 16 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de “impliciete weigeringsbeslissingen (...) zoals blijkt uit artikel XII.18 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten” en met name : IX-3264-1/23 - “de weigering om de tekst van artikel XII.18 van het ontwerp van ministerieel besluit uit te vaardigen zoals deze is weergegeven als bijlage van het op 3 mei 2001 ondertekende protocol van akkoord ter afsluiting van de op 30 maart 2001 door de representatieve vakorganisaties en de overheidsdelegatie in het onderhandelingscomité voor de politiediensten beëindigde onderhandelingen”, en - “de weigering om - ten aanzien van de personeelsleden van de territoriale brigades van de federale politie die op 1 april 2001 in een pilootpolitiezone deel uitmaakten van een in het raam van die zone opgerichte gemene onderzoeks- of opsporingsdienst - een besluit uit te vaardigen volgens hetwelk die personeelsle- den in de periode vanaf 1 april 2001 tot aan de oprichting van de lokale politie de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten genieten onder dezelfde voorwaar- den als de personeelsleden bedoeld in artikel XI, 13, 5/, van het ministerieel besluit van 28 december 2001 (de zaak A.118.208/IX-3269);” Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 6 maart 2006 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van dezelfde datum die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de tweede verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-3264-2/23 Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.1. In het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2001 wordt het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) bekendgemaakt. 1.2. In het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2002 wordt het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het UBPol) bekendgemaakt. De eerste verzoekende partij vordert de nietigverklaring van de artikelen IV.20, 2/, IV.23, VI.9, XI.13, XI.27, 2/ en 4/, XII.14, XII.16 en XII.18 van dit besluit. De tweede verzoekende partij vordert de nietigverklaring van twee weigeringsbeslissingen die volgens haar impliciet vervat liggen in artikel XII.18 van dit besluit. De procedure 2. Verzoeker in de zaak A. 118.208/IX-3269 verzet zich in zijn laatste memorie tegen het standpunt van de auditeur-verslaggever om dat annulatie- beroep te behandelen samen met en als een aanhangsel bij het beroep in de zaak A. 118.134/IX-3264. Inzonderheid betwist hij het besluit van de auditeur om de annulatiemiddelen die hij aanvoert niet te onderzoeken omdat artikel XII.18 UBPol, waarin hij twee impliciete beslissingen onderkent, op grond van de middelen die in de zaak A. 118.134/IX-3264 worden aangevoerd toch vernietigd moet worden en er wegens de verdwijning uit het rechtsverkeer van die expliciete bepaling ook geen sprake meer kan zijn van beslissingen die daarin besloten zijn. IX-3264-3/23 3. Het is de taak van de auditeur-verslaggever de zaken te onderzoeken en een conclusie te formuleren over de uitkomst van de vordering. Niets belet hem zijn onderzoek te beperken tot de rechtsvragen die de oplossing van het geschil mogelijk maken en in functie daarvan zaken samen te behandelen of de ene vóór de andere te behandelen. De Raad van State kan, in geval hij de conclusie van de auditeur niet bijvalt, de voortzetting van het onderzoek bevelen. Dat de twee zaken wegens hun nauwe samenhang reeds bij beschikking samengevoegd zijn, beperkt de rechten van de verzoeker niet. I. De zaak A. 118.134/IX-3264 De ontvankelijkheid 4. De verwerende partij voert in een eerste exceptie aan dat het belang van de verzoekende partijen teloorgegaan is, aangezien op 15 maart 2002 een technische syndicale vergadering plaatsgevonden heeft waarop de aanpassing van het bestreden besluit besproken is. 5. Artikel 3, 1/, a), van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (hierna: de wet van 24 maart 1999) bepaalt dat de beslissingen in de daar opgesomde materies vooraf het voorwerp moeten uitmaken van onderhande- lingen met de vakbonden. De zogenaamde bespreking waarnaar de verwerende partij verwijst vond plaats toen het bestreden besluit reeds ondertekend was. Daarom alleen reeds moet de exceptie verworpen worden. 6. In een tweede exceptie stelt de verwerende partij dat de twee aangevoerde middelen niet ontvankelijk zijn aangezien zij steunen op de wijziging van het protocol nadat de onderhandelingen gehouden werden, terwijl een protocol slechts een moreel engagement van de overheid inhoudt en er bij de vaststelling van de definitieve tekst nog andere actoren betrokken zijn, zoals de Raad van State, de inspecteur van Financiën en andere adviesorganen. 7. De twee middelen steunen niet op het gegeven dat de tekst waarover een protocol van syndicale raadpleging ondertekend is, niet meer door het bestuur gewijzigd kan worden. Er wordt wel aangevoerd dat de verwerende partij, nadat de onderhandelingen met de vakbonden waren afgesloten, nog wijzigingen in IX-3264-4/23 de tekst aangebracht heeft zonder daarover opnieuw met de vakbonden te onderhandelen. De exceptie mist feitelijke grondslag. De grond van de zaak 8. In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 3 van de wet van 24 maart 1999, dat de bevoegde overheden verplicht om, behoudens spoedgevallen of in gevallen die de Koning bepaalt, de grondregelen met betrekking tot het administratief statuut te onderhandelen met de vakorganisaties. In dit geval was er geen sprake van een spoedgeval of van een door de Koning bepaald uitzonderingsgeval en kan ook niet betwist worden dat het bestreden ministerieel besluit vooraf met de vakverenigingen van het personeel besproken moest worden. Het bestreden ministerieel besluit verwijst naar protocollen van besprekingen met de vakbonden, maar de uiteindelijk aangenomen tekst bevat wezenlijke afwijkingen van de tekst die met de vakbonden besproken werd. Het wijzigen van een tekst na onderhandelingen staat gelijk met gebrek aan onderhande- lingen en daarmee heeft de verwerende partij een substantieel vormvoorschrift miskend. In het tweede middel wijst verzoekster aan, specifiek ten aanzien van elk der bestreden bepalingen van het UBPol, welke wijziging de verwerende partij, na afloop van de syndicale raadpleging, nog aan de tekst gebracht heeft. 9. De verwerende partij antwoordt dat de wijzigingen die na de onderhandelingen nog werden aangebracht het gevolg zijn van opmerkingen van de Raad van State en van de inspecteur van Financiën, terwijl voor het overige louter technische aanpassingen zijn gebeurd die neerkomen op rechtzettingen van materiële vergissingen of verduidelijkingen die nog konden gemaakt worden. Verzoekster heeft kennis gekregen van deze aanpassingen op de syndicale vergadering van 15 maart 2002 waar haar secretarissen aanwezig waren. De verwerende partij antwoordt vervolgens op de punctuele bemerkingen die verzoekster in haar tweede middel uiteenzet. 10. Verzoekster repliceert dat, zo een aantal wijzigingen inderdaad tekstaanpassingen betreffen, er toch ook een aantal essentiële wijzigingen in de teksten aangebracht zijn. De mededeling van deze wijzigingen door de verwerende IX-3264-5/23 partij in een vergadering van 15 maart 2002 kan de verplicht aan het uitvaardigen van het besluit voorafgaande onderhandeling niet goedmaken. 11. Het staat buiten betwisting dat het ministerieel besluit van 28 december 2001, dat het voorwerp is van het onderhavig beroep, beschouwd moet worden als een geheel van grondregels in verband met het administratief statuut van het personeel van de politiediensten, in de zin van artikel 3, 1/, a), van de wet van 24 maart 1999, en op grond van die bepaling met de vakbonden van het personeel onderhandeld moest worden. De syndicale raadpleging over ontwerpen die het bestuur voornemens is uit te vaardigen is een substantiële vorm. Dit vormvoorschrift impliceert dat, eens de syndicale raadpleging beëindigd, het bestuur niet zonder een nieuwe raadpleging nog wijzigingen mag doorvoeren aan de inhoud van de tekst. Wel wordt aangenomen dat het bestuur materiële vergissingen mag rechtzetten, dat louter technische aanpassingen en verduidelijkingen aangebracht mogen worden, dat de tekst aangepast mag worden aan reglementaire bepalingen die het bestuur geen keuzemogelijkheid laten en dat zelfs inhoudelijke wijzigingen aangebracht mogen worden in de mate dat zij, ten opzichte van de oorspronkelijke tekst, geen wezenlijke wijziging uitmaken. 12. De verwerende partij erkent dat zij na de syndicale onderhandeling over het ontwerp van ministerieel besluit nog wijzigingen in de tekst heeft aangebracht. Zij betwist evenwel dat die wijzigingen van die aard waren dat er opnieuw over onderhandeld diende te worden. Rekening houdend met de principiële verplichting tot raadpleging, behoort het de verwerende partij aan te tonen dat de nieuw aangebrachte wijzigingen niets meer zijn dan rechtzettingen, verduidelijkin-gen of aanpassingen als bedoeld sub 11 hiervoor. 13. De wijzigingen die hier ter discussie staan betreffen de artikelen IV.20, IV.23, VI.9, XI.13, XI.27, XII.14, XII.16 en XII.18 van de definitieve tekst. 14. Aan artikel IV.20, dat deel uitmaakt van Afdeling 3 “Het onderzoek van de omgeving en de antecedenten” van Hoofdstuk I “De selectie” van Titel IV “De selectie en de opleiding”, is na de syndicale onderhandeling volgende wijziging gebracht: IX-3264-6/23 Onderhandelde versie Definitieve versie Art. IV.20. “Indien onder de gegevens Art. IV.20. “Indien onder de gegevens bedoeld in artikel IV.17 elementen bedoeld in artikel IV.17 elementen voorhanden zijn die toelaten te twijfelen aan voorhanden zijn die toelaten te twijfelen aan de legitimiteit van de kandidaatstelling, de legitimiteit van de kandidaatstelling gaat bezorgt het korps van de lokale politie van het korps van de lokale politie van de de woonplaats van de kandidaat het dossier woonplaats van de kandidaat, op vraag van aan de directeur van de directie van de de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie. Deze laatste rekrutering en van de selectie van de federale verzoekt de algemene inspectie van de politie, over tot een meer diepgaand federale politie en van de lokale politie om onderzoek waarbij: over te gaan tot een meer diepgaand 1/ andere veroordelingen voor relevante onderzoek waarbij: feiten met betrekking tot het beoogde 1/ andere veroordelingen voor relevante ambt, door de politierechtbank, de feiten met betrekking tot het beoogde rechtbank van koophandel of de ambt, door de politierechtbank, de burgerlijke rechtbank kunnen worden rechtbank van koophandel of de opgezocht dan die bedoeld in artikel burgerlijke rechtbank kunnen worden IV.17,2/; opgezocht dan die bedoeld in artikel 2/ een gesprek met de kandidaat betreffende IV.17, 2/; onder andere de omgeving waar hij zich 2/ een gesprek met de kandidaat ophoudt, kan plaatsvinden.” betreffende onder andere de omgeving waar hij zich ophoudt door een lid van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie plaatsvindt.” 15. Verzoekster wijst erop dat de definitieve versie van de besproken bepaling niet meer voorschrijft dat het gesprek met de kandidaat wordt gevoerd door een lid van de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie en dat er nu geen verplichting meer bestaat -nog enkel een mogelijkheid- om het gesprek te voeren. Volgens haar benadeelt het omzetten van de genoemde verplichting in een mogelijkheid, de kandidaat “in het objectiveren van zijn noodzakelijke verdediging in het ad hoc onderzoek”. 16. Volgens de verwerende partij is de tussenkomst van de inspectie geschrapt omdat de afdeling Wetgeving van de Raad van State gesteld heeft dat de opdrachten van de inspectie bepaald zijn in de wet van 7 december 1998 -artikel 144- en dat alleen de Koning de inspectie met nieuwe opdrachten kan belasten inzake de evaluatie en de opleiding van het personeel. De afschaffing van de verplichting om een gesprek te houden met de kandidaat heeft een praktische reden, in die zin dat het soms duidelijk kan zijn dat de kandidatuur niet in aanmerking genomen kan worden. 17. In haar repliek stelt verzoekster dat uit de wettelijke bepalingen ter zake niet duidelijk blijkt dat de minister aan de algemene inspectie geen IX-3264-7/23 opdrachten zou mogen geven. Wat het invoeren van de mogelijkheid om een gesprek met een kandidaat te houden betreft, stelt zij dat de achterliggende bedoeling zeker niet duidelijk uit de tekst blijkt en dat er misschien wel een limitatieve lijst opgemaakt zou moeten worden van de gevallen waarin geen gesprek gehouden moet worden of zeker een bijkomende omschrijving. 18. In haar laatste memorie stelt verzoekster nog dat een tekst na het afsluiten van een onderhandeling met de vakbonden niet meer op essentiële punten gewijzigd mag worden zonder nieuwe raadpleging. De vervanging, als te dezen, van de algemene inspectie door de ambtenaren van de lokale politie en de afschaffing van de verplichting om een gesprek met de betrokkene te hebben komt neer op een schending van de rechten van de verdediging van de betrokken kandidaat. Hij heeft immers geen recht meer op een gesprek wanneer er getwijfeld wordt aan de legitimiteit van zijn kandidatuur. 19. De weglating van de bepaling dat de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie het diepgaand onderzoek van een kandidatuur moet uitvoeren en dat zij te dien einde met de betrokken kandidaat een gesprek zal hebben, is inderdaad een gevolg van de opmerking die de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar adviezen nr. 32.350/2 van 30 oktober 2001 en nr. 32.764/4 van 27 december 2001 heeft gemaakt, stellende dat de taken van de algemene inspectie vastgelegd zijn in artikel 144 van de wet van 7 december 1998 en dat volgens die bepaling de Koning de algemene inspectie bevoegdheden kan toekennen inzake de evaluatie en de opleiding van het personeel. Daaruit kan afgeleid worden dat de wettelijk ingestelde beperking van de bevoegdheidsdelegatie tot de evaluatie en de opleiding van het personeel, impliceert dat de minister in geen enkel geval - dus ook niet voor de hier geregelde aspecten die betrekking hebben op de selectie van het personeel- de algemene inspectie met een opdracht kan belasten. Aldus bezien kon de verwerende partij de bevoegdheid van de algemene inspectie uit artikel IV.20 weglaten om zich te conformeren aan een wettelijke regeling. De definitief aangenomen regeling maakt echter een andere overheid -het korps van de lokale politie- bevoegd om het onderzoek te voeren. Dergelijke aanwijzing van een nieuw orgaan is van belang voor de concrete toepassing van de bepaling. Zij kon niet zonder syndicale raadpleging worden ingevoerd. IX-3264-8/23 20. De afschaffing van de verplichting om met de betrokkene een gesprek te voeren wordt door verzoekster terecht in het kader van de rechten van de verdediging van de betrokkene geplaatst. De kandidaat kan er niet meer op rekenen dat het bijkomend onderzoek dat over hem wordt uitgevoerd ook een persoonlijk gesprek zal bevatten. Dergelijke wijziging is inhoudelijk niet onbelangrijk. Zij moest aan de syndicale raadpleging onderworpen worden. 21. Aan artikel IV.23, dat deel uitmaakt van Afdeling 4 “Het selectiegesprek met de selectiecommissie” van Hoofdstuk I “De selectie” van Titel IV “De selectie en de opleiding”, is volgende wijziging gebracht: Onderhandelde versie Definitieve versie Art. IV.23. “De selectiecommissie Art. IV.23. “De selectiecommissie bedoeld bedoeld in artikel IV.1.15, eerste lid, 4/, in artikel IV.1.15, eerste lid, 4/, RPPol, RPPol, hierna de selectiecommissie hierna de selectiecommissie genoemd, is genoemd, is samengesteld uit : samengesteld uit : 1/ een gekwalificeerd personeelslid van de 1/ een gekwalificeerd personeelslid van de directie van de rekrutering en van de directie van de rekrutering en van de selectie, die het voorzitterschap selectie van de federale politie, die het waarneemt; voorzitterschap waarneemt; 2/ twee personeelsleden van het opera- 2/ twee personeelsleden van het tioneel kader van de politiediensten, operationeel kader van de politiediensten, waarvan er één tot de federale politie en waarvan er één tot de federale politie en één tot een korps van de lokale politie één tot een korps van de lokale politie behoort; behoort; 3/ een personeelslid van de directie van de 3/ een personeelslid van de directie van de opleiding of van een politieschool die opleiding van de federale politie of van over bijzondere bekwaamheden beschikt een politieschool die over bijzondere in het raam van de basisopleiding; bekwaamheden beschikt in het raam van 4/ een lid extern aan de politiediensten. Die de basisopleiding. persoon moet echter vertrouwd zijn met Om geldig te kunnen beslissen moeten de werking van de politie en de inhoud ten minste drie leden waaronder de voorzitter van de eisen van het ambt. en één van de leden bedoeld in het eerste lid, Om geldig te kunnen beslissen moeten 2/, aanwezig zijn. ten minste drie leden waaronder de De selectiecommissie beslist met voorzitter en één van de leden bedoeld in gewone meerderheid van stemmen. In geval het eerste lid, 2/, aanwezig zijn. van staking van stemmen is de stem van de De selectiecommissie beslist met voorzitter doorslaggevend.” gewone meerderheid van stemmen. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.” 22. Verzoekster wijst erop dat in de gepubliceerde versie het 4/ uit de onderhandelde tekst weggelaten is, hetgeen volgens haar minder waarborgen biedt aangaande een objectieve selectie van de kandidaten. 23. De verwerende partij antwoordt dat de wijziging een “betere praktische toepasbaarheid” van de bepaling beoogt, aangezien het niet evident zal zijn geschikte personen te vinden en niet zonder meer gesteld kan worden dat de IX-3264-9/23 ontstentenis van een extern lid minder waarborgen biedt voor een objectieve selectie. 24. Het wijzigen van de samenstelling van een selectiecommissie, die in het kader van de selectieprocedure van de politieambtenaren -artikel IV.1.15, eerste lid, 4/, RPPol- met de kandidaten een selectiegesprek moet hebben en een eindevaluatie moet uitspreken, is een belangrijke wijziging die niet aangenomen kan worden zonder nieuwe syndicale raadpleging. De verwijzing naar een betere praktische toepasbaarheid van de bepaling betreft de opportuniteit van de geplande maatregel en is niet relevant in het licht van de vraag naar de noodzaak van een nieuwe syndicale raadpleging. 25. Aan artikel VI.9, dat deel uitmaakt van Hoofdstuk III “Aanreke- ning als dienstprestaties” van Titel VI “De organisatie van de arbeidstijd van de personeelsleden van de politiediensten”, is volgende wijziging gebracht: Onderhandelde versie Definitieve versie Art. VI.9. “Worden voor de aanrekening Art. VI.9. “Worden voor de aanrekening als dienstprestaties in aanmerking genomen als dienstprestaties in aanmerking genomen voor de werkelijke duur : voor de werkelijke duur : 1/-10/ (...) 1/-11/ (...) 11/ de tijd door de verdediger van het 12/ de tijd door de verdediger van het perso- personeelslid tegen wie een tuchtpro- neelslid tegen wie een tuchtprocedure cedure loopt, besteed aan : loopt, besteed aan :
- a)de voorbereiding van de verdedi-
- a)de voorbereiding van de verdedi- ging, voor zover de door de ver- ging, voor zover de door de ver- dediger van het personeelslid voor- dediger van het personeelslid voor- opgestelde tijd in het raam van die opgestelde tijd in het raam van die tuchtprocedure wordt goedgekeurd tuchtprocedure wordt goedgekeurd door de tuchtoverheid die de eind- door de tuchtoverheid die de eindbe- beslissing neemt; slissing neemt;
- b)de verschijning voor de tot straffen
- b)de verschijning voor de tot straffen bevoegde overheid of voor de bevoegde overheid of voor de tucht- tuchtraad, verplaatsingen heen en raad, verplaatsingen heen en terug terug inbegrepen; inbegrepen; 12/ voor zover de door de verdediger van 13/ voor zover de door de verdediger van het personeelslid vooropgestelde tijd het personeelslid vooropgestelde tijd wordt goedgekeurd door de eindver- wordt goedgekeurd door de eindverant- antwoordelijke voor de evaluatie, de woordelijke voor de evaluatie, de tijd tijd die hij heeft besteed aan de voor- die hij heeft besteed aan de voorberei- bereiding van de verdediging in het ding van de verdediging in het raam van raam van een evaluatie met eindver- een evaluatie met eindvermelding ‘onvol- melding ‘onvoldoende’ van het perso- doende’ van het personeelslid, met het neelslid, met het oog op de verschij- oog op de verschijning voor de eindve- ning voor de eindverantwoordelijke rantwoordelijke voor de evaluatie en, in voor de evaluatie en, in voorkomend voorkomend geval, voor de raad van geval, voor de raad van beroep bedoeld beroep bedoeld in artikel VII.I.41 in artikel VII.I.41 RPPol. RPPol; In geval van betwisting over de in het 14/ (...); eerste lid, 11/ en 12/, bedoelde tijd, beslist 15/ (...); de inspecteur-generaal na overleg met de 16/ (...); IX-3264-10/23 betrokken partijen.” 17/ (...).” 26. Verzoekster wijst erop dat, door het weglaten in de definitieve regeling van het laatste lid van de onderhandelde tekst, er door de inspecteur- generaal geen beslissing meer kan genomen worden over betwistingen inzake de aanrekening van de tijdsbestedingen van raadslieden in tuchtzaken, en dat dit een beperking inhoudt van de rechten van verdediging. 27. De verwerende partij stelt dat de wijziging volgt uit het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over de bestreden bepaling. 28. In haar repliek stelt verzoekster dat het advies van de Raad van State niet uitsluit dat een nieuwe syndicale raadpleging gehouden wordt over de nieuwe voorgestelde tekst. 29. In zijn advies nr. 32.764 van 27 december 2001 over het ontwerp van ministerieel besluit heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State vastgesteld dat, aangezien de taken van de algemene inspectie in de wet van 7 december 1998 bepaald zijn en dat daar voorzien is in een delegatie aan de Koning met betrekking tot de evaluatie en de opleiding van het personeel, de minister afwijkt van dit voorschrift door hier de algemene inspectie met een bepaalde taak te belasten. Door het weglaten van de bepaling waarvan de afdeling Wetgeving de onwettigheid heeft vastgesteld, heeft de verwerende partij geen wijziging aangebracht die een nieuwe syndicale raadpleging noodzaakte. 30. Aan artikel XI.13, dat deel uitmaakt van Hoofdstuk III “Nadere regels betreffende de vergoedingen” van Titel XI “De nadere regels van het geldelijk statuut”, is volgende wijziging gebracht: Onderhandelde versie Definitieve versie Art. XI.14. “Genieten de vergoeding Art. XI.13. “Genieten het bedrag van de voor werkelijke onderzoekskosten bedoeld vergoeding voor werkelijke onderzoekskos- in artikel XI.IV.3, RPPol: ten bedoeld in artikel XI.IV.3, RPPol: 1/ de personeelsleden van de gedeconcen- 1/ de personeelsleden van de gedeconcen- treerde gerechtelijke diensten of van treerde gerechtelijke diensten, voor zo- onderzoekscellen, voor zover ze noch een ver ze noch een administratieve of secre- administratieve of secretariaatsbetrekking tariaatsbetrekking zoals bedoeld in zoals bedoeld in artikel 29 van de wet van artikel 29 van de wet van 27 december 27 december 2000 houdende diverse IX-3264-11/23 2000 houdende diverse bepalingen met bepalingen met betrekking tot de rechts- betrekking tot de rechtspositie van het positie van het personeel van de politie- personeel van de politiediensten, noch diensten, noch een beheersbetrekking een beheersbetrekking waarnemen; waarnemen. Worden gelijkgesteld met 2/ de personeelsleden van de gerechtelijke beheersbetrekkingen, de door de misdrijf- politiediensten in het militaire midden, analisten beklede betrekkingen; voor zover ze noch een administratieve 2/ de personeelsleden van de dienst gerech- of secretariaatsbetrekking zoals bedoeld telijke politie in het militair milieu, voor in 1/, noch een beheersbetrekking waar- zover ze noch een administratieve of nemen; secretariaatsbetrekking zoals bedoeld in 3/ de personeelsleden van de directie van 1/, noch een beheersbetrekking waarne- de speciale eenheden bedoeld in artikel men. Worden gelijkgesteld met beheers- XI.5, l/ en 2/, met uitzondering van de betrekkingen, de door de misdrijfanalis- directeur van deze directie alsook van ten beklede betrekkingen; deze die een beheersbetrekking waarne- 3/ de personeelsleden van de directie van de men; speciale eenheden bedoeld in artikel XI.5, 4/ de personeelsleden van de directie van 1/ en 2/, met uitzondering van de direc- de bestrijding van de economische en de teur van deze directie alsook van de per- financiële criminaliteit - centraal bureau soneelsleden die een beheersbetrekking voor de bestrijding van de corruptie en waarnemen; de centrale dienst ter bestrijding van de 4/ de personeelsleden van de directie van de georganiseerde economische en financi- bestrijding van de economische en de ele criminaliteit, voor zover ze noch een financiële criminaliteit - centraal bureau administratieve of secretariaatsbetrek- voor de bestrijding van de corruptie en de king, zoals bedoeld in 1/, noch een be- centrale dienst ter bestrijding van de heersbetrekking waarnemen; georganiseerde economische en financi- 5/ de personeelsleden van de opsporings- of ele criminaliteit van de federale politie, onderzoeksdiensten van de lokale politie, voor zover ze noch een administratieve of voor zover ze noch een administratieve secretariaatsbetrekking, zoals bedoeld in of secretariaatsbetrekking, zoals bedoeld 1/, noch een beheersbetrekking waarne- in 1/, noch een beheersbetrekking waar- men. Worden gelijkgesteld met beheers- nemen; betrekkingen, de door de misdrijfanalis- 6/ de personeelsleden die behoren tot de ten beklede betrekkingen; onderzoekseenheden die binnen de direc- 5/ de personeelsleden van de opsporings- of tie van de politie van de verbindingswe- onderzoeksdiensten van de lokale politie, gen opgericht worden, voor zover ze voor zover ze noch een administratieve of noch een administratieve of secreta- secretariaatsbetrekking, zoals bedoeld in riaatsbetrekking, zoals bedoeld in 1/, l/, noch een beheersbetrekking waarne- noch een beheersbetrekking waarne- men. Worden gelijkgesteld met beheers- men.” betrekkingen, de door de misdrijfanalis- ten beklede betrekkingen; 6/ de personeelsleden die behoren tot de onderzoekseenheden die binnen de direc- tie van de politie van de verbindingswe- gen van de federale politie opgericht worden, voor zover ze noch een adminis- tratieve of secretariaatsbetrekking, zoals bedoeld in 1/, noch een beheersbetrek- king waarnemen. Worden gelijkgesteld met beheersbetrekkingen, de door de misdrijfanalisten beklede betrekkingen.” 31. Verzoekster wijst erop dat de oorspronkelijke bepaling na de raadpleging werd aangevuld met een verwijzing naar “onderzoekscellen” -het punt 1/- en dat in de punten 1/, 4/, 5/ en 6/ de “door misdrijfanalisten beklede betrekkin- gen” gelijkgesteld worden met beheersbetrekkingen, waardoor artikel XI.III.12, 7/, RPPol wordt “afgebouwd” en artikel XII.XI.21 zinloos wordt. IX-3264-12/23 32. De verwerende partij antwoordt dat de toevoeging bedoeld is om “rekening te houden met de oprichting van de “onderzoekscellen” en andere “task forces” die bestaan onafhankelijk van die van de gerechtelijke dienst arrondisse- ment” en dat de aanvulling met de betrekkingen van de misdaadanalisten gebeurde “om elke twijfel omtrent de aard van deze betrekkingen te vermijden”. Zij betwist dat afbreuk gedaan zou worden aan de bepalingen van het RPPol. 33. Verzoekster repliceert dat de motivatie die de verwerende partij geeft, niets afdoet aan de miskenning van de verplichting om teksten te onderwerpen aan de syndicale raadpleging. 34. Het toevoegen aan en het uitsluiten van bepaalde functies met betrekking tot het toekennen van een vergoeding betreft een inhoudelijke wijziging die van wezenlijk belang is. Dat de verwerende partij een verklaring heeft om deze nieuwe wijziging te verantwoorden, belet niet dat die wijziging aan een nieuwe syndicale raadpleging onderworpen moest worden. 35. Aan artikel XI.27, dat deel uitmaakt van Hoofdstuk III “Nadere regels betreffende de vergoedingen” van Titel XI “De nadere regels van het geldelijk statuut”, is volgende wijziging gebracht: Onderhandelde versie Definitieve versie Art. XI.28. “De nadere regels bedoeld in Art. XI.27. “De nadere regels bedoeld in artikel XI.IV.42 RPPol, zijn de volgende: artikel XI.IV.42 RPPol, zijn de volgende: 1/ een forfaitaire vergoeding voor een volle 1/ een forfaitaire vergoeding voor een volle dag wordt toegekend voor elke dag af- dag wordt toegekend voor elke dag afwe- wezigheid. Indien in de overnachtings- zigheid. Indien in de overnachtingskosten kosten het ontbijt is begrepen, wordt de het ontbijt is begrepen, wordt de dagver- dagvergoeding met 10 % verminderd; goeding met 10 % verminderd. Onder een dag afwezigheid moet worden Onder een dag afwezigheid moet worden verstaan een dag gelegen tussen twee verstaan een dag gelegen tussen twee nachten dewelke in tijdelijke opdracht is nachten dewelke in tijdelijke opdracht doorgebracht; worden doorgebracht; 2/ voor de dagen van vertrek en terugkeer 2/ voor de dagen van vertrek en terugkeer wordt een halve dagvergoeding toege- wordt een halve dagvergoeding toege- kend. Indien de effectief gemaakte kos- kend, behalve voor de dag van vertrek ten echter dit bedrag overschrijden, wanneer de tijdelijke opdracht begint om wordt deze terugbetaald mits voorleg- of na 20.00 uur en voor de dag van terug- ging van de bewijsstukken van betaling keer wanneer deze zich vóór of ten laatste en op basis van de formule bedoeld in 4/; om 06.00 uur ’s morgens voordoet. 3/ voor de dienstreizen met vertrek en te- Indien de kosten het bedrag bedoeld in rugkeer binnen het etmaal, wordt een het eerste lid overschrijden of indien volledige forfaitaire dagvergoeding kleine uitgaven moesten worden gedaan toegekend indien de afwezigheid min- tijdens de uitsluitingsperiodes bedoeld in stens tien uren bedraagt; ditzelfde lid, worden deze terugbetaald op 4/ indien de afwezigheid minder dan tien voorlegging van de betalingsbewijzen en uren bedraagt, geschiedt de terugbetaling volgens de formule bedoeld in 3/, tweede op basis van de reële kosten op voorleg- lid; IX-3264-13/23 ging van de bewijsstukken met een 3/ onder voorbehoud van de bepalingen in maximum van: artikel XI.IV.13, 4/, vierde lid, RPPol
- a)ontbijt : 10% van de forfaitaire dag- voor de dienstreizen met vertrek en terug- vergoeding; keer binnen hetzelfde etmaal, wordt een
- b)middagmaal : 30% van de forfaitaire volledige forfaitaire dagvergoeding toe- dagvergoeding gekend indien de afwezigheid minstens
- c)avondmaal : 40% van de forfaitaire tien uren bedraagt. dagvergoeding; Indien de afwezigheid minder dan tien
- d)kleine uitgaven : 20% van de forfai- uren bedraagt en onder hetzelfde voorbe- taire dagvergoeding”. houd dan dat uitgebracht in het eerste lid, geschiedt de terugbetaling op basis van de reële kosten op voorlegging van de bewijsstukken met een maximum van:
- a)ontbijt: 10% van de forfaitaire dag- vergoeding;
- b)middagmaal: 30% van de forfaitaire dagvergoeding
- c)avondmaal: 40% van de forfaitaire dagvergoeding;
- d)kleine uitgaven : 20% van de forfai- taire dagvergoeding; 4/ in afwijking van 2/ en onder voorbehoud van de bepalingen in artikel XI.IV.13, 4/, vierde lid, RPPol, indien de voorlopige opdracht uitgevoerd wordt op twee op- eenvolgende kalenderdagen, en indien:
- a)de afwezigheid minder dan tien uren bedraagt of begrepen is tussen 20.00 uur en 06.00 uur, gebeurt de terugbe- taling op basis van de opgelopen reële kosten op voorlegging van beta- lingsbewijzen en volgens de formule bedoeld in 3/, tweede lid. Indien pres- taties worden uitgevoerd tussen 00.00 uur en 02.00 uur en een nachtmaaltijd wordt genuttigd is de terugbetaling beperkt tot het bedrag voorzien voor een nachtmaaltijd in tabel 1 van bijla- ge 9 RPPol;
- b)de afwezigheid minstens tien uren bedraagt waarbij minder dan acht uren buiten de periode tussen 20.00 uur en 06.00 uur vallen, gebeurt de terugbetaling volgens a);
- c)de afwezigheid minstens tien uren bedraagt waarbij meer dan acht uren buiten de periode tussen 20.00 uur en 06.00 uur vallen, wordt een forfaitaire vergoeding die een afwezigheidsdag dekt, toegekend. Indien de duur van de afwezigheid zo is dat men blootgesteld is aan kosten voor meer dan één ontbijt, één mid- dagmaal of één avondmaal, wordt het dagelijks bedrag van de vergoeding, per betrokken maaltijd, verhoogd volgens de formule bedoeld in 3/, tweede lid. Indien de prestaties uitgevoerd wor- den tussen 00.00uur en 02.00 uur wordt het bedrag van de dagelijkse vergoeding verhoogd met het bedrag IX-3264-14/23 voorzien voor een nachtmaaltijd in tabel 1 in bijlage 9 RPPol. Voor de toepassing van 2/, tweede lid, 3/, tweede lid en 4/, wordt de terugbetaling van iedere maaltijd enkel toegestaan voor zover het personeelslid een tijdelijke opdracht uitvoerde gedurende de overeenstemmende periode bedoeld in artikel XI.18.” 36. Verzoekster wijst erop dat, in de definitief aangenomen tekst, aan het eerste lid, 2/, van de bepaling een nieuw lid toegevoegd is dat de onderhandelde tekst “duidelijk uitholt”, en dat het punt 4/ in vergelijking met de onderhandelde tekst totaal gewijzigd is met de invoering van nieuwe voorwaarden. 37. De verwerende partij antwoordt dat zij met de aanpassing van die bepaling “reeds voorgekomen misbruiken (wil) vermijden”, zoals het toepassen van het “buitenlands regime” terwijl de grens slechts zeer kortstondig overschreden wordt, of nachtoperaties gespreid over twee kalenderdagen. 38. Verzoekster repliceert dat de verwerende partij haar standpunt niet verduidelijkt. 39. De uitleg van de verwerende partij geeft een verantwoording voor de invoering van de regeling, maar toont geenszins aan dat de nieuwe wijzigingen slechts zeer bijkomstig zijn. De wijziging diende derhalve het voorwerp uit te maken van een nieuwe syndicale raadpleging. 40. Aan artikel XII.14, dat deel uitmaakt van Titel XII “Overgangsbe- palingen”, is volgende wijziging gebracht: Onderhandelde versie Definitieve versie Art. XII.14. “§ 1. Tot de inwerkingtre- Art. XII.14. “Tot de werkelijke inwerking- ding van het ministerieel besluit dat de treding van de erkenningsdossiers wordt, personeelsleden of andere personen aan- voor de toepassing van de artikelen XI.II- wijst die belast zijn met een taak van do- I.36, XI.III.37 en XI.III.40 RPPol be- cent, praktijkmonitor of opleider in een schouwd als personeelslid of persoon die politieschool of een opleidingscentrum van belast is met een taak van docent, praktijk- de politie, zonder dat zij daarvoor aangewe- monitor in een politieschool, zonder dat hij zen, gedetacheerd of ter beschikking zijn daarvoor aangewezen, gedetacheerd of ter gesteld met het oog op het voltijds uitoefe- beschikking is gesteld met het oog op het nen van dat ambt, worden, voor de toepas- voltijds uitoefenen van dat ambt, elk perso- sing van de artikelen XI.III.36, XI.III.37 en neelslid of elke persoon die alsdusdanig is XI.III.40, RPPol, als dusdanig beschouwd : aangewezen door, naar gelang het perso- 1/ de leden van het kader van de Recher- neelslid tot de federale politie of de gemeen- cheschool die niet belast zijn met een te-/lokale politie behoort, de direc- taak van voltijds docent; teur-generaal van de algemene directie per- IX-3264-15/23 2/ de personen die, zonder deel uit te ma- soneel van de federale politie of de korps- ken van het professorenkorps van de chef van de gemeente-/lokale politie, in Offïcierenschool of van de Recherche- overleg met de directeur van de betrokken school of in de School van Criminologie politieschool. en Criminalistiek cursussen in deze Voor het bepalen van het toe te kennen scholen verstrekten vóór de datum van bedrag stelt de directeur-generaal of de inwerkingtreding van dit besluit; korpschef vast of het personeelslid al dan 3/ de pedagogen van de politiescholen niet optreedt in het raam van de uitvoering ingericht door de minister, wanneer ze van de dienst.” belast zijn cursussen van methodologie van de opleiding te geven; 4/ de personen die, zonder deel uit te ma- ken van een school, worden uitgenodigd er uiteenzettingen te geven in het raam van een cursus. De lijst van de in het eerste lid, 1/ tot en met 4/, bedoelde personen alsook de wijzi- gingen ervan, worden ter goedkeuring aan de minister voorgelegd door de direc- teur-generaal van de algemene directie personeel. § 2. Worden ook als dusdanig beschouwd de personeelsleden die, met het akkoord van de directeur-generaal van de algemene directie personeel, indien zij tot de federale politie behoren, of met dat van de burge- meester of van het politiecollege, indien zij tot de lokale politie behoren, aangewezen of ter beschikking gesteld worden zoals be- doeld in artikel I.I.1, 17/ en in deel VI, titel II, hoofdstuk IV en deel XI, titel IV, hoofd- stuk VII RPPol, van een politieschool om er een deeltijdse taak van docent of praktijk- monitor uit te oefenen. § 3. Het aantal lesuren dat door een in §§ 1 of 2 bedoeld personeelslid mag gegeven worden, mag echter niet hoger liggen dan honderd.” 41. Verzoekster wijst erop dat de limitatieve lijst, die aan de onderhandelingen was onderworpen, uitgebreid wordt zodat nu elkeen die van ver of dichtbij verbonden is met een opleidingscentrum, in aanmerking komt voor de toelage. 42. Volgens de verwerende partij is rekening gehouden met de ontwikkeling van de problematiek van de scholen en de organisatie van de opleiding. Zij begrijpt niet dat verzoekster gekant is tegen een uitbreiding van het toepassingsgebied van de toelage. 43. Verzoekster wijst er in haar laatste memorie op dat niet aangetoond is dat de wijziging die na de onderhandeling nog in deze tekst aangebracht is, niet essentieel is. IX-3264-16/23 44. Het uitbreiden van een voordeel, zoals de verwerende partij de zaak voorstelt, vormt voor het bestuur geen vrijbrief om een met de vakbonden onderhandelde tekst zonder nieuwe raadpleging te wijzigen. Ook te dezen maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat het belang van de aangebrachte wijziging slechts marginaal is. 45. Aan artikel XII.16 dat eveneens deel uitmaakt van Titel XII “Overgangsbepalingen” is volgende wijziging gebracht: Onderhandelde versie Definitieve versie Art. XII.16. “Tot de inwerkingtreding Art. XII.16. “Tot de inwerkingtreding van het ministerieel besluit dat de cursussen van het ministerieel besluit dat de cursussen bepaalt die als van universitair of bepaalt die als van universitair of post-universitair niveau of van hoger niet- post-universitair niveau of van hoger universitair niveau worden beschouwd, niet-universitair niveau worden beschouwd, worden, voor de toepassing van artikel worden, voor de toepassing van artikel XI- XI.III.38 RPPol, beschouwd als van univer- .III.38 RPPol beschouwd als van universitair sitair of post-universitair niveau, al de of post-universitair niveau, al de cursussen cursussen van algemene vorming of infor- van algemene vorming of informatie, vers- matie, verstrekt aan kandidaat-officieren in trekt aan kandidaat-officieren in de officie- de officierenscholen, met uitzondering van renscholen, met uitzondering van deze be- deze bedoeld in het tweede lid, 1/, alsook doeld in het tweede lid, 1/, alsook deze van deze van lichamelijke opvoeding en sport lichamelijke opvoeding en sport en van en van beroepsvorming. Zijn ook be- beroepsvorming. Zijn ook beschouwd als schouwd als van universitair of van universitair of post-universitair niveau, post-universitair niveau, al de cursussen van al de cursussen van gespecialiseerde oplei- gespecialiseerde opleiding van gerechtelijke ding van gerechtelijke politie en van tech- politie en van technische en wetenschappe- nische en wetenschappelijke politie, vers- lijke politie, verstrekt in de recherche- trekt in de rechercheschool, met uitzondering school, met uitzondering van deze bedoeld van deze bedoeld in het tweede lid, 2/, en in het tweede lid, 2/, alsook deze van licha- deze van lichamelijke opvoeding en sport en melijke opvoeding en sport en van beroeps- de eraan gelijkgestelde cursussen van be- vorming. roepsvorming. Worden beschouwd als van hoger niet- Worden beschouwd als van hoger universitair niveau : niet-universitair niveau: 1/ in de officierenschool (...) 1/ in de nationale school voor officieren (...) 2/ in de rechercheschool (...)” 2/ in de rechercheschool (...) 3/ in elke politieschool : de opleiding van het leraarskorps, met inbegrip van de docenten, praktijkmonitors, opleiders, mentors en stage- coördinatoren.” 46. Verzoekster wijst erop dat in de definitieve tekst van het tweede lid een nieuw punt 3/ ingevoegd is en dat daarmee, wat de opleidingen in de politiescholen betreft, nieuwe voorwaarden ingesteld worden die niet vermeld zijn in het RPPol. 47. De verwerende partij antwoordt dat deze bepaling geen nieuwe voorwaarden instelt, maar dat er enkel aangegeven wordt welke cursussen beschouwd worden als van hoger niet-universitair niveau. IX-3264-17/23 48. Verzoekster repliceert dat het niet van belang is te weten of er nieuwe voorwaarden worden opgelegd, maar enkel of de onderhandelde tekst gewijzigd is. 49. Er is onmiskenbaar een bepaling aan de onderhandelde tekst toegevoegd waarbij de opleidingen in de politiescholen worden gekwalificeerd als van hoger niet-universitair niveau. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat deze toevoeging inhoudelijk slechts een verwaarloosbaar effect heeft. 50. Aan artikel XII.18 dat eveneens deel uitmaakt van Titel XII “Overgangsbepalingen”, is volgende wijziging gebracht: Onderhandelde versie Definitieve versie Art. XII.18. “Voor de toepassing van Art. XII.18. “Voor de toepassing van artikel XI.IV.3 RPPol, tot de datum van de artikel XI.IV.3 RPPol tot de datum van de oprichting van een korps van de lokale oprichting van het betrokken korps van de politie, genieten de personeelsleden van de lokale politie, genieten de personeelsleden korpsen van de gemeentepolitie en van de van de korpsen van de gemeentepolitie die, territoriale brigades van de federale politie, daags vóór de datum van inwerkingtreding die in een pilootpolitiezone van een in het van dit besluit, de vergoeding bedoeld in het raam van de pilootzone opgerichte gemene koninklijk besluit van 22 december 1997 tot opsporings- of onderzoeksdienst deel uitma- vaststelling van de algemene bepalingen ken, de vergoeding voor werkelijke onder- betreffende een vergoeding voor onkosten zoekskosten onder dezelfde voorwaarden gemaakt bij de uitoefening van opdrachten als de personeelsleden bedoeld in artikel van gerechtelijke politie door leden van de XI.l4. Hetzelfde geldt voor de korpsen van gemeentepolitie, en die van een opsporings- de gemeentepolitie en de territoriale briga- of onderzoeksdienst deel uitmaken, de ver- des van de federale politie waarvoor de goeding voor werkelijke onderzoekskosten personeelsformatie of de werkstructuur in onder dezelfde voorwaarden als de perso- het bestaan van een opsporings- of onder- neelsleden bedoeld in artikel XI.13,5/. zoeksdienst uitdrukkelijk voorzien.” Indien de in het eerste lid bedoelde perso- neelsleden gedetacheerd of ter beschikking gesteld waren en indien ze dit na de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijven, zijn de bepalingen van artikel XI.IV.5 RPPol op hen van toepassing.” 51. Verzoekster wijst erop dat door deze wijziging, de personeelsle- den van de federale politie slechts aanspraak kunnen maken op de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten vanaf het ogenblik dat de lokale zone waaraan zij toebedeeld worden bij koninklijk besluit erkend is, terwijl dat volgens de onderhan- delde tekst kon gebeuren vanaf 1 april 2001. 52. De verwerende partij antwoordt dat de wijziging het gevolg is van een opmerking van de inspectie van financiën, die de aandacht gevestigd had op de ruime uitbreiding van de gerechtigden op de vergoeding voor werkelijke onder- zoekskosten -en de daaraan verbonden meerkost-, aangezien voorheen enkel de IX-3264-18/23 leden van de bijzondere opsporingsbrigade (BOB) de vergoeding genoten en die nu wordt uitgebreid tot alle personeelsleden van de territoriale brigades van de federale politie. 53. Verzoekster repliceert dat de aanpassing die de tekst na de onderhandelingen nog diende te krijgen als gevolg van de opmerkingen van de inspecteur van financiën niet uitsluit dat over de gewijzigde tekst toch nog opnieuw onderhandeld moet worden. 54. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat de bestreden bepaling betrekking heeft op een overgangsregeling voor de maanden april tot december 2001 inzake het toekennen van “een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten”. Oorspronkelijk was de toekenning van deze forfaitaire vergoeding gepland voor de personeelsleden die vóór de politiehervorming enkel een vergoeding kregen op basis van aangetoonde kostenstaten, maar door de lange besluitvormingstermijn die het bestreden besluit gevergd heeft, had het geen zin meer om retroactief dat forfait nog toe te kennen, aangezien de betrokken personeelsleden hun kosten inmiddels verder hadden kunnen bewijzen. De met de vakbonden onderhandelde tekst zou derhalve tot gevolg gehad hebben dat die personeelsleden twee vergoedingen zouden ontvangen, met name de forfaitaire en deze op kostenstaat. 55. De verklaring die de verwerende partij geeft is een rechtvaardi- ging voor de aangebrachte wijziging, maar daarmee wordt niet aangetoond dat de bepaling vrijgesteld was van een nieuwe syndicale raadpleging. 56. De middelen, gericht tegen de artikelen IV.20, IV.23, XI.13, XI.27, XII.14, XII.16 en XII.18 van het UBPol, zijn gegrond in de mate dat die bepalingen na de syndicale onderhandelingen gewijzigd zijn en niet aangetoond wordt dat deze wijzigingen de inhoud van de bepalingen slechts marginaal beïnvloeden. Geen van de partijen voert aan dat de vermelde bepalingen niet afgesplitst kunnen worden van het UBPol. Het blijkt ook niet dat dit UBPol zonder die bepalingen onuitvoerbaar is of dat het reglement erdoor een gans andere impact krijgt, die niet door de verwerende partij gewenst is. Er is dan ook reden om de nietigverklaring te beperken tot de voormelde artikelen. IX-3264-19/23 II. De zaak A. 118.208/IX-3269 De ontvankelijkheid 57. Verzoeker vordert de nietigverklaring van de in artikel XII.18 van het UBPol besloten weigering van de verwerende partij om die bepaling uit te vaardigen in de versie waarover met de syndicaten onderhandeld is, alsook van de in die bepaling besloten weigering om voor de personeelsleden van de territoriale brigades van de federale politie die op 1 april 2001 in een pilootpolitiezone deel uitmaakten van een onderzoeks- en opsporingsdienst, de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten toe te kennen onder dezelfde voorwaarden als de personeelsleden bedoeld in artikel XI.13, 5/, van het UBPol, zulks voor de periode tussen 1 april 2001 en de oprichting van de lokale politiezone waarin zij tewerkgesteld worden. 58. De auditeur-verslaggever heeft in zijn verslag over de zaak vastgesteld dat verzoeker, lid van een territoriale brigade van de federale politie, in de periode van 1 april 2001 tot 31 december 2001 in de pilootpolitiezone Antwerpen deel uitmaakte van een onderzoeks- of opsporingsdienst en dat hij, volgens de regeling zoals die het voorwerp uitgemaakt heeft van de syndicale onderhandeling- en, voor die periode een forfaitaire vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten zou gekregen hebben. Hij is evenwel tot de conclusie gekomen dat, indien artikel XII.18 UBPol wordt vernietigd op grond van de middelen die de verzoekster in de zaak A. 118.134/IX-3264 aanvoert, het beroep van verzoeker geen voorwerp meer heeft omdat de bepaling, waaruit verzoeker het bestaan van een impliciete beslissing afleidt, niet meer bestaat. 59. In zijn laatste memorie betwist verzoeker de stelling van de auditeur. Hij stelt dat zijn beroep weliswaar geen aanleiding kan geven tot een ruimere vernietiging van het genoemde artikel XII.18 UBPol, maar dat het rechtsherstel waartoe het bestuur na een vernietiging op grond van het door hem aangevoerde middel verplicht zal zijn, er geheel anders zal uitzien. Met name kan met het gegrond bevinden van zijn beroep vastgesteld worden dat de verwerende partij het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geschonden heeft -waarmee de interne onwettigheid van de bepaling onderzocht wordt- en zal, rekening houdend met “het beginsel volgens hetwelk een overheid die geen reden heeft om een beslissing niet te nemen de rechtsplicht heeft die beslissing wel te nemen”, uit een vernietiging voor de verwerende partij een ruimere verplichting van rechtsherstel ontstaan. IX-3264-20/23 60. Verzoeker beperkt het voorwerp van zijn beroep tot twee beslissingen die besloten liggen in de tekst van artikel XII.18 van het UBPol, met name de weigering om de tekst waarover het bestuur met de syndicaten onderhan- deld heeft ook in een eindbesluit op te nemen en, subsidiair, de weigering om de categorie personeelsleden waartoe hij behoort met betrekking tot de toekenning voor de periode van 1 april 2001 tot 31 december 2001 van de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten bedoeld in artikel XI.IV.3 RPPol op dezelfde manier te behandelen als de personeelsleden van de opsporings- en onderzoeksdiensten van de lokale politie. Hij vordert niet de vernietiging van artikel XII.18 UBPol zelf, maar van twee impliciete beslissingen waardoor hij uitgesloten wordt van de vergoeding voor werkelijke onderzoekskosten. Als annulatiemiddel voert verzoeker aan dat het bestuur de rechtsplicht heeft om aan de categorie waartoe hij behoort de vergoeding toe te kennen. Die rechtsplicht zou volgens hem inzonderheid volgen uit de miskenning, bij de vaststelling van artikel XII.18 UBPol, van het gelijkheidsbeginsel doordat de situatie van de leden van de territoriale brigades van de federale politie die in een pilootpolitiezone in een onderzoeks- of opsporingsdienst werken niet verschilt van de situatie van de leden van de gemeentepolitie die in dezelfde dienst tewerkgesteld zijn. 61. Uit de bespreking van de zaak A. 118.134/IX-3264 blijkt dat het in die zaak aangevoerde middel gegrond is. De vernietiging van artikel XII.18 UBPol die daaruit volgt, heeft tot gevolg dat het beroep van verzoeker, dat formeel gericht is tegen en beperkt is tot een in die bepaling besloten beslissing, geen voorwerp meer heeft. Door een expliciete beslissing uit het rechtsverkeer weg te nemen, kan er immers geen sprake meer zijn van een in die beslissing besloten weigering. 62. Verzoeker is van oordeel dat het gegrond bevinden van het door hem aangevoerde annulatiemiddel hem uitzicht zou geven op een ruimer rechtsherstel. De vernietiging van de door hem bestreden handeling -de impliciete weigeringsbeslissing- wegens miskenning van het gelijkheidsbeginsel zou de verwerende partij er inderdaad toe verplichten om, zo zij artikel XII.18 UBPol laat bestaan, hetzelfde voordeel aan verzoeker toe te kennen. Vanuit dat perspectief heeft verzoeker zijn beroep ook expliciet beperkt tot de loutere impliciete weigeringsbe- slissing die hij leest in artikel XII.18 UBPol. IX-3264-21/23 Zelfs in de veronderstelling dat verzoeker de impliciete beslissingen zou kunnen aanvechten die volgens hem in artikel XII.18 UBPol zijn besloten, en dat de grieven die hij daartegen aanvoert gegrond zouden zijn, zou daaruit niet voortvloeien dat de verwerende partij verplicht zou zijn om hem het rechtsherstel te bieden dat hij met zijn beroep nastreeft. Nadat is vastgesteld dat een overheid onwettig gehandeld heeft door aan een categorie van personen bepaalde voordelen te onthouden, beschikt die overheid immers over verscheidene mogelijk- heden om de wettigheid te herstellen. Het zonder meer uitbreiden van de bedoelde voordelen tot de bedoelde categorie van personen is slechts één van die mogelijkhe- den. Daaruit volgt dat een vernietiging van de door verzoeker aangevochten impliciete beslissingen hem geen uitzicht zou geven op een ruimer rechtsherstel dan het rechtsherstel dat geboden zal moeten worden als gevolg van de vernietiging van de uitdrukkelijke bepaling van artikel XII.18 UBPol. Daargelaten de vraag of het beroep van verzoeker, dat beperkt is tot het aanvechten van impliciete beslissingen, ontvankelijk is, moet besloten worden dat er geen aanleiding is om, gelet op de vernietiging uit te spreken in het kader van het beroep in de zaak A. 118.134/IX-3264, nog nader in te gaan op het beroep van verzoeker. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd worden de artikelen IV.20, IV.23, XI.13, XI.27, XII.14, XII.16 en XII.18 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. Artikel 2. De beroepen worden voor het overige verworpen. IX-3264-22/23 Artikel 3. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van het beroep in de zaak A. 118.134/IX-3264, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het beroep in de zaak A. 118.208/IX-3269, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker in die zaak. Het ten onrechte door de verzoekende partij in de zaak A. 118.134/IX-3264 gekweten zegelrecht van 175 euro, dient haar te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 februari 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3264-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div