← België

Arrest 180144 - Monumenten en Landschappen - 27/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.144 Rolnummer: A. 186158/VII-37722 Zaak: Arrest 180144 - Monumenten en Landschappen - 27/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:41 Fiche Arrest nr 180.144 van 27 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.144 van 27 februari 2008 in de zaak A. 186.158/X-13.

  1. In zake : Gustaaf VERBOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat O. ONGHENA, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het enig verzoekschrift dat Gustaaf VERBOVEN op 3 december 2007 heeft ingediend, en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 27 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening tot vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten waarbij de watermolen van Oosterlo en de bijhorende uitrusting, het molenaarshuis met inbegrip van de buitenpomp, het bakhuis en de palingkelder, de lindebomen en de overdekte waterloop gelegen te Geel (Oosterlo), Eindhoutseweg 37, kadastraal bekend sectie N, nrs. 316/3(deel), 356/l(deel), 357/2b en 357/a, als monument op deze lijst worden geplaatst; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.561-1/8 Gelet op de beschikking van 31 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. WENDRICKX, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat N. VAN LOMMEL, die loco advocaat O. ONGHENA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op artikel 90, § 1, vierde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. Het wordt niet betwist dat de verzoeker eigenaar is geworden van de percelen met woonhuis en bijgebouwen aan de Eindhoutseweg 37 te Geel (Oosterlo), kadastraal bekend onder sectie N, nrs. 316/3(deel), 356/l(deel), 357/2b en 357/a. 1.
  4. Op 6 september 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Geel de vergunningsaanvraag van de erfgenamen LAVRIJSEN-JANSSENS, de toenmalige eigenaars van de voormelde percelen, strekkende tot het slopen van de voormalige watermolen bij het thans verdwenen kasteel van Oosterlo, het aanpalende molenaarshuis en de aangebouwde zagerij. De weigering is gesteund op het feit dat de voormalige watermolen, het molenaarshuis, de houtzagerij en een deel van het tracé van de waterloop bij ministerieel besluit van 11 juni 2004 als monument zijn opgenomen in het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten. De X-13.561-2/8 beschermingsprocedure wordt echter niet voortgezet zodat het genoemde ministerieel besluit zijn rechtsgevolgen op 22 juli 2005 heeft verloren. 1.
  5. De toenmalige eigenaars hebben een nieuwe, identieke aanvraag ingediend op 8 maart
  6. Het college van burgemeester en schepenen heeft bij besluit van 13 maart 2006 de gevraagde vergunning verleend. Bij arrest nr. 163.154 van 4 oktober 2006 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing van Ludo VERBOVEN verworpen bij gebreke van een ernstig middel. Bij arrest nr. 179.825 van 19 februari 2008 werd de afstand van het annulatieberoep vastgesteld. 1.
  7. In een motiveringsnota van 12 juli 2007 worden de watermolen, het molenaarshuis, de palingkelder, het bakhuis, de lindebomen en de houtzagerij opnieuw voorgedragen als te beschermen monument omwille van de historisch- economische en industrieel-archeologische waarde ervan. 1.
  8. De Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening heeft bij besluit van 27 september 2007 de watermolen van Oosterlo en de bijhorende uitrusting, het molenaarshuis met inbegrip van de buitenpomp, het bakhuis en de palingkelder, de lindebomen en de overdekte waterloop wegens de historische en industrieel- archeologische waarde als monument opgenomen in een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten. Dit is het bestreden besluit. 1.
  9. Namens de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening wordt dit besluit aan de betrokken besturen en de verzoeker betekend bij aangetekende brief van 1 oktober
  10. In het schrijven aan de verzoeker wordt onder meer het volgende meegedeeld: “De rechtsgevolgen van de bescherming zijn voorlopig van toepassing gedurende een termijn van twaalf maanden, die is ingegaan op 1 oktober
  11. Voor u als eigenaar (...) zijn de rechtsgevolgen van toepassing vanaf de datum waarop het ontwerp van lijst aan u betekend is. De geldigheidsduur van het ontwerp van lijst kan eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengd worden”. De verzoeker dient bij schrijven van 30 oktober 2007 van zijn raadsman bezwaar in tegen het bestreden besluit. 1.
  12. Aan de verzoeker wordt bij aangetekende brief van 1 oktober 2007 het volgende meegedeeld: X-13.561-3/8 “(...) Volgens de inlichtingen mij verstrekt door het notariskantoor Marc Demaeght, is u sinds kort de enige eigenaar van deze onroerende goederen. Ik acht het dan ook nuttig u er formeel op te wijzen dat de op 13 maart 2006 afgegeven stedenbouwkundige vergunning tot het slopen van een woonhuis met bijgebouwen ingevolge voormeld Ministerieel Besluit niet langer uitvoerbaar is. De opheffing van het principieel bouwverbod zoals vervat in art. 99 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) door de stedenbouwkundige vergunning d.d. 13 maart 2006 strekt zich immers niet uit tot de verplichtingen die voortvloeien uit het Ministerieel Besluit in combinatie met het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten, nu beide wetgevingen naast elkaar bestaan en er geen advies in de zin van art. 111 § 5, 2/ DRO werd ingewonnen. Zolang bedoeld Ministerieel Besluit zijn uitwerking behoudt, kunnen de in de stedenbouwkundige vergunning d.d. 13 maart 2006 beoogde afbraakwerken maar worden uitgevoerd na het gebeurlijk bekomen van een nieuwe stedenbouwkundige vergunning afgeleverd na bindend advies van Onroerend Erfgoed. Ondertussen is u als eigenaar er conform art. 11 §l van het decreet van 3 maart 1976 toe gehouden het onroerend goed, door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken, (...) in goede staat te behouden en het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen. Elke inbreuk die op de instandhoudings- en onderhoudsplicht wordt vastgesteld in miskenning van het Ministerieel Besluit van 27 september 2007 zal onmiddellijk aanleiding geven tot klacht met burgerlijke partijstelling vanwege de gemachtigde ambtenaar, waarna de overtreder zich noodzakelijk zal dienen te verantwoorden voor de correctionele rechtbank. Deze rechtbank zal de schuldige vervolgens naast de straf veroordelen tot het herstel in de vorige staat op straffe van een dwangsom. (...)”. Ten gronde 2.
  13. Krachtens artikel 17, § 2 van de Raad van State-wet kan de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging besluiten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
  14. Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft dient vastgesteld dat luidens artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, het enig verzoekschrift “een uiteenzetting (bevat) van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij X-13.561-4/8 een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Bij het beoordelen van deze schorsingsvoorwaarde kan dan ook alleen rekening worden gehouden met wat ter zake in het verzoekschrift werd aangevoerd en met de bij dat verzoekschrift gevoegde stukken.
  15. Wat de tweede door artikel 17, § 2, van de Raad van State-wet opgelegde voorwaarde betreft, stelt de verzoeker samengevat dat hij als nieuwe eigenaar van de thans voorlopig beschermde onroerende goederen rechten put uit de voormelde sloopvergunning van 13 maart 2006 die “rechtstreeks door de bestreden beslissing onwerkbaar (wordt) gemaakt”. In dit verband wijst hij op de erfdienstbaarheden die krachtens artikel 3 van het bestreden besluit rusten op de voorlopig beschermde goederen die volgens de verzoeker hem “ertoe verplichten aanzienlijke werken uit te voeren waarvan de kosten niet te begroten zijn en welke volledig ten laste van verzoeker dreigen te vallen nu geen subsidies worden voorzien voor voorlopig beschermde monumenten”. Voorts voert de verzoeker aan dat “zoals in het tweede middel reeds gesteld, (...) een reeds verleende stedenbouwkundige vergunning door een beschermingsbesluit nochtans niet ongedaan (kan) worden gemaakt (...)” en “het nadeel (...) tevens voort(vloeit) uit de verplichtingen en beperkingen die het gevolg zijn van het opstarten van de beschermingsprocedure”. Tot slot meent hij een moreel nadeel te ondergaan omdat hij “gelet de voorgaanden mocht vertrouwen op de uitvoerbaarheid van de slopingsvergunning” en dat vertrouwen “ernstig geschokt (wordt) door een nieuwe beschermingsprocedure welke amper een tweetal jaren volgt op een beslissing van verwerende partij waarbij de definitieve bescherming werd afgewezen”. 4.
  16. Het bestreden besluit heeft slechts een zeer tijdelijke uitwerking gelet op het artikel 5, § 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten. Die uitwerking is beperkt tot twaalf maanden vanaf de kennisgeving van het besluit, termijn die slechts éénmaal met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd. Het besluit vervalt overeenkomstig artikel 7 van het voornoemde decreet, van rechtswege indien vóór de einddatum van de voorlopige bescherming geen besluit tot definitieve bescherming is genomen. In zoverre de verzoeker aanvoert dat zijn nadeel voortvloeit uit de verplichtingen en beperkingen die het gevolg zijn van de instelling van de procedure tot bescherming, moet er worden vastgesteld dat de voorlopige bescherming maar een eerste stap in de beschermingsprocedure is. Zij luidt een fase in waarin de X-13.561-5/8 adviezen van diverse instanties worden ingewonnen, waarin de betrokken eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers hun opmerkingen en bezwaren kunnen doen gelden, waarin ook een openbaar onderzoek wordt gevoerd en waarin door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een met redenen omkleed advies wordt uitgebracht. In dit licht lijkt de omzetting van de voorlopige bescherming in een definitieve bescherming geen automatisme of vanzelfsprekendheid. Hoe dan ook kan de definitieve bescherming in voorkomend geval zelf tot voorwerp van een vordering tot vernietiging en schorsing worden gemaakt. De verzoeker moet derhalve inzichtelijk en aannemelijk maken, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens, dat het reeds moeten ondergaan van de essentieel kortdurende en provisoire effecten van de bestreden voorlopige bescherming hem een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. 4.
  17. Waar de verzoeker stelt dat hij door het bestreden besluit gedwongen wordt tot het niet uitvoeren van de sloopvergunning, “aanzienlijke werken” en “niet te begroten kosten”, laat hij na concrete en precieze gegevens te verstrekken over de essentieel kortdurende en voorlopige effecten van de bestreden voorlopige bescherming. Het risico strafrechtelijk gesanctioneerd te worden voor het stellen van strafbare handelingen vloeit niet voort uit het bestreden besluit, doch uit eigen onwettig handelen en mag dus niet in aanmerking genomen worden. In zover hij een financieel nadeel aanvoert, dan is dit in beginsel herstelbaar. Voorts zijn het vereiste van een ernstig middel en het vereiste van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel twee afzonderlijke voorwaarden. Het is niet mogelijk de ene voorwaarde vervuld te achten omdat de andere vervuld is. Het aangevoerde ernstig karakter van het tweede middel van de verzoeker wordt derhalve niet betrokken bij de beoordeling van het bestaan, de ernst en het moeilijk te herstellen karakter van het aangevoerde nadeel. Het feit beperkingen van het eigendomsrecht en andere zakelijke rechten te moeten ondergaan, maakt op zichzelf genomen geen ernstig nadeel uit zoals bedoeld in de Raad van State-wet. Het aangevoerde moreel nadeel zal door een eventuele vernietiging van het bestreden besluit worden weggenomen en is derhalve niet moeilijk herstelbaar. 4.
  18. De uiteenzetting van de verzoeker bevat bijgevolg geen afdoende gegevens die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de Raad van State-wet. Er is niet voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de Raad van State-wet opgelegde voorwaarde om de schorsing X-13.561-6/8 van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-13.561-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig februari 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.561-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.144 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.