← België

Arrest 180175 - Wapens - 28/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.175 Rolnummer: A. 177370/XII-4889 Zaak: Arrest 180175 - Wapens - 28/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-10 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:41 Fiche Arrest nr 180.175 van 28 februari 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.175 van 28 februari 2008 in de zaak A. 177.370/XII-

  1. In zake : Henri DEWICKE, die woonplaats kiest bij advocaat J. Bouckaert, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat 25 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen, die woonplaats kiest te Brugge, Provinciehuis, Riddersstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Henri Dewicke op 2 oktober 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  3. De beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 20 juli 2006 [...] waarbij de vergunningen van de heer Dewicke tot het voorhanden hebben van twee vuurwapens worden ingetrokken en waarbij het bericht van overdracht van een vuurwapen wordt geschrapt en de heer Dewicke wordt verzocht de vermelde vuurwapens en munitie af te geven, en de vergunningen tot het voorhanden hebben van de bedoelde vuurwapens en het bericht van overdracht in te dienen bij de korpschef van de politiezone Polder;
  4. De beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 10 augustus 2006 [...] waarbij de berichten van overdracht van twee vuurwapens worden geschrapt en de heer Dewicke wordt verzocht de vermelde vuurwapens af te geven, en de berichten van overdracht in te dienen bij de korpschef van de politiezone Polder;
  5. De beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 18 september 2006 houdende de weigering tot inwilliging van het willig beroep van 28 augustus 2006 namens verzoekende partij”; Gelet op het arrest nr. 166.150 van 20 december 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; XII-4889-1/16 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 15 februari 2007 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Gernay, die loco advocaten J. Bouckaert en G. Ampe verschijnt voor verzoeker, en van waarnemend adviseur V. Boerjan, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De feitelijke voorgaanden
  6. Verzoeker beoefent sinds vele jaren de jacht. Voor het uitoefenen van zijn hobby beschikt hij over een geweer van het merk Beretta Pietro, een geweer van het merk Deceuninck Frères, en een geweer van het merk Grimard Edgard. Deze wapens waren onder vigeur van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna: de oude wapenwet) niet vergunningplichtig; verzoeker beschikt terzake over zogenaamde “berichten van overdracht”. XII-4889-2/16 Daarnaast beschikt verzoeker over vergunningen tot het voorhanden hebben van twee vergunningplichtige geweren van het merk Browning FN. Op 23 december 2003 wordt hij bij een verkeerscontrole door de lokale politie RIHO tegengehouden terwijl hij op weg is naar huis. Op de achterbank van zijn wagen worden zijn jachtwapens van het merk Beretta Pietro en Deceuninck Frères aangetroffen. Op de achterbank liggen ook een aantal patronen munitie door elkaar. Tevens wordt in de wagen een zoeklicht gevonden. Er wordt proces-verbaal opgemaakt omdat de wapens en de munitie niet afzonderlijk vervoerd werden en de wapens niet waren afgesloten. De wapens, munitie en het zoeklicht worden in beslag genomen. Op 15 maart 2006 wordt door de procureur des Konings te Kortrijk aan verzoeker een voorstel van minnelijke schikking gedaan. Het voorstel wordt door hem aanvaard. Op 2 juni 2006 worden de in beslag genomen wapens aan verzoeker teruggeven. Inmiddels is bij brief van 5 april 2006 door de lokale politiezone RIHO aan de arrondissementscommissaris gemeld dat ten laste van verzoeker een gerechtelijk dossier werd geopend betreffende “het vervoeren van wapens en munitie op een niet wettige wijze”. Namens de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen om advies gevraagd over de eventuele intrekking van de wapenvergunningen van verzoeker, antwoordt de procureur des Konings bij brief van 28 juni 2005 : “Op 23.12.2005 om 20.15 uur werd betrokkene bij een verkeerscontrole aangetroffen met in zijn voertuig jachtwapens en munitie die op een niet reglementaire wijze werden vervoerd; de twee wapens lagen ongeladen binnen handbereik van de bestuurder, niet opgeborgen in een foedraal en niet voorzien van een trekkerslot, overal in het voertuig lagen jachtpatronen verspreid. Tevens werd in zijn voertuig een zoeklamp aangetroffen, in de omgeving werd er stroperij vastgesteld, doch wij konden niet bewijzen dat Dewicke Henri zich aan stroperij schuldig heeft gemaakt. Doch uit het voorgaande blijkt duidelijk dat betrokkene het niet nauw neemt met de wapenwetgeving en dat het voorhanden hebben van dergelijke wapens in zijn voertuig wel degelijk een gevaar betekent voor de openbare orde en veiligheid. Een intrekking van de vergunningen dringt zich dan ook op”. XII-4889-3/16 Op 20 juli 2006 beslist de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen dat de vergunningen van verzoeker tot het voorhanden hebben van de geweren van het merk Browning FN worden ingetrokken en dat het bericht van overdracht van het geweer van het merk Grimard Edgard wordt geschrapt. Eveneens wordt verzoeker gelast de vermelde vuurwapens af te geven bij een erkend wapenhandelaar, en de vergunningen tot het voorhanden hebben van de vuurwapens en het bericht van overdracht in te dienen bij de korpschef van de politiezone Polder. Dit besluit steunt op de volgende overwegingen : “Overwegende dat bij een verkeerscontrole op 23 december 2005 vastgesteld werd dat de heer Dewicke in zijn wagen jachtwapens en munitie op een niet reglementaire manier vervoerde; Overwegende dat er twee wapens ongeladen binnen handbereik van de bestuurder lagen; dat deze wapens niet opgeborgen waren in een wapenkoffer en niet voorzien waren van een trekkerslot; dat er overal verspreid in de wagen jachtmunitie lag; Overwegende dat er sterke vermoedens zijn dat de heer Dewicke zich ook schuldig zou hebben gemaakt aan stroperij omdat er in zijn wagen ook een zoeklamp gevonden werd en er in de omgeving stroperij werd vastgesteld; Overwegende dat de heer Dewicke de voorschriften van de wapenwet inzake de veilige bewaring van vuurwapens en munitie niet naleeft; Overwegende dat een onberispelijk gedrag een absolute vereiste is, niet alleen om een wapenvergunning te verkrijgen, maar ook om die te behouden; Overwegende dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden blijkt dat de heer Dewicke niet de vereiste waarborgen biedt uit oogpunt van persoonlijkheid, gedrag, moraliteit, eerbaarheid en geestestoestand en dat er voldoende ernstige en concrete redenen zijn om te besluiten dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen in deze omstandigheden als zeer nadelig en gevaarlijk voor de openbare orde en veiligheid dient aanzien te worden; Overwegende dat gelet op de feiten het opportuun is om zo spoedig mogelijk een definitieve maatregel te treffen in het belang van de openbare orde en veiligheid”. Bij brief van 3 augustus 2006 meldt de lokale politie Polder aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen onder meer dat verzoeker nog in het bezit is van de twee jachtwapens die op 23 december 2005 in beslag waren genomen, maar begin 2006 teruggegeven zijn, en dat men zich de vraag kan stellen “waarom betrokkene deze wapens wel mag behouden”. Bij besluit van 10 augustus 2006 beslist de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen ook tot schrapping van de berichten van overdracht van deze twee vuurwapens en wordt verzoeker gelast die wapens bij een erkend wapenhandelaar in bewaring te geven. In de aanhef van dat besluit wordt gesteld dat de gouverneur niet van de teruggave van de in beslag genomen vuurwapens op de XII-4889-4/16 hoogte was en “dat, gelet op mijn besluit van 20 juli 2006, ook deze twee vuurwapens niet meer in het bezit mogen zijn van de heer Dewicke”. Met een brief van 17 augustus 2006 vraagt verzoeker aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen het dossier nogmaals te bekijken. In zijn brief van 30 augustus 2006 aan verzoeker antwoordt de gouverneur dat hij met zijn besluit van 20 juli 2006 gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de procureur des Konings te Kortrijk om de wapenvergunningen van verzoeker in te trekken, dat verzoeker tegen het besluit van 20 juli 2006 echter beroep kan instellen bij de Raad van State, dat het geenszins de bedoeling is dat zijn argumentatie om de vergunningen in te trekken als een “beschuldiging” ervaren wordt, en dat het doel van de maatregel was om het risico te vermijden dat de wijze waarop verzoeker zijn wapens en munitie vervoerde een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Bij brief van 28 augustus 2006 stelt de raadsman van verzoeker bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen en de procureur des Konings te Kortrijk willig beroep in, waarbij hij laat gelden dat er geen enkele reden was om de vergunningen van verzoeker tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens in te trekken en de registratie en de attesten van overdracht van zijn jachtwapens te schrappen, en dat de beslissingen van 20 juli 2006 en 10 augustus 2006 geen wettelijke grondslag hebben. De procureur des Konings antwoordt met een brief van 5 september 2006 dat hij zijn advies van 28 juni 2006 in verband met de intrekking van de wapenvergunningen van verzoeker handhaaft. Met een brief van 18 september 2006 deelt op zijn beurt de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen mee dat hij in het belang van de openbare orde en veiligheid zijn beslissingen van 20 juli 2006 en 10 augustus 2006 handhaaft. II. De ontvankelijkheid A. De tijdigheid
  7. In de memorie van antwoord wijst verwerende partij erop, eensdeels, dat het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts ontvankelijk XII-4889-5/16 ratione temporis is op voorwaarde dat het effectief is verstuurd op 2 oktober 2006 en, anderdeels, dat de laatste dag van de termijn van 30 dagen voor het versturen van het verzoek tot voortzetting, na de verwerping van de vordering tot schorsing, 16 februari 2007 is.
  8. Het verzoekschrift tot nietigverklaring is op 2 oktober 2006 met een ter post aangetekende brief aan de Raad van State toegestuurd, en het verzoek tot voortzetting met een op 15 februari 2007 aangetekend verstuurde zending. Er is geen reden toe het beroep laattijdig te achten. B. Het belang van verzoeker Standpunt van de verwerende partij
  9. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij in de eerste plaats op dat verzoeker zonder actueel belang is omdat hij verzuimd heeft alle beslissingen met betrekking tot de intrekking van de vergunningen en het ontzeggen van het recht om wapens voorhanden te hebben te betwisten - namelijk vraagt hij niet de nietigverklaring van “de beslissing van de gouverneur van 30 augustus 2006 waarin aan de heer Dewicke persoonlijk werd meegedeeld dat er niet werd ingegaan op zijn verzoek om het dossier te herbekijken”. Minstens heeft, aldus verwerende partij, verzoeker geen belang bij de nietigverklaring van de beslissing van 18 september 2006 van de gouverneur, omdat hij niet de nietigverklaring heeft gevraagd van de voorafgaande beslissing van 30 augustus 2006 met eenzelfde inhoud. Tenslotte is, naar het oordeel van verwerende partij, verzoeker eveneens zonder belang bij de nietigverklaring van de beslissing van 10 augustus 2006, vermits hij de betrokken wapens vrijwillig en op eigen initiatief aan een derde heeft overgedragen vooraleer de beslissing hem betekend werd: de beslissing is hierdoor “zonder voorwerp geworden”. In de laatste memorie zet de verwerende partij nog uiteen dat de brief van 30 augustus 2006 niet zomaar “een toelichting van de beslissingen van 20/7/2006 en 10/8/2006 was”, maar dat er opnieuw een onderzoek is gebeurd, XII-4889-6/16 rekening houdend met de argumenten van verzoeker, door een officier van de politie die onafhankelijke opdrachten krijgt van de gouverneur in het kader van zijn functie als verbindingsambtenaar van de politie. Bespreking
  10. Met zijn brief van 30 augustus 2006 antwoordde de gouverneur op de brief van 17 augustus 2006 van verzoeker, waarin deze aan de gouverneur had gevraagd om het dossier nogmaals te bekijken. Zoals de brief is geformuleerd, doet hij in niets ervan blijken op een nieuw onderzoek te zijn gesteund. Integendeel wordt in de brief alleen maar uitgelegd dat de beslissing van 20 juli 2006 slechts gevolg geeft aan een verzoek van de procureur des Konings, dat er hoe dan ook beroep bij de Raad van State tegen mogelijk is en dat verzoeker in de beslissing geen beschuldiging moet lezen. Verzoeker ging er dan ook op goede grond vanuit dat het, met zijn woorden, om een “louter informatie[f] schrijven” ging. Overigens kan ook uit het administratief dossier niet worden opgemaakt dat de brief op een nieuw onderzoek -van wie dan ook- gesteund is. Met andere woorden is de brief ook effectief wat hij lijkt te zijn: een zuivere toelichting - nog daargelaten de vraag of, indien het anders mocht zijn geweest, verzoeker daar dan wel de dupe van moet zijn.
  11. Het antwoord van 30 augustus 2006 van de gouverneur op verzoekers brief van 17 augustus 2006, is niet vatbaar voor vernietiging door de Raad van State. Dat verzoeker er geen beroep tegen heeft ingesteld, is zonder invloed op zijn belang bij het onderhavige beroep.
  12. Ook de omstandigheid dat de wapens waarop de beslissing van 10 augustus 2006 van de gouverneur betrekking heeft, blijkbaar daags nadien door verzoeker aan F.V. zijn overgedragen, is te dezen zonder gevolgen voor de ontvankelijkheid van het beroep. Met de beslissing van 10 augustus 2006 completeert de gouverneur zijn eerder besluit van 20 juli 2006, door “gelet op [z]ijn besluit van 20 juli 2006” ook de berichten van overdracht te schrappen van verzoekers twee XII-4889-7/16 vuurwapens die door de politie eerst in beslag waren genomen en waarvan de gouverneur op 20 juli 2006 niet wist dat ze al teruggegeven waren. De beslissing van 10 augustus 2006 doet zich wezenlijk voor als een onlosmakelijk met het besluit van 20 juli 2006 verbonden addendum. Zij dient hetzelfde lot te ondergaan. III. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
  13. Een eerste middel is afgeleid uit de schending “van de artikelen 18, 21, 47 en 48 van de Nieuwe Wapenwet, de twee laatste bepalingen in samenlezing met het beginsel van de niet-retroactiviteit (artikel 2 burgerlijk wetboek) alsook van artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie”. In een eerste onderdeel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissingen werden genomen op grond van de artikelen 18 en 21 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (hierna: de nieuwe wapenwet) en dat daarbij werd verwezen naar het vermeend onreglementair vervoer van wapens en munitie, bij gebreke aan het niet opbergen in een wapenkoffer en het niet voorzien van een trekkerslot. De nieuwe wapenwet is evenwel pas (gedeeltelijk) in werking getreden op 9 juni 2006 en is niet van toepassing op feiten die dateren van december 2005 en dus van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wapenwet. Bovendien waren noch artikel 18 betreffende de afgifte van wapens bij een erkend persoon na een beslissing tot intrekking, noch artikel 21 van de nieuwe wapenwet inzake het vervoer van wapens reeds in werking getreden. In een tweede onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissingen ook niet kunnen steunen op de oude wapenwet, aangezien daarin geen bepaling was opgenomen die vereist dat jachtwapens bij vervoer naar het jachtterrein in een wapenkoffer worden opgeborgen of voorzien zijn van een trekkerslot. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 november 1991 dat bepaalt dat sommige wapens vervoerd moeten worden in een afgesloten handkoffer of XII-4889-8/16 voorzien zijn van een onafhankelijk mechanisme dat het afvuren tijdelijk belet, is enkel van toepassing op verweervuurwapens en niet op jachtwapens.
  14. In de memorie van antwoord doet verwerende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel gelden dat als de nieuwe wapenwet niet retroactief zou kunnen worden toegepast, de overheid in een juridisch vacuüm zou terechtkomen, en het openbaar belang zou worden geschaad, wat zeker niet de bedoeling was van de wetgever. Vanaf 9 juni 2006 trad artikel 13 van de nieuwe wapenwet in werking en heeft de gouverneur ook inzake jacht- en sportwapens de verplichting om bij gevaar voor de openbare orde het voorhanden hebben van die wapens te verbieden, en dit ongeacht het tijdstip waarop de feiten zich hebben voorgedaan. De verwerende partij geeft toe dat artikel 21 van de nieuwe wapenwet nog niet in werking is getreden, maar zij meent dat het de logica zelf is dat het onverpakt vervoeren van wapens samen met de munitie binnen handbereik niet strookt met de openbare veiligheid. De cursus van het Instituut voor Jachtopleiding, uitgegeven door de Sint-Hubertusvereniging, bevat een opleidings- onderdeel voor het jachtexamen waarin wordt aangegeven dat een wapen altijd ongeladen, wapen en munitie apart verpakt, vervoerd moet worden. De verwerende partij merkt op dat het bij de wijze waarop verzoeker zijn wapens en munitie vervoerde eigenlijk om onwettige wapendracht en niet om het vervoer van wapens ging. Verzoeker kon immers geen wettige reden opgeven waarom hij met zijn wapens rondreed. Verzoeker heeft de aantijgingen van het parket van Kortrijk inzake het onveilig vervoer van wapens en munitie en het ontbreken van een wettige reden overigens ook niet betwist, want hij heeft voor deze inbreuken een minnelijke schikking aanvaard. De verwerende partij erkent dat artikel 18 van de nieuwe wapenwet inzake de afgifte van wapens nog niet in werking was getreden, terwijl het vroegere artikel 14 van de oude wapenwet reeds was opgeheven. Volgens de verwerende partij is dit “waarschijnlijk een onzorgvuldigheid door de wetgever wegens de haast waarmee men de nieuwe wapenwet heeft gestemd”. De plicht tot afgifte van de wapens hangt echter samen met de intrekking van de wapen- vergunningen. Verzoeker zou zich immers schuldig maken aan illegaal wapenbezit XII-4889-9/16 indien hij de wapens bij de wapenhandelaar zou gaan ophalen. Artikel 18 van de nieuwe wapenwet is trouwens inmiddels in werking getreden. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, erkent de verwerende partij dat artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 enkel over verweervuurwapens handelt, indien men dit artikel leest zoals het onder de oude wetgeving bedoeld was. Daaruit zou evenwel niet volgen dat enkel bezitters van verweervuurwapens de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen bij het vervoer van wapens in acht moeten nemen. Een jager moet geen draagvergunning bezitten, maar moet bij het vervoer van zijn wapen wel de veiligheidsmaatregelen in acht nemen die een bezitter van een verweervuurwapen moet naleven als hij zonder draagvergunning zijn wapen vervoert. De verwerende partij verwijst hierbij opnieuw naar wat in de cursus van de Sint-Hubertusvereniging gezegd wordt over het transport van wapens. De verwerende partij stelt ook dat voormalige jachtwapens thans vergunningplichtige wapens geworden zijn, wat betekent dat in artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 de term “verweervuurwapens” nu moet gelezen worden als “vergunningsplichtige wapens”. In de aanhef van de bestreden besluiten wordt naar het koninklijk besluit van 20 september 1991 verwezen, en niet naar artikel 21 van de nieuwe wapenwet dat immers nog niet in werking was getreden.
  15. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat de nieuwe wapenwet pas op 9 juni 2006 gedeeltelijk in werking is getreden, terwijl de feiten waarop de bestreden beslissingen gebaseerd zijn dateren van 23 december
  16. Volgens verzoeker kan de nieuwe wapenwet niet retroactief worden toegepast op feiten die zich vóór de inwerkingtreding ervan afspeelden. De inwerkingtreding van de artikelen 11 en 13 van de nieuwe wapenwet, die in de mogelijkheid tot intrekking van de vergunning voorzien, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Zelfs indien men ervan zou uitgaan dat de nieuwe wapenwet retroactief kan worden toegepast, zou de gouverneur niet hebben kunnen beslissen dat verzoeker de openbare orde en veiligheid in gevaar zou hebben gebracht omdat hij zijn jachtwapens niet in een wapenkoffer had opgeborgen en niet zou hebben voorzien van een trekkerslot. Deze vereisten inzake vervoer van wapens zijn immers XII-4889-10/16 pas opgenomen in artikel 21 van de nieuwe wapenwet dat nog niet in werking is getreden. Verzoeker stelt verder dat het feit dat de wapens niet verpakt werden vervoerd weliswaar niet in overeenstemming was met wat de vermelde jagerscursus aanbeveelt, maar dat deze cursus niet als een wettelijke bepaling kan worden beschouwd. In de bestreden beslissingen wordt bovendien geen gewag gemaakt van onwettige wapendracht. Het betoog van verwerende partij desbetreffend doet dan ook niet terzake. Verzoeker merkt op dat het feit dat hij een minnelijke schikking van het parket aanvaard heeft geen schuldbekentenis inhoudt en niet betekent dat de feiten strafrechtelijk bewezen zouden zijn. Verzoeker stelt vast dat er op het ogenblik van de bestreden beslissingen geen wettelijke basis was om de afgifte of overdracht van zijn wapens te bevelen. Het verweer van de verwerende partij komt er op neer dat zij zonder enige wettelijke grondslag willekeurige beperkingen aan rechtsonderhorigen kan opleggen. Betreffende het tweede onderdeel van het middel beklemtoont verzoeker dat aan de oude wapenwet evenmin enige rechtsgrond kon worden ontleend om tot de intrekking van de vergunningen en van de registratie van zijn wapens over te gaan. In de oude wapenwet was immers geen enkele bepaling opgenomen die vereist dat jachtwapens bij vervoer naar het jachtterrein in een wapenkoffer moeten worden opgeborgen of voorzien moeten zijn van een trekkerslot. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 2001 is immers niet van toepassing op jachtwapens, maar op verweervuurwapens. Dat de verwijzing in artikel 17 naar “verweervuurwapens” thans -ten gevolge van artikel 6 van het koninklijk besluit van 29 december 2006- moet worden gelezen als “vergunnings- plichtige wapens” kan niet meebrengen dat de verplichtingen inzake vervoer van verweervuurwapens ook van toepassing zouden zijn voor het vervoer van jachtwapens vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wapenwet en van het koninklijk besluit van 29 december
  17. Dat verzoeker de aanbevelingen die in de cursus voor jagers waarnaar de verwerende partij verwijst niet zou hebben nageleefd, kan de bestreden beslissingen niet rechtvaardigen. XII-4889-11/16
  18. In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij nog onder meer dat de intrekking niet louter genomen is wegens het onveilig vervoer, maar ook wegens het onveilig hanteren van wapens, wat de afwezigheid impliceert van een wettige reden om wapens te dragen, dat artikel 21 van de nieuwe wapenwet, ook al kan het niet dienen als rechtsgrond voor de bestreden beslissingen, wel aantoont wat de wetgever in de huidige maatschappij belangrijk vindt bij het vervoer van alle vergunningplichtige wapens, ook jachtwapens, dat de tekst van artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 verduidelijkt onder welke omstandigheden iemand in het bezit van een verweervuurwapen toch zijn wapen mag vervoeren zonder dat hij daarvoor een draagvergunning moet hebben en dat het niet automatisch impliceert dat enkel bezitters van een verweervuurwapen deze veiligheidsmaatregelen bij het vervoer van hun wapens in acht moeten nemen, dat “iedereen” van oordeel is dat de veiligheidsmaatregelen vermeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 naar analogie moeten worden toegepast op jagers. Beoordeling
  19. Blijkens hun verplichte formele motivering, zijn de beslissingen van 20 juli 2006 en 10 augustus 2006 wezenlijk genomen op grond van de overwegingen dat op 23 december 2005 werd vastgesteld dat verzoeker “in zijn wagen jachtwapens en munitie op een niet reglementaire manier vervoerde” en “de voorschriften van de wapenwet inzake de veilige bewaring van vuurwapens en munitie niet naleeft”, inzonderheid doordat “deze wapens niet opgeborgen waren in een wapenkoffer en niet voorzien waren van een trekkersslot” en “er overal verspreid in de wagen jachtmunitie lag”.
  20. Dat verzoeker zich op 23 december 2005 niet alleen aan het onwettig vervoer van jachtwapens schuldig zou hebben gemaakt, maar ook aan het onwettig dragen ervan, en dat hij dus tevens een inbreuk zou hebben begaan op artikel 13 van de oude wapenwet waarin bepaald wordt dat het dragen van een jacht- of sportwapen enkel is toegelaten aan hem die een wettige reden kan doen gelden, is te dezen niet relevant. Tevergeefs doet verwerende partij gelden dat deze elementen “duidelijk vervat [zitten] in het dossier”. Alleen datgene waarop de verwerende partij zich in haar verplicht te motiveren beslissingen heeft gesteund, doet terzake. XII-4889-12/16 Welnu, voortgaand op hun formele motivering, kunnen die beslissingen niet geacht worden op feiten van onwettige wapendracht gebaseerd te zijn. Terzake meegaan met verwerende partij zou erop neerkomen aan de bestreden beslissingen een nieuwe grondslag te geven. Het komt de Raad van State evenwel niet toe het motief van de onwettige wapendracht in de plaats te stellen van de motieven die in de bestreden beslissingen worden opgegeven.
  21. Met betrekking tot het vervoer van vuurwapens bepaalt artikel 21van de nieuwe wapenwet : “Het vervoeren van vuurwapens is slechts toegelaten aan : 1° houders van een erkenning overeenkomstig artikel 5 of artikel 6, voorzover de wapens ongeladen zijn; 2° houders van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en personen bedoeld in artikel 12, voorzover de wapens vervoerd worden tussen hun woonplaats en hun verblijfplaats, of tussen hun woon- of verblijfplaats en de schietstand of het jachtterrein, of tussen hun woon- of verblijfplaats en een erkende persoon. Tijdens het vervoer dienen de vuurwapens ongeladen en verpakt te zijn in een afgesloten koffer, of voorzien te zijn van een trekkerslot of een equivalente beveiliging; 3°/ houders van een wapendrachtvergunning; 4°/ personen die uitsluitend met dit doel een erkenning overeenkomstig artikel 5 hebben verkregen; 5°/ professionele internationale vervoerders, mits de wapens op Belgisch grondgebied niet worden uitgeladen of overgeladen. De personen bedoeld in het eerste lid, 4°, moeten geen beroepsbekwaamheid bewijzen, maar voldoen aan alle wettelijke voorwaarden om beschouwd te kunnen worden als professionele vervoerders. Internationale vervoerders, die niet voldoen aan het eerste lid, 5°, en die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, moeten niet worden erkend, maar bewijzen dat zij hun activiteit in de betrokken lidstaat mogen uitoefenen”. Artikel 21 van de nieuwe wapenwet heeft geen terugwerkende kracht en is zelfs nog niet in werking getreden. De bepalingen van artikel 21 zijn derhalve in deze zaak niet toepasselijk. Terecht stelt verwerende partij zelf dat het artikel “niet [kan] dienen als rechtsgrond voor de bestreden beslissingen”.
  22. Evenmin kan de verplichting die is ingeschreven in het artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, als die rechtsgrond dienen. Ten tijde van de feiten van 23 december 2005 en van de bestreden beslissingen luidden het eerste en tweede lid van artikel 17 : XII-4889-13/16 “Een ieder die een verweerwapen draagt buiten zijn woonplaats of zijn verblijfplaats, moet houder zijn van een vergunning tot het dragen van een verweerwapen, die hij gehouden is te overhandigen aan de leden van de diensten bedoeld in artikel 24 van de wet wanneer die in het kader van het door hen uitgeoefende toezicht daarom verzoeken. Vrijgesteld van die voorwaarde is de houder van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweerwapen: 1/ die bedoeld wapen draagt op de vuurlijn van een schietbaan, waarvan de toegang door de exploitant wordt gereserveerd voor bepaalde personen of voor bepaalde organisaties en de leden ervan, en waarvan de exploitatie op geldige wijze is toegestaan; 2/ die zich van zijn woonplaats naar zijn verblijfplaats begeeft of van één van die plaatsen naar een schietbaan of naar de plaats waar een erkend persoon zijn activiteit uitoefent, en het wapen in ongeladen toestand en buiten handbereik vervoert, hetzij in een afgesloten handkoffer, hetzij in een willekeurige verpakking op voorwaarde dat het wapen uitgerust is met een onafhankelijk mechanisme dat het afvuren tijdelijk belet”. Artikel 17, tweede lid, 2/, bepaalt derhalve dat iemand die zich met een vergund verweervuurwapen van zijn woonplaats naar zijn verblijfplaats begeeft of van één van die plaatsen naar een schietbaan daarvoor geen draagvergunning moet hebben op voorwaarde dat hij bij het vervoer van zijn wapens bepaalde voorzorgen in acht neemt. Ten onrechte meent de verwerende partij dat, aangezien ook jagers geen draagvergunning moeten hebben, zij dus dezelfde veiligheidsmaatregelen in acht moeten nemen. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 handelt nu eenmaal uitsluitend over verweervuurwapens en is derhalve niet van toepassing met betrekking tot de jachtwapens die verzoeker op 23 december 2005 vervoerde.
  23. In zoverre de verwerende partij aan verzoeker tegenwerpt dat de wijze waarop hij zijn wapens vervoerde niet in overeenstemming was met de voorzorgen die beschreven zijn in de cursus die met het oog op het jachtexamen uitgegeven wordt door de Sint-Hubertusvereniging, moet worden vastgesteld dat die aanbevelingen geen reglementaire waarde hebben Trouwens bevestigen de aanbevelingen met zoveel woorden dat “er voor het transport van jachtwapens geen specifieke wettelijke reglementering bestaat”. De verwerende partij kan die aanbevelingen bijgevolg niet inroepen om aan verzoeker een niet reglementair vervoer van zijn jachtwapens te verwijten. XII-4889-14/16
  24. Ook het argument, ten slotte, dat verzoeker de aantijgingen inzake onveilig vervoer van wapens en munitie niet heeft betwist aangezien hij een voorstel tot minnelijke schikking van het parket heeft aanvaard, bewijst niet dat hem terecht wordt verweten jachtwapens op een niet-reglementaire wijze te hebben vervoerd en de voorschriften van de wapenwet te hebben miskend. Zo er uit de aanvaarding van de minnelijke schikking überhaupt al tot enige erkenning in hoofde van verzoeker besloten mag worden, dan toch alleen maar tot de erkenning dat hij inderdaad jachtwapens onverpakt en onbeveiligd vervoerd heeft.
  25. Het blijkt niet dat verzoeker, door op 23 december 2005 zijn jachtwapens en munitie te hebben vervoerd zoals hij heeft gedaan, de geldende regelgeving heeft miskend. Het is ten andere juist om onder meer op dat punt tot strengere voorschriften te komen dat op 8 juni 2006 de nieuwe wapenwet is aangenomen. Deze vaststelling volstaat om de bestreden beslissingen van de gouverneur geheel te vernietigen. Het middel is tenminste in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  26. Vernietigd worden de beslissingen van 20 juli 2006, 10 augustus 2006 en 18 september 2006 van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen met betrekking tot, eensdeels, de intrekking van de vergunningen van Henri Dewicke tot het voorhanden hebben van twee geweren van het merk Browning FN en, anderdeels, de schrapping van de berichten van overdracht van zijn geweer van het merk Grimard Edgard, zijn geweer van het merk Beretta Pietro en zijn geweer van het merk Deceuninck Frères. Artikel
  27. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-4889-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4889-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.175 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.