← België

Arrest 180182 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.182 Rolnummer: A. 144131/XII-3984 Zaak: Arrest 180182 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-26 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:42 Fiche Arrest nr 180.182 van 28 februari 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.182 van 28 februari 2008 in de zaak A. 144.131/XII-3984. In zake : Jozef VREVEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. Segers, kantoor houdende te Beringen, Hasseltsesteenweg 136 tegen : de GEMEENTE DIEPENBEEK, die woonplaats kiest bij advocaat S. Debrabandere, kantoor houdende te Diepenbeek, Spoorstraat 21. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef Vreven op 17 november 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het gemeenteraadsbesluit van 7 april 2003 van de gemeente Diepenbeek, waarbij hij ambtshalve wordt ontslagen met terugwerkende kracht vanaf 12 november 2002; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 8 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Schouten, die loco advocaat S. Debrabandere verschijnt voor de verwerende partij; XII-3984-1\7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Verzoeker is sinds 1 september 1967 vast benoemd als onderwijzer aan de gemeentelijke basisschool van Diepenbeek. Op 22 november 1999 wordt hij met ingang van 1 september 2000 ter beschikking gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen. Tijdens de periode van de terbeschikkingstelling wordt hem een wachtgeld toegekend. 1.2. Bij vonnis van 29 juni 2001 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank te Hasselt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel gedurende een termijn van drie jaar en de ontzetting uit de rechten vermeld in artikel 31, 1/, 3/, 4/ en 5/, van het Strafwetboek gedurende vijf jaar. Bij arrest van 19 december 2002 bevestigt het hof van beroep te Antwerpen in hoofdorde op strafgebied de door de eerste rechter opgelegde straffen. Bij arrest van 12 november 2002 wordt het cassatieberoep van verzoeker verworpen. 1.3. Op 4 maart 2003 wijst het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - afdeling Beleidsuitvoering Personeel Basisonderwijs, de gemeente Diepenbeek op het bepaalde in artikel 60, 1/, b), en 4/, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna: het rechtspositiedecreet) en vraagt “de nodige maatregelen” te nemen met betrekking tot het ontslag van verzoeker. 1.4. Op 7 april 2003 beslist de gemeenteraad van Diepenbeek verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 12 november 2002, ambtshalve en zonder opzegging te ontslaan. XII-3984-2\7 Bij een ter post aangetekend schrijven van 8 april 2003 wordt de voornoemde beslissing aan verzoeker ter kennis gebracht. Verzoeker tekent op 30 april 2003 bij de kamer van beroep van het gesubsidieerd officieel onderwijs bezwaar aan tegen de voornoemde gemeenteraadsbeslissing. Op 2 juli 2003 beslist de kamer van beroep het beroepsschrift van verzoeker wegens onbevoegdheid te verwerpen. De ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Verwerende partij werpt op dat verzoeker bij aangetekend schrijven van 8 april 2003 in kennis werd gesteld van de bestreden beslissing van de gemeenteraad en dat de termijn voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring ruimschoots werd overschreden. 2.2. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker door de verwerende partij niet op de hoogte is gebracht van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals die bepaling toen gold, doet de kennisgeving de termijn voor het indienen van een annulatieberoep derhalve niet aanvangen. Het beroep is niet laattijdig. De exceptie wordt verworpen. De gegrondheid van het beroep 3.1. In een eerste middel, afgeleid uit de schending van de hoorplicht, minstens de zorgvuldigheidsplicht, voert verzoeker aan dat de gemeente Diepenbeek bij het nemen van de bestreden beslissing de hoorplicht heeft miskend waartoe zij nochtans gehouden is wanneer zij ten aanzien van een personeelslid een dergelijke drastische en ongunstige maatregel wenst te treffen en dat hij minstens in de gelegenheid gesteld had moeten worden om zijn standpunt op nuttige wijze kenbaar te maken. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daar aan toe in ’s Raads arrest nr. 64.018, Huyghe, van 15 januari 1997, steun te vinden voor zijn argument. De laatste memorie is een woordelijke herhaling van zijn eerdere argumentatie. 3.2. Artikel 60, 1/, b), en 4/, van het rechtspositiedecreet bepaalde ten tijde van de bestreden beslissing wat volgt: XII-3984-3\7 “Onverminderd de bepalingen van artikel 21 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling wordt het tijdelijk aangestelde of het vast benoemde personeelslid voor zover niet anders bepaald, ambtshalve en zonder opzegging uit zijn ambt ontslagen : 1/ indien het niet meer voldoet aan de volgende voorwaarden :

  1. a)onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie zijn, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;
  2. b)de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in a); [...] 4/ indien het zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft; [...] ”. 3.3. Verzoeker betwist niet dat zijn ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 31, 1/, 3/, 4/, en 5/, van het Strafwetboek hem onder de toepassing brengt van meervermeld artikel 60, 1/, b), en 4/, van het rechtspositiedecreet. Die in artikel 60 van het rechtspositiedecreet bedoelde maatregel waarbij de betrokkene als gevolg van de beroving van zijn burgerlijke en politieke rechten ambtshalve en zonder opzegging uit zijn ambt wordt ontslagen, is te beschouwen als een constitutieve beslissing -zolang de beslissing niet is genomen, is verzoeker niet ontslagen- bij gebonden bevoegdheid van de overheid, wat betekent dat het bestuur bij het nemen ervan geen enkele discretionaire bevoegdheid heeft. Eenmaal de geciteerde voorwaarden zijn vervuld moet het bestuur ambtshalve de bij het rechtspositiedecreet opgelegde beslissing nemen. Bij het beantwoorden van de vraag óf de voorwaarden vervuld zijn beschikt het bestuur niet over enige appreciatieruimte. Aangezien dit ambtshalve ontslag geen tuchtstraf is, zijn de rechten van verdediging niet van toepassing. Verzoeker moet ook niet worden gehoord. Het horen van de betrokkene heeft immers maar zin voor zover de overheid over een beoordelingsmarge beschikt, wat hier niet het geval is aangezien het statuut aan het verlies van de burgerlijke en politieke rechten automatisch de verplichting koppelt om het ambtshalve ontslag uit te spreken. Verzoeker zoekt voor zijn rechtsopvatting tevergeefs steun in de leer van het door hem aangehaalde arrest Huyghe, waar de bestreden beslissing immers geen ambtshalve ontslag op grond van het verlies van de burgerlijke of politieke rechten betrof, maar wel een ontslag wegens een vermeende ongeoorloofde afwezigheid, waarbij de zorgvuldigheidsplicht inderdaad vereist dat de betrokkene, XII-3984-4\7 alvorens de maatregel wordt genomen, op nuttige wijze voor zijn standpunt kan opkomen. Het antwoord op de vraag óf een afwezigheid ongewettigd is, kan immers een appreciatie door het bestuur vergen. Het middel is ongegrond. 4.1. In een tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 17 van het rechtspositiedecreet, voert verzoeker aan dat hij ambtshalve werd ontslagen na een veroordeling waarbij hij uit zijn rechten werd ontzet naar aanleiding van een feit uit zijn privé-leven en dat voormeld artikel 17 duidelijk voorschrijft dat feiten uit het privé-leven die geen weerslag hebben op de relatie leerling-personeelslid, geen aanleiding kunnen geven tot een maatregel vanwege de inrichtende macht. Hij wijst er nog op dat deze feiten des te minder een weerslag kunnen hebben op zijn relatie met de school aangezien hij op 1 september 2000 ter beschikking werd gesteld. In zijn memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en preciseert hij nog dat het begrip “maatregel” waarvan sprake in artikel 17 niet tot een tuchtmaatregel verengd mag worden en dat ook het ambtshalve ontslag onder de brede betekenis van “maatregel” als bedoeld in artikel 17 moet worden begrepen. Dit alles herhaalt hij, nogmaals, in de laatste memorie. 4.2. Luidens artikel 17 van het rechtspositiedecreet kunnen feiten uit het privé-leven die geen weerslag hebben op de relatie tussen de leerling en het per- soneelslid of op het schoolleven geen aanleiding geven tot een maatregel vanwege de inrichtende macht. 4.3. Verzoeker gaat eraan voorbij dat niet de feiten uit zijn privé-leven de aanleiding zijn voor zijn ontslag doch wel zijn definitieve veroordeling waarbij hij wordt ontzet uit zijn rechten. Met de bestreden beslissing heeft de gemeenteraad enkel het materieel feit van zijn verlies van het recht om als personeelslid in het onderwijs te fungeren, vastgesteld. Het ambtshalve ontslag van verzoeker wordt door het decreet van 27 maart 1991 voorgeschreven en hangt niet af van een discretionaire maatregel van de gemeenteraad. Het middel is ongegrond. XII-3984-5\7 5. Verzoeker schrijft in fine van zijn verzoekschrift dat het “mogelijk” ook “aangewezen” is om aan het Grondwettelijk Hof te vragen of artikel 60, 1/, b), van het rechtspositiedecreet “het gelijkheidsbeginsel van artikel 10, 11 en 24 § 4 van de Grondwet niet schendt” en “tevens artikel 17 van hetzelfde decreet schendt”. Verzoeker heeft in het verzoekschrift de schending van de hoorplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 17 van het rechtspositiedecreet aangevoerd, maar hij heeft geen middel ontwikkeld dat is afgeleid uit de schending van de genoemde grondwetsbepalingen. Het eerste onderdeel van de door verzoeker gesuggereerde vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof past bijgevolg in geen van de beide door hem aangevoerde annulatiemiddelen, zodat het antwoord erop hoe dan ook niet tot de gegrondheid van één ervan zou kunnen leiden. Voorts heeft het Grondwettelijk Hof geen rechtsmacht om het tweede onderdeel van de vraagstelling -de vraag of artikel 60 van het rechtspositiedecreet artikel 17 van hetzelfde decreet schendt- te onderzoeken. Het verzoek tot prejudiciële vraagstelling is dienvolgens niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-3984-6\7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3984-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.