id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.183 Rolnummer: A. 145289/XII-4007 Zaak: Arrest 180183 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 28/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:42 Fiche Arrest nr 180.183 van 28 februari 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.183 van 28 februari 2008 in de zaak A. 145.289/XII-
- In zake : Fred WAUMANS, wonende te Hasselt, Herkerstraat 14 tegen : de HOGESCHOOL LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3R. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Fred Waumans op 15 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 oktober 2003 van de raad van bestuur van de Hogeschool Limburg waarbij de beslissing van het college van beroep inzake bevorderingen van 4 september 2003 wordt bekrachtigd en van de beslissing van 30 juni 2003 van de raad van bestuur houdende bekrachtiging van de bevorderingen tot hoofdlector in het departement handelswetenschappen en bedrijfskunde met ingang van 1 juli 2003; Gelet op het arrest nr. 176.151 van 25 oktober 2007, waarbij de debatten werden heropend om de belanghebbende partijen toe te staan alsnog in de zaak tussen te komen en waarbij de zaak werd vastgesteld op de openbare terechtzitting van 15 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. Swartebroeckx, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; XII-4007-1/11 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is sedert 1 april 2001 vast benoemd als lector aan de Hogeschool Limburg. Op 23 oktober 2002 beslist de raad van bestuur van de hogeschool dat aan het departement handelswetenschappen en bedrijfskunde (HWB) 4 mandaten van hoofdlector te begeven zijn. Op 20 februari 2003 dient verzoeker een kandidatuur in voor één van de te begeven ambten. 1.
- Op 5 mei 2003 beslist de daartoe aangestelde bevorderingscom- missie dat verzoeker niet voldoet aan de gestelde anciënniteitsvoorwaarde “dat men minstens twee jaar benoemd moet zijn als lector (artikel 7 § 1 van het bevorderings- reglement)”. 1.
- Bij schrijven van 8 mei 2003 tekent verzoeker bij het college van beroep voor bevorderingen van de hogeschool het volgend bezwaar aan : “Op 24 april ll. werd mij telefonisch medegedeeld dat ik mij niet mocht aanbieden op het interview met de kandidaten voor een bevordering dat plaats zou hebben op 25 april. Hiervoor was ik eerder met een brief gedateerd op 02-04-2003 uitgenodigd. Ik zou van deze afwijzing nog een schriftelijke bevestiging krijgen. Tot op heden heb ik die niet ontvangen, en om te voorkomen dat de termijn om tegen deze beslissing in beroep te gaan zou verstrijken, teken ik nu reeds beroep aan. Ik meen aan alle voorwaarden te voldoen die in ‘Het reglement betreffende de procedure en de voorwaarden voor de toewijzing van bevorderingsambten bij het O.P. van de Hogeschool Limburg’ gesteld worden : Mijn vaste benoeming is ingegaan op 01-04-2001, en ben dus conform Art. 7 § 1 b twee jaar vast benoemd, zeker op de datum waarop men mij de uitnodiging verstuurde om mijn portfolio mondeling te komen toelichten (art. 8 §4). De algemeen directeur stelt dat de intrekking van die uitnodiging gebaseerd is op het feit dat het bevorderingsreglement bepaalt dat men op het moment van de aanvraag tot bevordering twee jaar vast benoemd moet zijn. Dit staat er niet. XII-4007-2/11 Een tweede bemerking die ik heb is dat volgens art. 14 van het syndicaal statuut, de vakorganisaties moeten kunnen toezien of de procedure bij examens correct verlopen. Navraag leert mij dat deze niet werden uitgenodigd. In de overtuiging dat deze twee elementen voldoende zijn om tegen de beslissing om mijn kandidatuur niet langer in aanmerking te nemen, beroep aan te tekenen, groet ik u met bijzondere achting”. 1.
- Met brief van 19 mei 2003 deelt de algemeen directeur van de hogeschool verzoeker mee : “Onlangs ontving ik uw beroepschrift tegen de bevorderingsprocedure. Ik wens hieromtrent te verwijzen naar artikel 15 § 1 van het bevorderings- reglement, waarin duidelijk staat vermeld dat niet weerhouden kandidaten binnen de 15 kalenderdagen na kennisgeving van de beslissing van de Raad van Bestuur beroep kunnen aantekenen bij het college van beroep. Vermits op dit ogenblik door de Raad van Bestuur nog geen beslissing werd genomen over de bevorderingsprocedure of over de toewijzing van de bevorderingsambten is uw klacht voorbarig. Er lopen op dit moment ook nog geen termijnen betreffende beroepsmogelijkheden. Omdat uw huidig beroep op dit ogenblik elke grond mist, kan er geen verder gevolg aan worden gegeven. Eventueel kunt u uw klacht opnieuw formuleren naar aanleiding van de betekening van de beslissing van de Raad van Bestuur. Volgens de huidige planning zal dit punt tijdens de vergadering van juni door de Raad van Bestuur worden behandeld”. 1.
- Op 5 juni 2003 beslist de departementsraad HWB enerzijds kennis te nemen van het feit dat de kandidatuur van verzoeker niet werd aangenomen en anderzijds vier personeelsleden te bevorderen tot het ambt van hoofdlector. 1.
- Op 10 juni 2003 wordt verzoeker door het college van beroep voor bevorderingen gehoord. Op diezelfde dag beslist het college van beroep voor bevorderingen als volgt : “Bij een op 8 mei 2003 ter post aangetekend schrijven, hetwelk op 9 mei 2003 werd uitgereikt, tekende de heer Waumans Fred beroep aan tegen een telefonische kennisgeving van 24 april 2003 van de heer Algemeen Directeur mededelend dat verzoeker niet zou voldoen aan de voor bevordering gestelde bevorderingscriteria. Bij een op 26 mei 2003 ter post aangetekend schrijven werd verzoeker uitgenodigd op de door het College van Beroep voor de behandeling van dit verhaal geplande openbare zitting van dinsdag, 10 juni
- De heer Waumans Fred was op deze zitting aanwezig en werd verhoord aangaande de redengeving van zijn verhaal, zijn grieven en argumenten. Hij werd voor zijn verdediging bijgestaan door zijn raadsman. XII-4007-3/11 Met toepassing van artikel 15 § 5 van het bevorderingsreglement werd de heer Algemeen Directeur, als voorzitter van de bevorderingscommissie, op dezelfde zitting opgeroepen voor verhoor. De heer Algemeen Directeur was aanwezig en werd verhoord over het verloop van deze bevorderingsronde in het algemeen en de situatie van verzoeker in het bijzonder. Alvorens het verhaal ten gronde te kunnen behandelen moet het College van Beroep de ontvankelijkheid van het ingediend verhaal onderzoeken. Het verhaal werd binnen de door artikel 15 § 1 van het bevorderingsreglement gestelde termijn van 15 kalenderdagen ingediend en is gericht tegen de mondelinge kennisgeving van een beslissing van de bevorderingscommissie aangaande het al dan niet vervullen van de bevorderingscriteria. Het bevorderingsreglement voorziet evenwel geen recht van beroep tegen de beslissingen van de bevorderingscommissie. Alle beslissingen in zake bevorderingen moeten met toepassing van artikel 14 van het bevorderings- reglement ter bekrachtiging aan de Raad van Bestuur worden voorgelegd. Uitsluitend tegen deze beslissingen van de Raad van Bestuur kan krachtens artikel 15 § 1 van het bevorderingsreglement beroep aangetekend worden. In die omstandigheden is het door de heer Waumans Fred ingediend beroep niet toelaatbaar. Aldus met eenparigheid beslist en uitgesproken ter zitting van 10 juni 2003 van het College van beroep voor bevorderingen, alwaar zitting hadden de heren : [...]”. 1.
- Op 30 juni 2003 beslist de raad van bestuur van de hogeschool de beslissing van 10 juni 2003 van het college van beroep voor bevorderingen aangaande het verhaal van verzoeker te bekrachtigen. Vervolgens beslist de raad van bestuur de beslissing van de departementsraad HWB om met ingang van 1 juli 2003 de personeelsleden R. D’Exelle, C. Nuyts, A. Thiry en M. Verdickt tot hoofdlector te bevorderen te bekrachtigen. 1.
- Bij schrijven van 1 juli 2003 deelt de algemeen directeur van de hogeschool verzoeker mede : “Onlangs solliciteerde u voor een bevorderingsambt in het departement HWB. Volgens artikel 10 van het bevorderingsreglement diende de bevorderingscommissie de kandidaturen te onderzoeken. Dit gebeurde op 23 april
- Uw kandidatuur werd door de commissie niet weerhouden. Vermits u op 1 april 2001 werd benoemd voldeed u op de uiterste datum dat de kandidaturen moesten worden ingediend, nl. 22 februari 2003, niet aan de voorwaarde dat men minstens twee jaar benoemd moet zijn als lector. Deze beslissing ligt in de lijn van het advies van de regeringscommissaris hieromtrent. Bovendien kwam u ook niet in aanmerking voor de afwijking op deze voorwaarde die is voorzien in artikel 7 § 1 van het bevorderingsreglement. Op 9 mei 2003 tekende u beroep aan tegen deze beslissing. Op 10 juni 2003 besliste het college van beroep dat dit beroep niet toelaatbaar was. Deze beslissing werd op 30 juni 2003 door de Raad van Beroep bekrachtigd. Op 5 juni 2003 nam de departementsraad een beslissing inzake de bevordering van de geslaagde kandidaten. Deze beslissing werd op 30 juni 2003 XII-4007-4/11 door de Raad van Bestuur bekrachtigd, zodat het bevorderingsdossier werd afgerond. Conform artikel 15 van het bevorderingsreglement kan u binnen de 15 kalenderdagen na deze kennisgeving op gemotiveerde wijze beroep aantekenen tegen deze beslissing”. 1.
- Bij schrijven van 10 juli 2003 tekent verzoeker bij het college van beroep voor bevorderingen het volgend bezwaar aan : “Het college van beroep heeft zich niet over de grond van mijn beroep [...] uitgesproken. Daarom teken ik opnieuw beroep aan tegen de beslissing van de bevorderingscommissie om mij niet tot de mondelinge verdediging toe te laten, ik doe dit met dezelfde argumenten als in mijn brief van 8 mei. Ik meen aan alle voorwaarden te voldoen die in ‘Het reglement betreffende de procedure en de voorwaarden voor de toewijzing van bevorderingsambten bij het O.P. van de Hogeschool Limburg’ gesteld worden : Mijn vaste benoeming is ingegaan op 01-04-2001, en ben dus conform Art. 7 §1 b twee jaar vast benoemd, zeker op de datum waarop men mij de uitnodiging verstuurde om mijn portfolio mondeling te komen toelichten (art. 8 §4). De algemeen directeur stelt dat de intrekking van die uitnodiging gebaseerd is op het feit dat het bevorderingsreglement bepaalt dat men op het moment van de aanvraag tot bevordering twee jaar vast benoemd moet zijn. Dit staat er niet. Een tweede bemerking die ik heb is dat volgens art. 14 van het syndicaal statuut, de vakorganisaties moeten kunnen toezien of de procedures bij examens correct verlopen. Navraag leert mij dat deze niet werden uitgenodigd. In de overtuiging dat deze twee elementen voldoende zijn om tegen de beslissing om mijn kandidatuur niet langer in aanmerking te nemen, beroep aan te tekenen, groet ik u met bijzondere achting”. 1.
- Op 28 augustus 2003 wordt verzoeker andermaal door genoemd college gehoord. Op 4 september 2003 beslist het college als volgt : “Gelet op de beslissing van 10 juni 2003 van het College van Beroep voor Bevorderingen waarbij een door de heer WAUMANS Fred ingediend vorig verhaal niet toelaatbaar werd geacht; Gelet op de beslissing van 30 juni 2003 van de Raad van Bestuur waarbij voormelde beslissing bekrachtigd werd; Gelet op het schrijven gedagtekend op 10 juli 2003 en ter post op 12 juli 2003 aangetekend verzonden, waarbij de heer WAUMANS Fred opnieuw beroep tekent tegen dezelfde beslissing van de bevorderingscommissie op grond van dezelfde argumenten; Gelet op het op 18 juli 2003 ter post aangetekend schrijven waarbij de heer WAUMANS Fred werd uitgenodigd op de door dit College voor de behandeling van zijn verhaal geplande openbare zitting op donderdag, 28 augustus 2003; Gehoord de heer WAUMANS Fred aangaande de redengeving van zijn verhaal en de aangevoerde argumenten; Gehoord de heer Algemeen Directeur over het verloop van deze bevorderingsronde ten aanzien van verzoeker; XII-4007-5/11 Het College van Beroep voor Bevorderingen stelt vast dat de heer WAUMANS Fred in zijn ingediend verhaal van 12 juli 2003, eerste alinea, uitdrukkelijk vermeldt: ‘teken ik opnieuw beroep tegen de beslissing van de bevorderingscommissie om mij niet tot de mondelinge verdediging toe te laten, ik doe dit met dezelfde argumenten als in mijn brief van 8 mei.’ In de beslissing van 10 juni 2003 heeft dit College het vorig verhaal niet toelaatbaar verklaard met de motivering dat een beroep tegen de beslissingen van de bevorderingscommissie reglementair niet voorzien is en beroep uitsluitend kan getekend worden tegen de beslissingen van de Raad van Bestuur. Op 30 juni 2003 heeft de Raad van Bestuur de beslissingen van 5 juni 2003 van de Departementsraad HWB, alsmede voormelde beslissing van 10 juni 2003 van dit College bekrachtigd. Zoals het hem bij schrijven van 1 juli 2003 werd gemeld, had de heer WAUMANS Fred krachtens artikel 15 §1 van het bevorderingsreglement de mogelijkheid tegen die beslissing van de Raad van Bestuur beroep te tekenen, hetgeen hij verzuimde te doen. Het is het College van Beroep niet mogelijk zich in te laten met de grond van de zaak, vermits onderhavig verhaal, zoals het werd ingesteld, hetzelfde voorwerp en dezelfde rechtsgrond heeft als het verhaal van 8 mei 2003, besloten bij definitief geworden beslissing van 10 juni 2003 van dit College. Op grond van het adagium ‘non bis in idem’ kan het College van Beroep niet rechtsgeldig een tweede maal gevat worden van dezelfde betwisting, ingeleid op dezelfde gronden, zodat het College van Beroep voor Bevorderingen enkel kan vaststellen zonder rechtsmacht te zijn en geen bevoegdheid meer te hebben ten aanzien van het op 12 juli 2003 ingediend verhaal. Aldus met eenparigheid beslist en uitgesproken ter zitting van 4 september 2003 van het College van Beroep voor Bevorderingen, alwaar zitting hadden de heren : [...]”. 1.
- Op 21 oktober 2003 tenslotte beslist de raad van bestuur van de hogeschool de voormelde beslissing van 4 september 2003 van het college van beroep te bekrachtigen. De raad overweegt dat het beroep, zoals het werd ingesteld, hetzelfde voorwerp en dezelfde rechtsgrond heeft als het beroep van 8 mei 2003 zodat het college er geen tweede maal over kon beslissen. Bij ter post aangetekend schrijven van 23 oktober 2003 wordt verzoeker van die beslissing in kennis gesteld. De ontvankelijkheid van het beroep
- Het auditoraatsverslag is er toe beperkt op te werpen dat verzoeker heeft nagelaten om te rechter tijd het georganiseerd administratief beroep uit te putten. Het auditoraat ziet het zo, zoals eerder ook het college van beroep en vervolgens de raad van bestuur, dat verzoeker in zijn (tweede) verhaal op 10 juli 2003 niet de beslissing van de raad van bestuur over de bevorderingen bestrijdt maar dat hij enkel teruggrijpt naar een eerder aangevoerde grief, gericht tegen de XII-4007-6/11 beslissing van de bevorderingscommissie. Aangezien verzoeker derhalve niet binnen de voorgeschreven termijn van vijftien kalenderdagen tegen de beslissing van de raad van bestuur van 30 juni 2003 op ontvankelijke wijze beroep heeft ingesteld, is zijn beroep bij de Raad van State daartegen evenmin ontvankelijk. Van de weeromstuit heeft verzoeker volgens het auditoraatsverslag ook geen belang meer bij zijn beroep voor zover het is gericht tegen de beslissing van 21 oktober 2003 over zijn intern verhaal, aangezien de bevorderingsbeslissing van 30 juni 2003 thans onaanvechtbaar is geworden. In de laatste memorie sluit verwerende partij zich aan bij deze exceptie. In de memorie van antwoord had verwerende partij als exceptie dan weer opgeworpen dat de beslissing van 21 oktober 2003 een louter bevestigende beslissing is, en dus niet vatbaar voor beroep bij de Raad van State, en dat het annulatieberoep tegen de beslissing van 30 juni 2003 laattijdig is. Deze excepties vertonen enige samenhang met de ambtshalve door het auditoraat opgeworpen exceptie, in die zin dat een uitspraak over de ene noodzakelijk gevolgen heeft voor de beoordeling van de andere, zoals hierna zal blijken.
- Luidens artikel 15, § 1, van het bevorderingsreglement kunnen “niet weerhouden kandidaten” binnen 15 kalenderdagen na kennisgeving van de beslissing van de raad van bestuur op gemotiveerde wijze beroep aantekenen bij het college van beroep. Deze beroepsmogelijkheid vormt een georganiseerd administratief beroep dat rechtsgeldig uitgeput moet worden vooraleer op ontvankelijke wijze een annulatieberoep kan worden ingesteld bij de Raad van State. Daarenboven impliceert een georganiseerde beroepsprocedure dat het bestuur aan de zaak een nieuw onderzoek moet wijden, waarbij rekening moet worden gehouden met de ingediende bezwaren. Zodoende komt de in beroep genomen beslissing in de plaats van de oorspronkelijke beslissing waarvan beroep, en is dit de uiteindelijk voor de Raad van State aanvechtbare eindbeslissing. Door het niet correct volgen van de intern voorgeschreven rechtsgang, ontzegt een verzoeker zich zelf het recht bij de Raad van State beroep in te stellen tegen de beslissing die in laatste aanleg genomen is, en is zijn annulatieberoep onontvankelijk. XII-4007-7/11
- Te dezen heeft verzoeker op 8 mei 2003 een eerste maal beroep ingediend tegen de gang van zaken bij de bevorderingsronde. De algemeen directeur van de hogeschool op 19 mei 2003, het college van beroep op 10 juni 2003 en de raad van bestuur op 30 juni 2003 hebben aan verzoeker duidelijk gemaakt dat zijn beroep voorbarig was, omdat het bevorderingsreglement enkel in een beroeps- procedure voorziet tegen de eindbeslissing van de raad van bestuur en niet tegen de daaraan voorafgaande, voorbereidende handelingen. Verzoeker heeft zich bij deze zienswijze overigens neergelegd, want hij vecht de beslissing van de raad van bestuur ter zake niet aan. Op 30 juni 2003 neemt dan de raad van bestuur de als tweede voorwerp van het voorliggende annulatieberoep bestreden beslissing om de bevordering met ingang van 1 juli 2003 van vier personeelsleden tot hoofdlector aan het departement HWB te bekrachtigen. In de kennisgeving -op 1 juli 2003- van de laatstgenoemde beslissing van 30 juni 2003 herinnert de algemeen directeur verzoeker er aan dat hij overeenkomstig artikel 15 van het bevorderingsreglement binnen 15 kalenderdagen op gemotiveerde wijze beroep kan aantekenen tegen deze beslissing. Op 10 juli 2003, dus alleszins binnen 15 kalenderdagen na de kennisgeving van 1 juli 2003, tekent verzoeker bij het college van beroep voor bevorderingen het sub 1.
- geciteerde bezwaar aan.
- Uit wat voorafgaat kan reeds één besluit ambtshalve volgen. Ofwel heeft verzoeker gefaald om het georganiseerd administratief beroep naar behoren uit te oefenen. Ofwel heeft verzoeker op rechtsgeldige wijze het beroep ingesteld, bedoeld in artikel 15 van het bevorderingsreglement en dan is de uitspraak van de raad van bestuur over dit beroep, op 21 oktober 2003, de te bestrijden eindbeslissing die in de plaats is gekomen van de in eerste aanleg genomen beslissing. Het geschil spitst zich dan toe op de vraag of die beslissing van 21 oktober 2003 rechtmatig is. In elk van de beide hypothesen evenwel is het beroep niet ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de beslissing van de raad van bestuur van 30 juni
- XII-4007-8/11 Dat de beslissing van 30 juni 2003 niet aanvechtbaar is, impliceert vanzelfsprekend niet dat deze beslissing over de bevorderingen definitief is geworden, aangezien precies nog uitgemaakt moet worden of het intern beroep geldig is uitgeput en zo ja, of de raad van bestuur er ter dege een geldige einduitspraak over heeft getroffen. In voorkomend geval zal de raad van bestuur, recht doende aan verzoekers bezwaar, de beslissing van de departementsraad dienen te vernietigen en de bevorderingsronde te heropenen om de aanspraken van verzoeker nader te onderzoeken.
- Hiervoor is vastgesteld, eensdeels, dat de in beroep genomen eindbeslissing van de raad van bestuur niet mag worden geacht een louter bevestigende beslissing te zijn en, anderdeels, dat het annulatieberoep tegen de beslissing van 30 juni 2003 niet ontvankelijk is. De in de memorie van antwoord opgeworpen exceptie van verwerende partij is dus ten dele ongegrond en ten dele niet meer relevant.
- Rest derhalve de vraag naar de gevolgde bezwaarprocedure. Verzoeker schrijft hierover reeds in het inleidend verzoekschrift dat zijn tweede beroepschrift duidelijk gericht is tegen de beslissing van de raad van bestuur van 30 juni
- Hij geeft toe dat hij zijn voorwerp onzorgvuldig heeft geformuleerd door te stellen “opnieuw” beroep aan te tekenen “tegen de beslissing van de bevorderingscommissie”. Hij verklaart enigszins misleid te zijn geworden door de brief van de algemeen directeur van 19 mei 2003 waar deze zegt dat hij “eventueel zijn klacht opnieuw kan formuleren naar aanleiding van de betekening van de Raad van Bestuur”. Volgens verzoeker is het echter voor elk normaal en zorgvuldig persoon duidelijk dat dit tweede beroep gericht is tegen de beslissing van de raad van bestuur: het eerste beroep was immers afgewezen precies omdat het niet gericht was tegen een beslissing van de raad van bestuur en zijn tweede beroep heeft hij ingediend binnen vijftien kalenderdagen na kennisgeving van de beslissing van de raad van bestuur.
- De Raad van State meent de zienswijze van verzoeker volledig te moeten bijvallen. Is inderdaad de letterlijke formulering van het beroepschrift ongelukkig, dan mag er van een zorgvuldig optredend bestuur in de gegeven context, zoals ze sub 4 is samengevat, worden verwacht dat het bij lectuur van het bezwaarschrift de woorden “beroep [...] tegen de beslissing van de bevorderings- commissie” niet zonder meer naar de letter neemt maar dat het integendeel er van XII-4007-9/11 uitgaat dat eenmaal de raad van bestuur over de bevorderingen een beslissing heeft getroffen en die beslissing aan verzoeker op 1 juli 2003 met mededeling van de beroepsmogelijkheden is ter kennis gebracht, verzoeker thans, met zijn beroep van 10 juli 2003, inderdaad de bedoeling had om beroep in te stellen tegen die beslissing van de raad van bestuur, daarbij als argument wel de onwettigheid van de voorbereidende handeling van de bevorderingscommissie hanterend. De beslissing van de departementsraad, bekrachtigd door de raad van bestuur, om verzoeker niet te bevorderen is immers terug te brengen tot precies de weigering om in zijnen hoofde de anciënniteitsvereiste vervuld te achten.
- Het door het auditoraat ambtshalve gevoerde onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep kan de Raad er niet toe brengen het beroep tegen de beslissing van de raad van bestuur van 21 oktober 2003 af te wijzen. Omdat dit onderzoek de oplossing van de zaak niet mogelijk maakt, is er reden een aanvullend onderzoek te gelasten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen, voor zover het is gericht tegen de beslissing van 30 juni 2003 van de raad van bestuur van de hogeschool Limburg. Artikel
- De debatten worden heropend voor het overige. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. XII-4007-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4007-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.183 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.151 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.