← België

Arrest 180221 - Dierenwelzijn - 28/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.221 Rolnummer: A. 187059/IX-5841 Zaak: Arrest 180221 - Dierenwelzijn - 28/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-05 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 07:42 Fiche Arrest nr 180.221 van 28 februari 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.221 van 28 februari 2008 in de zaak A. 187.059/IX-

  1. In zake : Tanguy COGELS, die woonplaats kiest bij advocaat M. DEN DULK, kantoor houdende te LEEFDAAL, Neerijsesteenweg 6b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tanguy COGELS op 15 februari 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 4 februari 2008 waarbij zijn honden in beslag worden genomen en in volle eigendom worden overhandigd aan het dierenasiel “De Schakel” te Tielt-Winge; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2008, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEN DULK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; IX-5841-1/6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.
  3. Op 21 november 2007 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank te Leuven veroordeeld voor inbreuken op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: de wet van 14 augustus 1986), met name wegens het onvoldoende verzorgen en voederen van zijn 5 schapen en een 80-tal kippen en door toe te laten dat zijn jachthonden vrij rondlopen tussen de kippen en deze aanvallen. Hem wordt ook, voor de duur van één jaar na de betekening van het vonnis, het verbod opgelegd om dieren te houden. Het vonnis blijkt betekend te zijn op 17 december
  4. Er blijkt geen verzet tegen aangetekend te zijn. 1.
  5. Op 3 januari 2008 worden bij verzoeker nieuwe inbreuken op de wet van 14 augustus 1986 en de uitvoeringsbesluiten ervan vastgesteld. Het gaat nu om het niet regelmatig en onvoldoende voorzien in de noodzakelijke verzorging en huisvesting van zijn honden, het kweken van meer dan twee nesten honden per jaar zonder erkenning, het houden van dieren ondanks het rechterlijk verbod en het houden van niet geregistreerde honden. Wegens die inbreuken krijgt verzoeker een aantal maatregelen opgelegd: hij moet te allen tijde proper en voldoende drinkbaar water voorzien voor de honden; de honden moeten dagelijks eten krijgen; voor 25 januari 2008 moet het bewijs overgemaakt worden van de identificatie en de registratie van de honden; tegen dezelfde datum moet de omheining verhoogd worden om het uitbreken van de honden te beletten en hij moet een aanvraag tot erkenning indienen wanneer meer dan twee nesten honden per jaar gekweekt worden. 1.
  6. Bij een controlebezoek op 31 januari 2008 wordt vastgesteld dat de opgelegde maatregelen niet nageleefd worden en worden opnieuw overtredingen vastgesteld. IX-5841-2/6 Omdat blijkt dat verzoeker zijn honden “onvoldoende verzorgt of kan verzorgen”, omdat hij de opgelegde maatregelen niet naleeft en de vastgestelde risico’s het welzijn van de dieren zelf en dat van andere dieren in het gedrang brengen, worden overeenkomstig artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 “alle honden van (verzoeker) in beslag (genomen)” en worden zij, overeenkomstig artikel 42, § 2, van dezelfde wet, in volle eigendom gegeven aan het dierenasiel “De Schakel” te Tielt-Winge, om reden dat -nu verzoeker gedurende één jaar geen dieren meer mag houden- “het niet verantwoord is om honden gedurende 1 jaar in een asiel te houden” en “de kosten van opvang te hoog zouden oplopen”. Er worden bovendien nog een aantal verplichtingen ingesteld voor het geval verzoeker na het verstrijken van de periode waarin hij geen dieren mag houden -17 december 2008- opnieuw dieren gaat houden. Dat alles blijkt uit een proces-verbaal van 4 februari 2008 dat dezelfde dag aan verzoeker overgemaakt is. 1.
  7. De beslissing tot inbeslagname en de eigendomsoverdracht aan het dierenasiel vormt het voorwerp van de onderhavige vordering. De ontvankelijkheid.
  8. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Verzoeker legt zijn belang in het welzijn van de honden, in die zin dat zij -dringend- opvoeding en training nodig hebben, maar dat belang -dat overigens niet bewezen wordt- weegt niet op tegen de vaststelling dat verzoeker flagrant de voorschriften inzake het dierenwelzijn schendt. In die omstandigheden vormen de zeer persoonlijke opvattingen van verzoeker over het dierenwelzijn geen geoorloofd belang.
  9. Aangezien hierna zal blijken dat de vordering tot schorsing verworpen moet worden omdat niet voldaan is aan de wettelijk vastgestelde grondvoorwaarden, wordt de exceptie van de verwerende partij niet onderzocht.
  10. De verwerende partij betwist de bevoegdheid van de Raad van State niet. De Raad wijdt dan ook, in de onderhavige procedure bij hoogdringend- heid, geen onderzoek aan de vraag of hij wel bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, aangezien de bestreden beslagname en de beslissing tot eigendomsover- dracht steun vinden in bepalingen die een plaats hebben in de strafrechtelijke beteugeling van de voorschriften van de wet van 14 augustus 1986 en aangezien de IX-5841-3/6 wet zelf bepaalt dat tegen de toewijzing van het in beslag genomen dier geen verhaal mogelijk is. De voorwaarden voor de schorsing.
  11. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is.
  12. Wat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, stelt verzoeker dat hij, wegens de bestreden beslissing, “zijn honden nooit meer zal terugzien” omdat enkele door ouderdom overleden zullen zijn en omdat de jonge honden dringend bij hem moeten komen op gevaar af vervreemd te geraken en hun opvoeding als jachthond te bezwaren.
  13. De verwerende partij antwoordt daar op dat verzoeker wegens zijn correctionele veroordeling sedert 17 december 2007 geen dieren meer mag houden en dat het aangevoerd nadeel wezenlijk daarin zijn grondslag vindt. Zij voegt daaraan toe dat de maatregel geïnspireerd is door het welzijn van de dieren, dat de eigendomsoverdracht daadwerkelijk gebeurd is, dat verzoeker geen bewijzen van zijn beweringen overlegt en dat het nadeel geen eigen nadeel is maar dat van zijn honden.
  14. Verzoeker kreeg bij vonnis van 21 november 2007 het verbod opgelegd om gedurende één jaar dieren te houden. Het verbod is ingegaan op 17 december 2007 en slaat op alle diersoorten. Dat verbod belet dat verzoeker, na een schorsing, “zijn honden kan terugzien”. De schorsing kan het aangevoerde nadeel niet goed maken. Omgekeerd zou de Raad van State, door een schorsing van de bestreden beslissingen te bevelen, waardoor verzoeker opnieuw in het bezit van zijn dieren komt, het bevel van de rechter om gedurende een jaar geen dieren te houden, tegenspreken. IX-5841-4/6 Verzoeker heeft zichzelf in een situatie gebracht waarin hij hoe dan ook geen honden mag houden. Het aangevoerd nadeel is het gevolg van zijn eigen handelen.
  15. Verzoeker voert als enig middel de schending aan van artikel 544 van het burgerlijk wetboek. Hij is van oordeel dat de inbeslagname van zijn honden niet in verhouding is tot de ernst van de inbreuken die hij gepleegd heeft op het vlak van de registratie en de identificatie van honden en door meer dan twee nesten per jaar te kweken, dat hij zich onmiddellijk conformeerde aan de reglementaire voorschriften en dat de verwerende partij aldus roekeloos de wet van 14 augustus 1986 gebruikt heeft om zijn eigendomsrecht te beknotten.
  16. Verzoeker verliest uit het oog dat op 31 januari 2008 ook vastgesteld is dat hij honden hield in weerwil van het verbod om dieren te houden, dat hij honden hield in onaangepaste en risicovolle omstandigheden en dat hij zijn honden niet de nodige voeding en zorg verstrekte.
  17. De wet van 14 augustus 1986 vormt een beperking op het volstrekt persoonlijk genot van het eigendomsrecht. Tegen verzoeker zijn een aantal overtredingen van die wet vastgesteld en artikel 42, §§ 1 en 2 bepalen dat, in geval van overtreding, de bevoegde ambtenaren, rekening houdend met de volksgezond- heid en de diergeneeskundige politie, kunnen overgaan tot inbeslagname en toewijzing van de dieren aan een dierenasiel met eigendomsoverdracht. Verzoeker betwist de gedane vaststellingen niet. Uit het dossier blijkt dat de thans vastgestelde overtredingen niet alleen staan, maar een schakel vormen in een resem inbreuken op de wet op het dierenwelzijn die de laatste jaren vastgesteld zijn. Met die gegevens voor ogen hebben de bevoegde ambtenaren zeker niet lichtzinnig gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de wet van 14 augustus 1986 hen boden. Het middel is niet ernstig. IX-5841-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker; Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 februari 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5841-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.221 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.