← België

Arrest 180280 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/02/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.280 Rolnummer: A. 146448/X-11720 Zaak: Arrest 180280 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/02/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:42 Fiche Arrest nr 180.280 van 29 februari 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.280 van 29 februari 2008 in de zaak A. 146.448/X-11.

  1. In zake : Luc STEEMAN, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN KEER, kantoor houdende te 9290 BERLARE, Donklaan 77/12 tegen : de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc STEEMAN op 13 januari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 oktober 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende de niet-inwilliging van zijn beroep tegen de beslissing van 15 juli 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Berlare waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning werd geweigerd tot het regulariseren van een reliëfwijziging op een terrein gelegen te Berlare, Quôte, kadastraal gekend sectie C, nr. 1387/b; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op de beschikking van 16 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 15 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-11.720-1/11 Gehoord de opmerkingen van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT: Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Op 23 december 2002 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Berlare een aanvraag in voor een bouwvergunning voor technische werken en/of terreinaanlegwerken op een perceel gelegen te Berlare, Quôte, kadastraal gekend 1ste afdeling, sectie C, nr. 1387/b. Het perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Dendermonde gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De werken vinden plaats op een perceel dat wordt gebruikt als private parking voor een herberg aan de overkant van de straat. 1.
  3. In de aanvraag omschrijft de verzoeker de werken als volgt: “instandhoudingswerken v/h reliëf v/d bodem”. Hij bevestigt dat de werken of handelingen waarvoor hij een vergunning aanvraagt, reeds begonnen waren. Hiervan werd op 12 juli 2002 een proces-verbaal van verhoor opgesteld, waarin hij onder meer verklaart dat het perceel bij aankoop (31/05/1983) reeds geen hooiland meer betrof maar “een verharde parking met grindbedekking. Het perceel lag toen reeds hoger dan de naastgelegen percelen. Het lag even hoog dan de rijbaan. (...) Nu heb ik onlangs voor de veiligheid instandhoudingswerken laten uitvoeren aan het perceel. (...) Ik heb dan een aannemer de opdracht gegeven om putten te vullen en het terrein te voorzien van een nieuwe grindlaag (...)”. De verzoeker verklaart verder dat het X-11.720-2/11 volgens hem niet gaat om een reliëfwijziging en dat hij niets gewijzigd heeft aan het doel van het perceel. Hij zal een regularisatievergunning aanvragen, indien nodig. Het opmetingsplan, dat de aanvraag vergezelt, draagt als titel “regulariseren van instandhoudingswerken”. Uit het plan blijkt dat het perceel is belast met een erfdienstbaarheid van doorgang ten voordele van perceel 1387/a, “zolang 1387a ingesloten is”. Tevens bevat het plan een doorsnede, die aangeeft dat het niveauverschil tussen het perceel van de verzoeker en het aanpalende perceel ongeveer één meter bedraagt. Bij de aanvraag voegt de verzoeker eveneens een plan met de “bestaande toestand”. Uit die vermeldingen blijkt dat de achterliggende weide (perceel nr. 1387a) ongeveer 80 centimeter lager ligt en dat de parking op hetzelfde peil ligt als de straat. De verzoeker voorziet ook werken aan een strook van het perceel (waar de erfdienstbaarheid zich gedeeltelijk situeert). Hij omschrijft die als volgt: “De uit te voeren werken bestaan uit het opvullen met goede grond van de strook van 7m x 4m en te bedekken met een laag gravé”. 1.
  4. De aanvraag wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen en wordt hierbij omschreven als “regularisatie wijzigen reliëf”. Er worden drie bezwaarschriften ingediend. 1.
  5. De respectieve adviezen van de afdeling Land en de afdeling Natuur zijn ongunstig. 1.
  6. Op 10 juli 2003 verleent de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies. Hij overweegt het volgende: “Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag De aanvraag betreft de regularisatie van een reliëfwijziging. Het perceel in kwestie werd aan de straatzijde opgehoogd met ongeveer 1m, tot het niveau van de aanpalende weg en verhard met steenslag. Het perceel in kwestie wordt gebruikt als parking in functie van een herberg gesitueerd aan de overkant van de weg. Uit de fotoreportage kan tevens vastgesteld worden dat op dit perceel tevens speeltuigen en zitbanken geplaatst zijn. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gezien de bouwplaats volgens het gewestplan gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; X-11.720-3/11 Gezien de ophoging niet in functie van een agrarische of para-agrarische activiteit is uitgevoerd maar in functie van een horecazaak; dat de bestemming van de grond aldus als strijdig te beschouwen is met de planologische bestemming van het gebied volgens het vigerende gewestplan; Gezien de afdeling Land en de afdeling Natuur een ongunstig advies hebben uitgebracht over de reliëfwijziging; copies van deze adviezen in bijlage; Gezien uit het advies van de afdeling Natuur kan uitgemaakt worden dat landschapsbepalende elementen zijn verdwenen; Gezien de ingediende bezwaarschriften als gegrond kunnen beschouwd worden; Algemene conclusie Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn er aldus bezwaren tegen de inwilliging van de aanvraag.” 1.
  7. Op 15 juli 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar bij te treden en het weigert de vergunning. 1.
  8. Op 8 september 2003 gaat de verzoeker in beroep tegen voornoemde weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. In zijn beroepschrift vermeldt hij dat hij een regularisering van een reliëfwijziging vroeg voor het betrokken terrein. Hij benadrukt evenwel dat het perceel reeds lange tijd voor hij het aankocht, volledig werd ingericht als parking voor wagens van de bezoekers van de herberg, dat het perceel al die tijd was opgehoogd en verhard, met uitzondering van “de achterste meters van de strook van 4m breed waarop de erfdienstbaarheid van doorgang rustte” en dat hij zelf geen reliëfwijziging aanbracht. Hierbij verwijst hij naar het plan van de landmeter van 5 augustus 1982, dat gehecht was aan de aankooptitel (31-05-1983), waarop vermeld staat “parking voor café overkant straat”. Verder zet de verzoeker uiteen dat er “(ook) aanleiding kon zijn tot het ophogen van het achterste stukje van de strook waarop de erfdienstbaarheid van doorgang gevestigd was nu gebleken was dat hij niet meer verplicht was om de uitoefening van de erfdienstbaarheid te gedogen, reden waarom hij al grond had laten storten op het terrein, met de bedoeling om deze strook op hetzelfde niveau te brengen als het reeds lange tijd opgehoogde terrein én de putten in de grindbedekking te vullen van de parkeerruimte (...)”. X-11.720-4/11 1.
  9. Op 30 oktober 2003 besluit de bestendige deputatie het beroep van de verzoeker niet in te willigen. Dit besluit wordt op 15 november 2003 aan de verzoeker ter kennis gebracht; Over de grond van de zaak 2.1.
  10. Als enige middel voert de verzoeker het volgende aan: “Verzoeker dient bij deze een verzoek in wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straf van nietigheid voorgeschreven vormen, over- schrijving of afwending van macht, strekkende tot nietigverklaring van: de beslissing van de Bestendige Deputatie nr 33-03/B.4-394/TN/jdk/B.513 van de Provincie van Oost-Vlaanderen, W. Wilsonplein 2 te 9000 Gent van 30 oktober 2003 waarbij uitspraak gedaan werd in graad van beroep omtrent een aanvraag stedenbouwkundige vergunning ingediend door verzoeker. Verzoeker heeft in zijn aanvankelijke aanvraag ingediend bij de Gemeente Berlare een regularisering van een reliëfwijziging op het terrein te Berlare, Quôte bekend ten kadaster Sectie C nr 1387B aangevraagd. Hij deed dit nádat een PV was opgesteld door de Politie te Berlare op 12.07.2002 waarbij de verbalisant welke hij sprak hem mededeelde dat hij ‘een regularisering’ diende aan te vragen. Hij had inderdaad wat grind laten brengen naar zijn eigendom om de op de sinds jaren bestaande parking putten te vullen en m.a.w. onderhoudswerken uit te voeren. Hij was van oordeel géén ènkele reliëfwijziging te hebben uitgevoerd want verklaarde op 12.07.2002: ‘Ik heb (bij de Techn. dienst van de Gemeente Berlare) uitgelegd wat mijn plannen waren. Er werd mij nooit gezegd dat ik een vergunning diende aan te vragen voor dergelijke werken. Er werd door mij geen enkele architect aangesproken. Ik zal dit nu doen ten einde de toestand te kunnen regulariseren indien nodig; Ik druk hierbij nu mijn intentie uit om een regularisatievergunning in te dienen voor zover dit vereist is. Ik zal mij hieromtrent uitvoerig laten inlichten. De werken bestaan voor mij slechts in het herstellen van de grondbedekking. Uw diensten vragen mij of het reliëf van een deel van het Perceel werd gewijzigd. Ik wens dit te ontkennen. Ik heb nooit opdracht gegeven om grond bij te voeren . Er is tot heden niets gewijzigd aan het doel van het perceel.’ Ten gevolge van het herhaald aandringen van de verbalisant ‘om zich in regel te stellen’ heeft verzoeker toch een architect gecontacteerd die een aanvraag tot regularisatie opstelde en welke bij de Gemeente Berlare werd ingediend. De aanvraag werd op de gebruikelijke wijze behandeld hoewel de administratie had dienen te stellen dat er vermits er geen werken waren uitgevoerd het niet over een regularisatie kan gaan. Dit wordt expliciet vermeld in het motiverend gedeelte van de thans bestreden beslissing: ‘Dat ter plaatse vastgesteld werd dat deze werken nog niet zijn uitgevoerd en dat het derhalve wat dit betreft niet over een regularisatie kan gaan; Dat de gemachtigde ambtenaar het voorwerp van de aanvraag toch ombuigt tot een regularisatie van een reliëfwijziging’ Dat in de gegeven omstandigheden zowel het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Berlare als de Bestendige Deputatie hadden X-11.720-5/11 dienen te concluderen dat de aanvraag ingediend door verzoeker zonder voorwerp was en niet ontvankelijk; Dat evenwel de Bestendige Deputatie ál te ver ging dan in de beoordeling van de aanvraag en stelde : ‘dat kan gesteld worden dat het kwestieuze terrein in het verleden over zijn globale uitgestrektheid wederrechtelijk opgehoogd werd;”en “dat niets belet dat de werken toch zouden uitgevoerd zijn in een periode waarin de bedoelde ophoging als een bouwvergunningsplichtig werk moest aanzien worden’ om dan te gaan concluderen dat werken zijn uitgevoerd als strijdig met de wettelijk vastgelegde landbouwbestemming van de grond en deze onbestaanbaarheid met de voorschriften van het gewestplan een afdoende reden tot het weigeren van een vergunning vormen. Dat het duidelijk is dat deze beslissing werd getroffen ten gevolge van machtsafwending en machtsoverschrijving en zodoende dient vernietigd”. 2.1.
  11. Hierop repliceert de verwerende partij het volgende: “
  12. Ten aanzien van de ontvankelijkheid Verzoekende partij schrijft in de eerste paragraaf van haar verzoekschrift dat zij beroep tot nietigverklaring indient tegen de beslissing van 30 oktober 2003 van de bestendige deputatie ‘Wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straf van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijving of afwending van macht’. Vervolgens schets zij het ontstaan van de stedenbouwkundige aanvraag als volgt: ‘Verzoeker heeft in zijn aanvankelijke aanvraag ingediend bij de gemeente Berlare een regularisering van een reliëfwijziging op het terrein te Berlare, Quote, bekend ten kadaster Sectie C nr. 1387B aangevraagd. Hij deed dit nadat een PV was opgesteld door de politie te Berlare op.12.07.2002 waarbij de verbalisant welke hij sprak hem mededeelde dat hij ‘een regularisering’ diende aan te vragen. Hij had inderdaad wat grind laten brengen naar zijn eigendom om de op de sinds jaren bestaande parking putten te vullen en m. a. w. onderhoudswerken uit te voeren. Hij was van oordeel geen enkele reliëfwijziging te hebben uitgevoerd... want verklaarde op 12.07.2002: ‘Ik heb (bij de Tech. dienst van de gemeente Berlare) uitgelegd wat mijn plannen waren. Er werd mij nooit gezegd dat ik een vergunning diende aan te vragen voor dergelijke werken. Er werd door mij geen enkele architect aangesproken. Ik zal dit nu doen ten einde de toestand te kunnen regulariseren indien nodig; ik druk hierbij nu mijn intentie uit om een regularisatievergunning in te dienen voor zover dit vereist is. Ik zal mij hieromtrent uitvoerig laten inlichten. De werken bestaan voor mij slechts in het herstellen van de grondbedekking. Uw diensten vragen mij of het reliëf van een deel van het perceel werd gewijzigd. Ik wens dit te ontkennen. Ik heb nooit opdracht gegeven om grond bij te voeren. Er is tot heden niets gewijzigd aan het doel van het perceel.’ Ten gevolge van het herhaald aandringen van de verbalisant ‘om zich in regel te stellen’ heeft verzoeker toch een architect gecontacteerd die een aanvraag tot regularisatie opstelde en welke bij de gemeente Berlare werd ingediend. De aanvraag werd op de gebruikelijke wijze behandeld hoewel de administratie had dienen te stellen dat er - vermits er geen werken waren uitgevoerd - het niet over een regularisatie kan gaan. X-11.720-6/11 Dit wordt expliciet vermeld in het motiverend gedeelte van de thans bestreden beslissing: ‘dat ter plaatse vastgesteld werd dat deze werken nog niet zijn uitgevoerd, en dat het derhalve wat dit betreft niet over een regularisatie kan gaan; dat de gemachtigde ambtenaar het voorwerp van de aanvraag toch ombuigt tot een ‘regularisatie van een reliëfwijziging’; Dat in de gegeven omstandigheden zowel ‘het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Berlare als de bestendige deputatie hadden dienen te concluderen dat de aanvraag ingediend door verzoeker zonder voorwerp was en niet ontvankelijk.’ Verzoekende partij stelt het voor alsof voor de werken waarvan sprake geen stedenbouwkundige vergunning vereist is. Zij lijkt de mening toegedaan dat enkel voor werken die reeds - wederrechtelijk - werden uitgevoerd een stedenbouwkundige vergunning moet worden aangevraagd. Nochtans stellen noch het college van burgemeester en schepenen, noch de gemachtigde ambtenaar, noch de bestendige deputatie m.b.t. onderhavige zaak de vereiste van een vergunning in vraag. De passage uit het besluit van de bestendige deputatie waarnaar verzoekende partij verwijst, heeft slechts betrekking op een deel van de werken. In verband met de aanvraag lezen we in het betwiste besluit van de bestendige deputatie namelijk het volgende: ‘Overwegende dat uit het onderzoek blijkt dat de aanvraag strekt tot het uitvoeren van ‘instandhoudingswerken aan het reliëf van de bodem’ betreffende de grond gelegen te Berlare, Quote zn, en met als kadastrale omschrijving 1ste afdeling, sectie C, nr. 1387b; dat de aanvraag vergezeld is van een plan van architect De Bie te Berlare, getiteld ‘regulariseren van instandhoudingswerken’; dat grondige lezing van dit plan niet duidelijk maakt waaruit de eigenlijke regularisatie bestaat, alleen vermoedelijk op een verharding in grind slaat; dat bij de aanvraag nog een tweede plan gevoegd is, ondertekend door de aanvrager/appellant zelf, waaruit blijkt dat de aanvraag (mede) zou bestaan uit het uitvoeren van een reliëfwijziging over een oppervlakte van 7 x 4 m met een dikte gaande van 0 tot 80 cm, en met als materialen zwarte grond afgedekt met 6 cm ‘gravé’; dat ter plaatse vastgesteld werd dat deze werken nog niet zijn uitgevoerd, en dat het derhalve wat dit betreft niet over een regularisatie kan gaan ; dat de gemachtigde ambtenaar het voorwerp van de aanvraag toch ombuigt tot een ‘regularisatie van een reliëfwijziging’; dat kan gesteld worden dat het kwestieuze terrein (perceel 1387b) in het verleden over zijn globale uitgestrektheid wederrechtelijk opgehoogd werd.” In het besluit van de bestendige deputatie wordt derhalve niet betwist dat een stedenbouwkundige vergunning noodzakelijk is. Er werd tijdens het plaatsbezoek evenwel vastgesteld dat een deel van de werken reeds werd uitgevoerd (gedeeltelijke regularisatie dus) en een ander deel niet, doch dat de aangevraagde werken wel degelijk vergunningsplichtig zijn. Bij aanvragen tot regularisatie van wederrechtelijk uitgevoerde werken is het trouwens vaak erg moeilijk om aan te tonen welke werken wanneer en door wie werden uitgevoerd. Hoe het ook zij, bouwmisdrijven verjaren niet. Verzoekende partij heeft tijdens de procedure van het georganiseerd administratief beroep in haar beroepschrift van 5 september 2003 de vereiste van een stedenbouwkundige vergunning zelf niet in vraag gesteld. Zo lezen we (...) ‘De heer Steeman is ervan overtuigd dat - wanneer U de aan het dossier toegevoegde informatie en stukken zal hebben ingezien - het duidelijk moet blijken dat de bezwaren welke werden geuit n.a.v. het onderzoek ongegrond zijn en er aanleiding bestaat om de beslissing a quo te herzien en de aangevraagde vergunning te verlenen.’ Aangezien zowel de gemachtigde ambtenaar, het college van burgemeester en schepenen (dat het advies van de gemachtigde ambtenaar ook als zijn X-11.720-7/11 standpunt beschouwde) en de Afdelingen Natuur-en Land reeds in eerste aanleg spraken over een reliëfwijziging, had verzoekende partij in haar beroepschrift reeds kunnen aantonen dat de aangevraagde werken geen reliëfwijziging betroffen en/of dat er geen vergunning nodig was, en dat de aanvraag alsdan zonder voorwerp was. Verzoekende partij kan voor uw raad voor het eerst geen middel opwerpen dat zij had kunnen opwerpen tijdens het georganiseerd administratief beroep. Verder wensen wij te verwijzen naar artikel 14 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals meermaals gewijzigd, dat onder meer het volgende bepaalt: ‘De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden (. . )’. Bij aangetekend schrijven van 13 november 2003 van de bestendige deputatie werd verzoekende partij in kennis gesteld van de weigeringsbeslissing van 30 oktober
  13. In de begeleidende brief kan men het volgende lezen: ‘op grond van artikel 53 § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd door het decreet van 26 april 2000 en de huidige jurisprudentie van de Raad van State kan u tegen deze beslissing van de bestendige deputatie beroep indienen bij de Raad van State. Daartoe dient u binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de dag na ontvangst van deze brief, een verzoekschrift op te sturen bij aangetekend schrijven naar de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel. Bovendien moet u voldoen aan alle voorwaarden, vormen en termijnen zoals deze bepaald worden door de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het procedurereglement en desgevallend het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en het koninklijk besluit van 2 april 1991 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State inzake de dwangsom. (...) De bijlage waarvan sprake bevat de relevante reglementaire bepalingen met betrekking tot de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen. Het is duidelijk dat het door de verzoekende partij aan de Raad van State gerichte schrijven geen verzoek tot nietigverklaring is zoals voorzien door artikel 14 § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het voldoet evenmin aan de vormen en voorwaarden zoals bepaald in het procedure- reglement. Zo wordt in de tekst van het verzoekschrift de beslissing van de bestendige deputatie niet eens duidelijk omschreven. Evenmin wordt er een uiteenzetting gegeven van de feiten en middelen in de zin van artikel 2 § 1.2/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, zoals later gewijzigd, namelijk de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop verzoekende partij die regel door de bestreden handeling geschonden acht. In verband hiermee lezen we in het verzoekschrift enkel hetgeen volgt: ‘Dat evenwel de bestendige deputatie al te ver ging dan in de beoordeling van de aanvraag en stelde: ‘dat kan gesteld worden dat het kwestieuze terrein in het verleden over zijn globale uitgestrektheid wederrechtelijk opgehoogd werd’ en ‘dat niets belet dat de werken toch zouden uitgevoerd zijn in een periode X-11.720-8/11 waarin de bedoelde ophoging als een bouwvergunningsplichtig werk moest aangezien worden’ om dan te gaan concluderen dat werken zijn uitgevoerd als strijdig met de wettelijk vastgelegde landbouwbestemming van de grond en deze onbestaanbaarheid met de voorschriften van het gewestplan een afdoende reden tot het weigeren van een vergunning vormen.’ Tot slot poneert verzoekende partij ‘dat het duidelijk is dat deze beslissing werd getroffen ten gevolge van machtsafwending en machtsoverschrijding en zodoende dient vernietigd.’ Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State moet onder ‘middel’ in de zin van het hogervermelde artikel 2 § 1.2/ worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel naar het oordeel van verzoeker door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden (...). Verzoekende partij beperkt er zich echter toe te stellen dat de bestendige deputatie te ver ging in de beoordeling van de aanvraag en het derhalve duidelijk is dat de beslissing werd getroffen ten gevolge van machtsafwending en machtsoverschrijding. Uit wat voorafgaat blijkt dat in het verzoekschrift geen voldoende duidelijke omschrijving gegeven werd van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop verzoekende partij die regel door de beslissing van 30 oktober 2003 van de bestendige deputatie geschonden acht. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het verzoekschrift kennelijk onontvankelijk is”. 2.1.
  14. De verzoeker werpt in zijn memorie van wederantwoord het volgende op: “Er wordt door de Bestendige Deputatie gesteld dat de vordering van concluant onontvankelijk zou zijn; Luc Steeman wenst te benadrukken dat hij een regularisatie heeft aangevraagd omdat nav het storten van een hoopje grind -die zou moeten dienen om een aantal putten te vullen op een sinds jaren bestaande parking- de verbalisant welke ter plaatse kwam hem op 12.07.2002 mededeelde dat hij een regularisatie diende aan te vragen. Dit voor ophogingswerken welke lange tijd geleden, voor de inwerking- treding van de Wet op de stedenbouw, uitgevoerd moeten zijn op het bewuste perceel, door zijn rechtsvoorgangers. De facto was de noodzaak om daarvoor een regularisatieaanvraag in te dienen niet nodig; Voor wat betreft de (destijds) geplande uitvoering van een reliëfwijziging over een oppervlakte van 7 x 4 m met een dikte gaande van 0 tot 80 cm is het inderdaad zo dat deze werken nog niet uitgevoerd werden en daarvoor dus een bouwaanvraag diende ingediend, geen regularisatieaanvraag. Luc Steeman moet derhalve toegeven dat hij een onjuiste aanvraag heeft ingediend. Hij is van oordeel dat de administratie dit had kunnen vaststellen”. 2.2.
  15. Op de eerste plaats komt het de vergunningaanvrager toe het voorwerp te kwalificeren waarvoor hij de vergunning aanvraagt. Nadien dient de vergunningverlenende overheid te bepalen waaruit het werkelijke voorwerp van de X-11.720-9/11 vergunning bestaat en mede daarop steunende de uit te voeren of reeds uitgevoerde werken zowel in feite als in rechte op hun toelaatbaarheid uit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt te toetsen. Het kwam aan de bevoegde overheid toe om aan de hand van de gegevens in het aanvraagdossier en een eventueel onderzoek ter plaatse, uit te maken wat het werkelijke voorwerp van de aanvraag was. De bevoegde overheid heeft in casu vastgesteld dat het werkelijke voorwerp van de aanvraag bestaat uit “het uitvoeren van een reliëfwijziging over een oppervlakte van 7x4m” en eveneens een regularisatie betreft van de reeds in het verleden uitgevoerde ophoging van het terrein; De bevoegde overheid heeft aldus geoordeeld dat de aanvraag de regularisatie beoogt van een vergunningplichtige reliëfwijziging. 2.2.
  16. Het middel houdt in wezen alleen in dat de verwerende partij verzoekers eigen aanvraag als “zonder voorwerp” en “niet ontvankelijk” had dienen te verwerpen. Voorts wordt in het middel gesteld dat de verwerende partij “al te ver ging in de beoordeling van de aanvraag”. Aldus wordt geen ontvankelijk middel aangevoerd, vermits niet duidelijk wordt gemaakt welke rechtsregel de verwerende partij heeft geschonden, en in welk opzicht dit dan wel zou zijn gebeurd. Minstens wordt niet concreet aangetoond dat de verwerende partij ten onrechte verzoekers aanvraag als een vergunningplichtige reliëfwijziging heeft gekwalificeerd. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. X-11.720-10/11 Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig februari 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.720-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.280 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.