← België

Arrest 180334 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 03/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.334 Rolnummer: A. 88940/IX-2169 Zaak: Arrest 180334 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 03/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 07:42 Fiche Arrest nr 180.334 van 3 maart 2008 Fiscaliteit - Federale reglementen (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.334 van 3 maart 2008 in de zaak A. 88.940/IX-

  1. In zake : Marc VANDEN BOSSCHE, wonende te DILBEEK, Berchemstraat 208 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Financiën
  3. de gewestelijke directeur invordering te Leuven. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VANDEN BOSSCHE op 12 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gewestelijke directeur invordering te Leuven van 17 november 1999 waarbij zijn verzoek om vrijstelling van nalatigheidsintresten geweigerd werd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 31 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting door de verzoeker; Gelet op de beschikking van 18 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-2169-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN OERS, die loco advocaat G. VAN DEN BERG verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  4. Op naam van Marc VANDEN BOSSCHE en zijn echtgenote werden volgende aanslagen in de personenbelasting uitvoerbaar verklaard : - aanslagjaar 1972, art. 424620 : 520 481 BEF; - aanslagjaar 1980, art. 825231 : 3 990 081 BEF; - aanslagjaar 1981, art. 825241 : 2 340 188 BEF. De nalatigheidsintresten op de ingevolge bovenvermelde aanslagen verschuldigde bedragen bedroegen op 22 juni 1999: 8 749 374 BEF. 1.
  5. Bij brief van 16 april 1997 wordt namens de verzoeker en zijn echtgenote aan de gewestelijke directeur invordering te Leuven vrijstelling van nalatigheidsinteresten gevraagd. In die brief wordt onder meer aangevoerd dat de verzoeker en zijn echtgenote geconfronteerd worden met zware financiële moeilijkheden, zowel binnen hun vennootschap als op persoonlijk vlak. 1.
  6. Na een onderzoek deelt de gewestelijke directeur invordering te Leuven in een brief van 17 november 1999 aan de verzoeker mee dat geen vrijstelling voor nalatigheidsinteresten wordt verleend. IX-2169-2/8 Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd : “In eerste instantie moet ik er u attent op maken dat het verlenen van vrijstelling van interesten een gunstmaatregel is om belastingschuldigen te helpen die omwille van bijzondere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het aflossen van hun belastingschuld. Overigens dien ik er u op te wijzen dat vrijstelling van interesten niet mag worden verleend aan belastingschuldigen die gemak van betaling verkrijgen voor de aanzuivering van hun belastingschuld, met het doel, bijvoorbeeld hun een gedwongen, ongepaste of nadelige tegeldemaking van hun goederen te besparen. Verder heeft het terzake ingestelde onderzoek uitgewezen dat : - de met de ontvanger te Ternat overeengekomen betalingsregeling door u niet wordt nagekomen; - uw bezitstoestand niet van aard is om een vrijstelling van nalatigheidsinte- resten toe te staan. Derhalve zie ik mij verplicht, rekening houdende met de principes en de doelstelling van het artikel 417 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (WIB92), nopens uw verzoekschrift een afwijzende beslissing te treffen. Tenslotte wil ik er uw aandacht nog op vestigen dat de aanrekening van nalatigheidsinteresten geenszins een bestraffing is, doch enkel een burgerlijke schadeloosstelling van het wederrechtelijk in zijn bezit houden door de belastingschuldige van gelden die toekomen aan de Staat. Ter voldoening van het art. 2 van de Wet van 11.04.1994 (B.S. van 30.06.1994) betreffende de openbaarheid van bestuur, vindt u in bijlage de nodige informatie i.v.m. de verdere beroepsmogelijkheden tegen mijn beslissing.” In de bijlage bij die brief wordt gesteld dat tegen die beslissing van de gewestelijke directeur een beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State. Dit is de bestreden beslissing waarvan de verzoeker bij aange- tekende brief van 12 januari 2000 de nietigverklaring vordert. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 12 oktober 2001 wordt het verzoek van de verzoeker tot het verkrijgen van vrijstelling van nalatigheidsintresten voor de belastingen voor het aanslagjaar 1972, kohierartikel 424620, zijnde een bedrag van 520.481 BEF dat werd ingekohierd, voor het aanslagjaar 1980, kohierartikel 825231, zijnde een bedrag van 3.990.081 BEF dat werd ingekohierd, en voor het aanslagjaar 1981, kohierartikel 825241 dat werd ingekohierd voor een bedrag van 2.340.188 BEF, ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Het voorwerp en de oorzaak van het voorliggende annulatiebe- roep is identiek aan de vordering ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. IX-2169-3/8 IX-2169-4/8 Over de bevoegdheid van de Raad van State 2.
  7. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij wijst op artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken waarbij artikel 569, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met volgende bepaling : “(de rechtbank van eerste aanleg neemt kennis): ... 32/ van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet”. De eerste verwerende partij stelt dat overeenkomstig artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen door artikel 7 van voormelde wet van 23 maart 1999, met “geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet” zowel de geschillen betreffende de inning van belastingen als de geschillen die geen verband houden met de inning van de belasting, beoogd worden. Tevens wijst zij op de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 maart 1999 waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling had om het volledige fiscale contentieux, met uitzondering van de betwisting van normatieve fiscale bepalingen, volledig te integreren in de rechterlijke macht. De eerste verwerende partij meent dat de bestreden beslissing ontstaan is uit de toepassing van de belastingwet zodat de rechtbanken van eerste aanleg bevoegd zijn en de Raad van State derhalve onbevoegd is. 2.
  8. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat in de bijlage van de brief van 17 november 1999, waarmee de bestreden beslissing ter kennis werd gebracht, onder meer werd medegedeeld dat tegen de beslissing binnen de 60 dagen beroep bij de Raad van State kon worden ingesteld. De verzoeker meent dan ook dat hij te goeder trouw de aanwijzingen van de geweste- lijke directeur heeft gevolgd en dat hij verkeerdelijk werd ingelicht. Op grond van artikel 2, 4/, van de wet betreffende de openbaarheid van het bestuur besluit hij dat een verkeerde vermelding als een niet-vermelding van de beroepsmogelijkheden dient beschouwd te worden. De verzoeker vraagt om vast te stellen dat de termijn om beroep in te stellen niet is beginnen lopen en om de verwerende partij te veroordelen tot de kosten. 2.3.
  9. Artikel 569, eerste lid, 32/,van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, geeft de rechtbanken van eerste aanleg de bevoegdheid voor de beslechting van “geschillen betreffende de toepassing van een belasting- wet”. Het betreft een zeer algemene bepaling. De fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg zijn niet alleen uitsluitend bevoegd voor geschillen in verband met IX-2169-5/8 het al dan niet verschuldigd zijn van belastingen of de grootte van de belasting- schuld, maar ook voor individuele administratieve beslissingen waarbij een discretionaire beoordelingsmarge bestaat in verband met de toepassing van bepalingen van een belastingwet zoals het al dan niet toestaan van termijnverleng- ingen en de kwijtschelding van intresten of belastingverhogingen. Blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 maart 1999 is het de bedoeling van de wetgever geweest om het fiscaal contentieux (behoudens de betwisting van normatieve fiscale bepalingen) volledig te integreren in de rechterlijke macht. De memorie van toelichting van voormelde wet bevat in dat verband de volgende overwegingen : “Dit artikel maakt de kern uit van de voorgestelde hervorming : integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. De terminologie werd ontleend aan artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek. 'Belastingwet' moet, zoals van oudsher wordt aangenomen voor de toepassing van voornoemd artikel, in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening. Het gebruik van de notie 'geschillen over de toepassing van een belasting- wet' als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individue- le fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van termijnverlengingen (artikel 311 WIB/92), het (niet-)toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 W. 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördi- neerde wetten op de rijkscomptabiliteit), het (niet-) toestaan van uitstel van betaling van de 'onbetwistbaar verschuldigde belasting' (artikel 410, derde lid WIB/92), het (niet-)vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB/92) en het opleggen van een zekerheids- of borgstelling (artikel 420 WIB/92) - konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten. Normatieve fiscale rechtshandelingen van hun kant zullen, zoals voorheen, uitsluitend kunnen worden aangevochten bij het Arbitragehof of de Raad van State, naargelang het gaat om een formele wet (artikel 142 van de Grondwet; artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) of een verordening (artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Dit neemt niet weg dat de wettelijkheid van een fiscale norm zijdelings bij de gewone rechter kan worden betwist, dat wil zeggen wanneer die norm de grondslag uitmaakt van de rechtstreeks aangevochten, individuele fiscale rechtshandeling (artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, respectievelijk artikel 159 van de Grondwet). Uiteraard kunnen bij de rechterlijke macht, overeenkomstig de artikelen 17 en 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts vorderingen worden ingesteld wanneer de eiser daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Dit betekent dat de rechtsvordering van de belastingplichtige tegen de fiscus slechts toelaatbaar is, benevens in de hierboven vermelde gevallen waarvoor de Raad van State niet langer bevoegd is, om een ten onrechte gevestigde, IX-2169-6/8 uitvoerbare belastingtitel te betwisten of om een onverschuldigd betaalde belasting terug te vorderen.”(Parl. St. Kamer 1997-98, nrs 1341-1342-1, p. 35) Uit het bovenstaande blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat de Raad van State alleen nog maar bevoegd is voor “normatieve fiscale rechtshandelingen”. Al de andere geschillen behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke macht. Die exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg voor geschillen over individuele fiscale rechtshandelingen sluit de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van State ex artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit. 2.3.
  10. Te dezen wordt een beslissing van de gewestelijke directeur invordering Leuven aangevochten waarbij geweigerd wordt de verzoeker overeen- komstig artikel 417 WIB ‘92 vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen. Het voorliggende geschil betreft aldus de individuele toepassing van die bepaling uit een belastingwet en valt dan ook onder de toepassing van artikel 569, eerste lid, 32/, van het Gerechtelijk Wetboek. Voornoemd artikel werd ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 en deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999, zodat zij bij gebrek aan bijzondere bepaling, in werking is getreden op 6 april
  11. Weliswaar bevat artikel 11 van voormelde wet een overgangs- bepaling in die zin dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld worden met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels. De weigeringsbeslissing van de gewestelijke directeur dateert van 17 november
  12. Op 12 januari 2000 is het voorliggende annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld. Daar het onderhavig geschil op 6 april 1999 nog niet aanhangig gemaakt was bij een hof, rechtbank of enige andere jurisdictionele instantie is voormelde overgangsregeling niet van toepassing. Er moet dan ook besloten worden dat, gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet, de Raad van State niet bevoegd is om de bestreden beslissing nietig te verklaren. Evenmin kan de Raad van State beslissen dat de beroepstermijn tegen de bestreden beslissing niet is beginnen lopen omdat het uiteraard aan de bevoegde rechter toekomt om zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van een bij hem ingestelde vordering. IX-2169-7/8 Over de kosten
  13. De verzoeker vordert dat de kosten ten laste van de verwerende partij gelegd zouden worden. Aangezien de verzoeker door de brief van de verwerende partij op een dwaalspoor werd gebracht omtrent een beroepsmogelijk- heid bij de Raad van State, is het passend om hierop in te gaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2169-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.