← België

Arrest 180336 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.336 Rolnummer: A. 79752/IX-1334 Zaak: Arrest 180336 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:42 Fiche Arrest nr 180.336 van 3 maart 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.336 van 3 maart 2008 in de zaak A. 79.752/IX-

  1. In zake : Erwin LOMBARY, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Erwin LOMBARY op 10 augustus 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 juni 1998 van de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij zijn functionele loopbaan wordt vertraagd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1334-1/7 Gelet op de beschikking van 19 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 december 2007, datum waarop de zaak is uitgesteld; Gelet op de beschikking van 8 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN WESEMAEL die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. VAN OERS, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker scheepsbeambte bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Waterwegen en Zeewezen, afdeling Vloot. 1.
  4. Op 24 november 1997 wordt tegen de verzoeker een tuchtprocedure ingeleid omdat hij op 4, 9 en 14 augustus 1997 zonder toelating afwezig was. Bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van 27 maart 1998 wordt aan de verzoeker de tuchtstraf “inhouding van één vijfde van de netto-bezoldiging gedurende vijf dagen” opgelegd. Dit besluit maakt het voorwerp uit van een beroep tot vernietiging, dat bij arrest nr. 180.335 van heden wordt verworpen. IX-1334-2/7 1.
  5. Ondertussen, op 7 maart 1998, is met de verzoeker een evaluatiegesprek over het jaar 1997 gevoerd, waarvan de resultaten in een evaluatieverslag worden vastgelegd. De twee evaluatoren van de verzoeker kennen hem de evaluatie “onvoldoende” toe. Het verslag wordt op 25 maart 1998 ter kennisneming door de verzoeker ondertekend. Tegen die evaluatie stelt de verzoeker beroep in. Op 28 april 1998 adviseert de Raad van Beroep dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. Op 7 mei 1998 beslist het College van secretarissen-generaal de vermelding “onvoldoende” te verwerpen. Het college verwijst naar het advies van de Raad van Beroep, waarin vastgesteld is dat een aantal beweringen uit het evaluatiedossier onvoldoende onderbouwd werden met concrete feiten, en een aantal formele aspecten van de evaluatieprocedure niet werden nageleefd. 1.
  6. Ondertussen heeft het College van afdelingshoofden van de administratie Waterwegen en Zeewezen op 4 mei 1998 een voorstel gedaan om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. In dat verband wordt de verzoeker op 9 juni 1998 door de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur gehoord. Dezelfde dag beslist de directieraad om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt per schrijven van 19 juni 1998 door de secretaris-generaal aan de verzoeker ter kennis gebracht. Over de gegrondheid van het beroep 2.
  7. De verzoeker voert in een enig middel aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd en een schending inhoudt van het redelijkheidsbeginsel. De verzoeker voert in de eerste plaats aan dat de bestreden beslissing niet op de rechtens vereiste feitelijke grondslag steunt. Hij benadrukt dat dezelfde verwijten aanleiding hebben gegeven tot drie beslissingen, te weten een tuchtsanctie, een negatieve evaluatie en de hier bestreden beslissing tot loopbaanvertraging. De evaluatie “onvoldoende”, hem gegeven door zijn evaluatoren op grond van bepaalde feiten aangehaald in het evaluatieverslag, is IX-1334-3/7 echter verworpen door de Raad van Beroep en het College van secretarissen- generaal, op grond dat een aantal beweringen uit het evaluatiedossier onvoldoende met concrete feiten werden onderbouwd en dat een aantal formele aspecten van de evaluatieprocedure onvoldoende werden nageleefd. De verwijten die in de daaropvolgende beslissing tot loopbaanvertraging worden aangehaald zijn op hun beurt letterlijk overgenomen uit het genoemde evaluatieverslag. Aangezien het College van secretarissen-generaal naar aanleiding van het evaluatieverslag reeds oordeelde dat de aangevoerde verwijten niet voldoende onderbouwd waren met concrete feiten, kunnen deze feiten niet als deugdelijke motivering voor de bestreden beslissing beschouwd worden. De verzoeker voert voorts aan dat de feiten waarop de bestreden beslissing steunt, rechtens niet dienstig zijn. Het gaat immers om tuchtfeiten die het gevolg zijn van organisatorische problemen. De reactie van de verzoeker op die problemen is reeds bestraft met een tuchtsanctie, welke de verzoeker ondertussen bij de Raad van State heeft aangevochten. Voor diezelfde feiten kan aan de verzoeker niet nogmaals een sanctie worden opgelegd, ditmaal een loopbaanvertraging. De verzoeker concludeert dat de bestreden beslissing niet op deugdelijke motieven steunt. Door geen rekening te houden met de omstandigheid dat de verwijten tuchtfeiten zijn die reeds werden bestraft, noch met de omstandigheid dat de Raad van Beroep en het College van secretarissen-generaal hebben geoordeeld dat het evaluatieverslag onvoldoende was gemotiveerd, is de bestreden beslissing ook kennelijk onredelijk. 2.
  8. De verwerende partij antwoordt hierop dat de elementen nopens het functioneren van de verzoeker die hem in het advies van het College van afdelingshoofden worden aangerekend meer betreffen dan diens onwettige afwezigheid gedurende drie dagen in augustus 1997, waarvoor de verzoeker tuchtrechtelijk is bestraft, en dat die elementen soms letterlijk terug te vinden zijn in het beschrijvend evaluatiedocument. De verwerende partij verwijst in het bijzonder naar de omstandigheid dat de verzoeker zich egoïstisch opstelt en zich niet steeds schikt naar de opdrachten van de verantwoordelijke chef-loods, en dat hij een gebrek heeft aan flexibiliteit en teamgeest, waardoor hij herhaaldelijk de continuïteit van de dienstverlening in het gedrang brengt. Nu door de verzoeker in zijn verhoor door de directieraad tegen dit alles geen nieuwe feitelijke gegevens of substantieel verweer werden aangebracht, kon de directieraad zich in redelijkheid aansluiten bij het hem verstrekte advies, ook wat betreft de motivering. IX-1334-4/7 Dat door “het college van afdelingshoofden” (lees: het College van secretarissen-generaal), op advies van de Raad van Beroep, werd geoordeeld dat verzoekers evaluatieverslag onvoldoende gemotiveerd was om de einduitspraak “onvoldoende” te verantwoorden, belet voorts niet dat de feiten aangehaald in het evaluatieverslag wel afdoende kunnen zijn om verzoekers functionele loopbaan te vertragen. 2.
  9. De verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord dat de motivering van de bestreden beslissing niet deugdelijk is. Hij stelt dat die beslissing, waarin geen andere motieven worden aangehaald dan die welke ter sprake kwamen in het evaluatieverslag, diametraal staat tegenover de beslissing van het College van secretarissen-generaal om de evaluatie “onvoldoende” te verwerpen. Nochtans zijn beide beslissingen op basis van dezelfde feiten genomen. 2.
  10. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij vooreerst dat het middel onontvankelijk is in zoverre daarin een schending van het redelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, aangezien niet wordt verduidelijkt waarin de schending van dat beginsel zou bestaan. Met betrekking tot de materiële motiveringsplicht voert de verwerende partij aan dat zij niet inziet waarom de directieraad, die beslist over een loopbaanvertraging, gebonden zou zijn door een beslissing van het College van secretarissen-generaal over een vermelding “onvoldoende”, laat staan dat de directieraad gebonden zou zijn door de motieven die aan de grondslag van de laatstgenoemde beslissing liggen. Zij merkt op dat de verzoeker geen enkel formeel gebrek opwerpt waarmee zijn evaluatie behept zou zijn. De beschouwingen van het College van secretarissen-generaal over formele gebreken zijn dan ook in de voorliggende zaak irrelevant. Wat de materiële motivering van de bestreden beslissing betreft laat de verwerende partij gelden dat de stelling van de verzoeker, als zouden feiten die tuchtrechtelijk worden bestraft niet nogmaals kunnen leiden tot een vertraging van de functionele loopbaan, onjuist is. De verwerende partij stelt dat bij een evaluatie wel degelijk rekening gehouden moet worden met de opgelopen tuchtstraffen, zeker wanneer deze een illustratie zijn van het gebrekkig functioneren van de ambtenaar. De verwerende partij wijst dan op het evaluatieverslag waarin de tekortkomingen van de verzoeker in bepaalde resultaatgebieden met concrete voorbeelden worden geïllustreerd, en niet alleen met de feiten van augustus
  11. Zij stelt dat, zo deze tekortkomingen de eindvermelding “onvoldoende” niet kunnen verantwoorden, ze wel de basis kunnen vormen waarop de directieraad, op advies IX-1334-5/7 van het College van afdelingshoofden, kon steunen om te besluiten tot een vertraging van de functionele loopbaan van de verzoeker. 2.
  12. Uit artikel VIII 77, § 2, van het te dezen toepasselijke besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, blijkt dat de beslissing over de loopbaansnelheid genomen wordt op basis van de functioneringsevaluatie. Het College van secretarissen-generaal besliste op 7 mei 1998 de vermelding “onvoldoende” te verwerpen. Dat besluit steunt in het bijzonder op de volgende motieven: “Overwegende dat het College van secretarissen-generaal (...) van oordeel is dat een aantal beweringen uit het evaluatiedossier onvoldoende onderbouwd werden met concrete feiten; Overwegende dat een aantal formele aspecten van de evaluatieprocedure onvoldoende werden nageleefd.” Niettegenstaande het College van secretarissen-generaal op advies van de Raad van Beroep aldus heeft geoordeeld, in het kader van een beroep dat specifiek op de evaluatie van de verzoeker betrekking had, dat die evaluatie zowel formele als inhoudelijke gebreken vertoonde, beslist de directieraad, op basis van het beschrijvend evaluatieverslag, om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. In die omstandigheden kan de bestreden beslissing niet geacht worden op deugdelijke motieven te steunen. In zoverre het middel de schending inroept van de materiële motiveringsplicht, is het gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van 9 juni 1998 van de directieraad van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij de functionele loopbaan van Erwin LOMBARY wordt vertraagd. IX-1334-6/7 Artikel
  14. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1334-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.336 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.