← België

Arrest 180340 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 03/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.340 Rolnummer: Zaak: Arrest 180340 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 03/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-14 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 07:43 Fiche Arrest nr 180.340 van 3 maart 2008 Fiscaliteit - Federale reglementen (fiscaliteit) Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.340 van 3 maart 2008 in de zaken A. I. 79.061/IX-1260 II. 79.062/IX-1261. In zake : I. 1. de n.v. VYNCKIM, thans de n.v. LEIEBOORDEN, gevestigd te HARELBEKE, Gentsesteenweg 184 2. de n.v. VYNCKE Verkoopskantoor, gevestigd te HARELBEKE, Gentseweg 184 II de n.v. VYNCKIM, thans de n.v. LEIEBOORDEN, gevestigd te HARELBEKE, Gentsesteenweg 184 tegen : I + II. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de Gewestelijke directeur BTW te Brugge, 2. de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. Vynckim en de n.v. Vyncke Verkoopskantoor op 22 juni 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gewestelijke directeur BTW Brugge van 23 april 1998 houdende verwerping van het verzoek tot kwijtschelding van boeten en vrijstelling van intresten van 24 oktober 1997 (zaak A.79.061/IX-1260); Gezien het verzoekschrift dat de n.v. Vynckim op 22 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gewestelijke directeur BTW Brugge van 4 juni 1998 houdende verwerping van het verzoek tot herziening van bovenvermelde beslissing van 23 april 1998 en tot kwijtschelding van boeten en vrijstelling van intresten van 12 mei 1998 (zaak A. 79.062/IX-1261); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-1260-1/10 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 15 februari 2001 waarbij de zaken nrs. A. 79.061/IX-1260 en 79.062/IX-1261 worden samengevoegd; Gelet op de beschikking van 15 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. GALLIN, die loco advocaat G. SUSTRONCK verschijnt voor de verzoekende partijen, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.1. In de loop van 1994 tot 1997 wordt de BTW-rekening courant van de verzoekende partijen herhaaldelijk afgesloten wegens het niet-indienen van BTW-aangiften en het niet-betalen van de verschuldigde BTW. Telkens wordt een bijzondere rekening opgesteld waarin de verschuldigde BTW vermeld wordt en die ter kennis gebracht wordt van de verzoekende partijen. IX-1260-2/10 Door de ontvanger van de BTW te Brugge worden tegen de verzoekende partijen meerdere dwangbevelen uitgevaardigd ter betaling van verschuldigde BTW, geldboeten, intresten en vervolgingskosten. 1.2. In een brief van 10 juni 1997 aan de gewestelijke directeur BTW te Brugge vraagt de eerste verzoekende partij kwijtschelding van boeten en intresten. Zij voert aan dat als geen kwijtschelding wordt gegeven, zij nooit in de mogelijkheid zal zijn om haar totale schuld te betalen. Bij brief van 4 juli 1997 deelt de gewestelijke directeur BTW te Brugge aan de eerste verzoekende partij mee dat geen kwijtschelding of verminde- ring van boeten en geen vrijstelling van verwijlinteresten wordt verleend. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd : “Het bovenvermeld verzoekschrift bevat geen pertinente argumenten ter verdere vermindering van de bovenbedoelde reeds verminderde geldboeten, aangezien problemen van financiële aard op zichzelf noch een geval van overmacht, noch een alibi kunnen vormen om de BTW, aangerekend aan de kliënten, niet of niet-tijdig door te storten aan de schatkist. Bijgevolg kan, met het oog op de gelijkberechtiging van alle belastingplich- tigen die gelijkaardige overtredingen begaan hebben, helaas geen verdere vermindering, noch kwijtschelding van deze boeten toegestaan worden. Wat de verwijlinteresten betreft, spijt het mij, gelet op de uniforme gedragslijn die terzake wordt nagestreefd, en bij ontstentenis van de bijzondere omstandigheden, bedoeld bij artikel 84bis van het BTW-Wetboek, geen vrijstelling te kunnen verlenen. Bovendien blijkt uit het gedane onderzoek dat U stelselmatig in gebreke blijft met uw fiscale verplichtingen inzake BTW, met name niet of laattijdige indiening van de periodieke BTW-aangiften en niet betaling van de hieruit voortkomende verschuldigde BTW. Evenmin worden afspraken tot het volgen van een afbetalingsplan door U nagekomen, wat zeker niet in uw voordeel pleit bij de beoordeling van uw goede trouw. Desalniettemin ben ik bereid de zaak opnieuw te onderzoeken na de volledige en onmiddellijke betaling van een bedrag gelijk aan de verschuldigde BTW.” 1.3. In een brief van 24 oktober 1997 deelt de eerste verzoekende partij aan de BTW-directie te Brugge mee dat het totale bedrag van de BTW-hoofdsom betaald werd begin oktober. Gelet op die betaling dringt zij aan op een kwijtschel- ding van de boeten en intresten. IX-1260-3/10 Bij brief van 23 april 1998 meldt de gewestelijke directeur BTW te Brugge aan de verzoekende partijen dat na heronderzoek beslist werd geen kwijtschelding van boeten en vrijstelling van intresten te verlenen. Dit wordt als volgt gemotiveerd : “Uit het heronderzoek blijkt evenwel het volgende : 1) de vennootschappen hebben er tot hiertoe een gewoonte van gemaakt om regelmatig in gebreke te zijn met de essentiële verplichtingen om: - de aangiften tijdig in te dienen; - de BTW, waarvan de verschuldigdheid voortvloeit uit die aangiften tijdig te betalen (derhalve werd de rekening-courant reeds 16 keer op nul gesteld in hoofde van de NV Vynckim en 10 keer in hoofde van de andere vennootschap); - alle belastbare handelingen op te nemen in de BTW-aangiften, zoals gebleken is uit bepaalde tot hiertoe verrichte BTW-controles. Er blijkt aldus dat de NV Vynckim reeds 23 schulddossiers had en de NV Vyncke Verkoopskantoor 13; 2) in hoofde van de NV Vynckim zijn er, sedert het verzoekschrift d.d. 10/6/1997 drie nieuwe schulden gecreëerd, nl de RCIV-schulden nrs 297.0620.08532, 297.0919.08679 en 297.1126.10196, voor een totaal bedrag van 1.598.782 F; U bent derhalve na de datum van mijn beslissing nl 4 juli 1997 verder doorgegaan met de creatie van schulden; 3) er blijkt dat, behalve de twee vennootschappen waarvan er hier sprake is, er nog vennootschappen behorende tot de groep Vyncke aanzienlijke BTW- schulden hebben die niet worden betaald, nl : - BVBA Vyncke Gebroeders (faillissement) : 7.760.861; - BVBA Vyncke (faillissement) : 13.491.983 F; bovendien is de H. Vyncke Guido nog 27.207.564 F verschuldigd (BTW nr 525.241.241). Uit het geheel van de voormelde vaststellingen blijkt dat de beide vennootschappen op flagrante wijze essentiële BTW-overtredingen hebben begaan. Alle geheven boeten zijn gestoeld op de toepassing van de artikelen 70, §1 en 70, §4, BTW-Wetboek en op de koninklijke besluiten nrs. 41 van 30 januari 1987 en 41 van 21 oktober 1993. De aangerekende interesten zijn op grond van artikel 91, §1, BTW-Wetboek van rechtswege verschuldigd en houden geen sanctie in, doch enkel een wettelijk vastgestelde financiële vergoeding wegens uitgestelde betaling. Rekening houdende met het voorgaande moet ik U gelet op de mij meegedeelde feiten derhalve na grondig heronderzoek van het dossier meedelen dat : - er van de vastgestelde boeten niet kan afgeweken worden, op grond van het algemeen geldend principe van de gelijkberechtiging van alle belasting- plichtigen die gelijkaardige overtredingen hebben begaan; - er geen vrijstelling van interesten kan verleend worden, aangezien de bijzondere omstandigheden, waaronder er op grond van artikel 84bis BTW- Wetboek kan afgeweken worden van artikel 91, §1, in casu niet aanwezig zijn. Ik kan U wel meedelen dat de verhogingen van de boeten na dwangbevel die na 1 november 1993 niet meer van toepassing zijn, zullen worden geannu- leerd.” IX-1260-4/10 1.4. In een brief van 12 mei 1998 aan het tweede BTW-ontvangkan- toor te Kortrijk schrijven de verzoekende partijen dat zij niet akkoord gaan met de bovenvermelde brief van de BTW-directie van 23 april 1998 en vragen zij een “herziening”. Meer bepaald stellen zij het volgende : “Verwijzend naar de brief van de Directie BTW kunnen wij ons geenszins akkoord verklaren met de aangehaalde argumenten, met name punt 2. Er werden geenszins nieuwe schulden gecreëerd sedert 4 juli 1997. Zoals U in Uw brief van 4 juli 1997 verzoekt, werd per 30 september 1997 via notaris Peers te Harelbeke (d)e totale BTW-schuld vereffend in hoofdsom (zonder intr. boetes en kosten). De totale schuld op NV VYNCKIM bedroeg bij het ontvangkantoor 4.204.649 frank in hoofdsom zonder intresten en boetes. Hiervoor verwijzen wij naar de notificatie bericht nr 562 gericht aan notaris Peers (zie kopie in bijlage). De verschuldigde btw over het tweede kwartaal 1997 bedroeg 1.170.669 frank. Bijgevolg werd (1.170.669 + 4.204.649) 5.375.318 frank betaald via notaris Peers, maw de totaal verschuldigde btw. Het feit dat er nog schulden open staan is te wijten aan het feit dat de gelden verkeerdelijk werden aangewend. Eerst dienden alle hoofdsommen afgeboekt te worden voor het totaal bedrag van 5.375.318 frank, wat niet gebeurd is. Bijgevolg verzoeken wij U Uw standpunt te herzien.” Bij brief van 4 juni 1998 deelt de gewestelijke directeur BTW te Brugge aan de eerste verzoekende partij mee dat geen gunstig gevolg kan worden verleend aan het bovenvermelde verzoek van 12 mei 1998. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd : “Ik heb de eer U mee te delen dat het voormeld verzoekschrift opnieuw aan een aandachtig onderzoek werd onderworpen. Ik dien U terzake mee te delen dat er nog steeds geen redenen zijn om af te wijken van mijn beslissing van 23 april 1998, gelet op het volgende:

  1. a)zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de nieuwe argumentatie, blijkt dat de drie bedoelde schulden niet bestonden op de datum van mijn beslissing van 4 juli 1997; de schuld met RCIV nr. 297.0919.08679, betreft BTW die moest betaald zijn op uiterlijk 20 juli 1997 en die pas betaald werd op 5 oktober 1997; bovendien was er een nieuwe schuld (RCIV nr 297.0620.08532) houdende twee boeten van 20.000 F, wegens de niet indiening van twee periodieke aangiften, ontstaan;
  2. b)in de voormelde beslissing werd overigens niet gesteld dat de boeten en interesten zouden kwijtgescholden worden, mits betaling van de BTW; er werd enkel beloofd de zaak opnieuw te onderzoeken onder die voorwaarde. In de beslissing van 12 april 1998 werd er rekening gehouden met het geheel van alle elementen in die zaak, o.m. met de fiscale voorgeschiedenis en de vele overtredingen in het verleden, alsmede de enorme onbetaalde BTW- schulden van de “groep Vyncke” als geheel (+/- 48.000.000 F). In het verzoekschrift wordt als hoofdsom enkel de verschuldigde BTW bedoeld, IX-1260-5/10 daar waar bij toepassing van artikel 91, §1 BTW-wetboek een interest van 0,8 pct per maand van rechtswege verschuldigd is en dus steeds ook als hoofdsom dient te worden beschouwd. Deze interestverrekening streeft een schadevergoeding na, die ingebouwd is bij wet en waaraan afwijkingen slechts bij uitzonderlijke gevallen kunnen in overweging worden genomen.
  3. c)in de beslissing van 4 juli 1997 werd de onmiddellijke betaling van de BTW gevraagd, daar waar er pas betaald werd op 5 oktober 1997;
  4. d)er is geen sprake van een verkeerde imputatie van betalingen, aangezien er nooit beslist werd de boeten en interesten kwijt te schelden.” 1.5. Bij aangetekende brief van 22 juni 1998 wordt namens de n.v. Vynckim en de n.v. Vyncke Verkoopskantoor de nietigverklaring gevorderd van de bovenvermelde beslissing van de gewestelijke directeur BTW te Brugge van 23 april 1998 waarbij kwijtschelding van boeten en vrijstelling van intresten werd geweigerd (zaak A.79.061/IX-1260). Bij aangetekende brief van 22 juni 1998 wordt namens de n.v. Vynckim de nietigverklaring gevorderd van de bovenvermelde beslissing van de gewestelijke directeur BTW te Brugge van 4 juni 1998 waarbij kwijtschelding van boeten en vrijstelling van intresten werd geweigerd (zaak A.79.062/IX-1261). Over de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A.79.061/IX-1260 2.1. De verzoekende partijen hebben bij brief van 12 mei 1998 een “herziening” gevraagd van de beslissing van de gewestelijke directeur BTW te Brugge van 23 april 1998 waarbij een kwijtschelding van boeten en vrijstelling van intresten werd geweigerd. Naar aanleiding van dit willig beroep heeft de gewestelijke directeur de verzoekschriften tot kwijtschelding van geldboeten en vrijstelling van intresten aan een nieuw onderzoek onderworpen en op 4 juni 1998 beslist dat geen gunstig gevolg kon worden gegeven aan de verzoeken. 2.2. Aangezien voormelde beslissing van 4 juni 1998 na willig beroep in de plaats gekomen is van de beslissing van 23 april 1998, dient ambtshalve te worden vastgesteld dat het beroep in de zaak A.79.061/IX-1260 zonder voorwerp is. IX-1260-6/10 Over de gegrondheid van het beroep in de zaak A.79.062/IX-1261 3.1.1. De verzoekende partij voert een eerste middel aan, afgeleid uit de schending van artikel 84 van het BTW-wetboek, doordat de bestreden beslissing genomen werden door de gewestelijke directeur BTW terwijl voormeld artikel 84 de bevoegdheid om geldboeten kwijt te schelden aan de minister van Financiën toewijst. 3.1.2. De verwerende partij antwoordt dat het recht dat aan de minister van Financiën is verleend om administratieve boeten kwijt te schelden of te verminderen vatbaar is voor delegatie en dat de minister van Financiën deze bevoegdheid gedelegeerd heeft aan de gewestelijke directeurs van de BTW, registratie en domeinen, met vermogen ze verder over te dragen aan de adjunct- directeurs. De verwerende partij meent dan ook dat de gewestelijke directeur te dezen uitdrukkelijk gemachtigd is door de minister van Financiën. 3.1.3. De verzoekende partij repliceert dat de artikelen 84 en 91 van het BTW-wetboek duidelijk zijn en primeren op een dienstorder waarvan niets bewijst dat het vandaag nog geldt of in concreto zelfs nog maar wordt toegepast. 3.1.4. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de regel dat in de mogelijkheid tot delegatie door een tekst moet worden voorzien niet absoluut geldt. Zelfs al wordt de delegatiemogelijkheid niet uitdrukkelijk verboden of voorzien door de tekst van artikel 84 van het BTW-wetboek dan nog kan uit de parlementaire voorbereiding van het BTW-wetboek worden afgeleid dat het in de uitdrukkelijk intentie van de wetgever lag om delegatie van bevoegdheid mogelijk te maken. De verwerende partij stelt dat de minister van Financiën bij dienstorder uitdrukkelijk de aan hem overeenkomstig artikel 84 van het BTW-wetboek toegekende bevoegdheid gedelegeerd heeft aan de directeur-generaal van de BTW- administratie en aan de gewestelijke directeurs van die administratie, zij het dat de minister steeds het dossier kan oproepen om erover te oordelen. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de verzoekers zich niet conform artikel 84 van het BTW- wetboek tot de minister van Financiën gericht hebben maar tot de gedelegeerde overheid zodat besloten kan worden dat de verzoekers kennelijk op de hoogte waren van de delegatie. IX-1260-7/10 3.1.5. Artikel 84, tweede lid, BTW-wetboek, zoals het gold op het ogenblik van de bestreden beslissing, bepaalt dat de minister van Financiën beslist over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten. Artikel 84bis BTW-wetboek bepaalt dat de gewestelijke directeur BTW in bijzondere gevallen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling mag verlenen van alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde intresten of voor een deel ervan. Door de verwerende partij werd in het administratief dossier een “dienstorder” van 2 december 1991 neergelegd waarin de minister van Financiën onder meer de bevoegdheid die hem wordt toegewezen door artikel 84 BTW- wetboek uitdrukkelijk delegeert aan de gewestelijke directeurs BTW. Voor de wettigheid van een delegatie van bevoegdheden door een bepaalde overheid is in de eerste plaats vereist dat een zodanige delegatie is toegestaan door de regelgever die de betrokken bevoegdheid aan de bedoelde overheid heeft opgedragen. Te dezen voorziet noch artikel 84 van het BTW- Wetboek, noch enige andere wetsbepaling in de mogelijkheid voor de minister van Financiën om zijn bevoegdheid inzake kwijtschelding van geldboeten te delegeren aan bepaalde ambtenaren. Het enkele feit dat tijdens de parlementaire voorbereiding van het BTW-wetboek werd gesteld dat zulke delegatie van bevoegdheid wel mogelijk zou zijn, zoals door de verwerende partij in haar laatste memorie wordt aangevoerd, kan het ontbreken van een machtiging door de wetgever te dezen niet goedmaken. De verwerende partij kan zich dan ook niet beroepen op het genoemde dienstorder ter verantwoording van de delegatie van bevoegdheid aan de gewestelijke directeurs BTW. De omstandigheid dat de verzoekende partij zich tot de gewestelijke directeur BTW te Brugge heeft gewend, in plaats van tot de minister van Financiën, doet aan deze conclusie geen afbreuk. Het middel is gegrond. IX-1260-8/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep in de zaak A.79.061/IX-1260 wordt verworpen. Artikel 2. Vernietigd wordt de beslissing van de gewestelijke directeur BTW Brugge van 4 juni 1998 in de mate dat kwijtschelding van geldboeten geweigerd werd. Artikel 3. Het beroep in de zaak A.79.062/IX-1261 wordt voor het overige verworpen. Artikel 4. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, in de zaak A.79.061/IX-1260 bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, in de zaak A.79.062/IX-1261 bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1260-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1260-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.340 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.