id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.449 Rolnummer: A. 185764/VII-37737 Zaak: Arrest 180449 - Bewakingsondernemingen - 04/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-14 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:43 Fiche Arrest nr 180.449 van 4 maart 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.449 van 4 maart 2008 in de zaak A. 185.764/XII-
- In zake : de BVBA SECURITY OPERATIONS, die woonplaats kiest bij advocaten D. Debusscher en K. Roelandt, kantoor houdende te Brussel, Charles Madouxlaan 13-15 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Security Operations op 29 oktober 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 16 augustus 2007 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij haar de bijzondere toestemming tot het uitvoeren van gewapende bewakingsactiviteiten wordt geweigerd; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing; Gelet op de beschikking van 23 januari 2008, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 februari 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-5265-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Debusscher en advocaat M. Lecompte, loco advocaat K. Roelandt, voor verzoekster, en van attaché D. Liebens voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens
- Verzoekster verkrijgt bij ministerieel besluit van 13 november 2003 een vergunning, voor een periode van vijf jaar, tot het exploiteren van een bewakingsonderneming voor het uitoefenen van activiteiten bestaande uit toezicht op en bescherming van roerende en onroerende goederen, beheer van alarmcentrales en bescherming van personen. Zij vraagt op 30 maart 2004 de bijzondere toestemming aan om de bewakingsactiviteiten gewapend te mogen uitvoeren. De directie Private Veiligheid van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken vraagt haar met een brief van 13 oktober 2004 de vraag grondig te motiveren en aan te tonen dat zij effectief geconfronteerd wordt met de vraag naar gewapende goederenbewaking. Verzoeksters antwoord is 7 januari 2005 gedateerd. Op 24 november 2006 verschijnt in het Belgisch Staatsblad het koninklijk besluit betreffende de wapens die gebruikt worden door de ondernemingen, diensten, instellingen en personen bedoeld in de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Het koninklijk besluit, dat op twee artikelen XII-5265-2/5 na in werking treedt op de dag van de publicatie, heft het vorige koninklijk besluit terzake -het koninklijk besluit van 24 mei 1991 betreffende de wapens die gebruikt worden door de personeelsleden van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten- op. Met een e-mail van 12 maart 2007 bezorgt de directie Private Veiligheid aan verzoekster toelichting omtrent het nieuwe koninklijk besluit dat “er [kwam] naar aanleiding van de bevoegdheidsuitbreiding van de minister van Binnenlandse Zaken die de Nieuwe Wapenwet van 8 juni 2006 teweeg bracht”. Met de bestreden beslissing van 16 augustus 2007 weigert de minister van Binnenlandse Zaken de gevraagde bijzondere toestemming tot het uitvoeren van gewapende bewakingsactiviteiten omdat de motivering voor het gebruik van de wapens niet voldoet ten aanzien van het koninklijk besluit van 17 november 2006 en omdat het administratief dossier niet alle door dat koninklijk besluit vereiste documenten bevat. De toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurereglement
- Verzoekster voert in het verzoekschrift twee middelen aan. In een eerste middel betwist zij de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing, onder meer omdat “uiteraard” niet mag verwacht worden dat zij op het nieuwe koninklijk besluit kon anticiperen. In een tweede middel doet zij gelden dat verwerende partij reeds lang vóór het koninklijk besluit van 17 november 2006 een beslissing had kunnen en moeten nemen, dat het strijdig is met het vertrouwensbeginsel en de scheiding der machten om een beslissing bewust meer dan drie jaar uit te stellen in afwachting van strengere normen, en dat “in casu het rechtsherstel erin bestaat dat verwerende partij een heroverweging moet doen met toepassing van de wetgeving [...] zoals ze bestond vóór de inwerkingtreding van het Koninklijk Besluit van 17 november 2006; Dat immers anders de rechtsbescherming tegen een besluit genomen met schending van het beginsel dat de overheid een beslissing moet nemen binnen een redelijke termijn, dode letter is”. XII-5265-3/5
- In het auditoraatsverslag wordt voorgesteld het beroep als ongegrond te verwerpen, met toepassing van artikel 93 van het algemeen procedurereglement, omdat het slechts korte debatten vereist. Wat meer bepaald het tweede middel betreft wordt vooral benadrukt dat een vernietiging op grond van dat middel “voor de verzoekende partij geen recht op het verkrijgen van de bijzondere machtiging tot het uitvoeren van gewapende bewakingsactiviteiten [zou] doen ontstaan”, noch “de vaststelling inhouden dat de verwerende partij destijds op grond van dat koninklijk besluit verplicht was om de bijzondere machtiging tot het uitvoeren van gewapende bewakingsactiviteiten aan de verzoekende partij te verlenen”. Opgemerkt wordt eveneens dat verzoekster “er ook onder de gelding van het koninklijk besluit van 24 mei 1991 niet toe gekomen [is] haar aanvraag grondig te motiveren”.
- Ter terechtzitting betwist verzoekster de toepassing van de kortedebattenprocedure : zij verwijst uitvoerig naar de rechtspraak aangaande de vorige redactie van het artikel 93 en bepleit nadrukkelijk dat zij in de gelegenheid zou worden gesteld om schriftelijk op de stellingen in het auditoraatsverslag te reageren.
- In de visie van verzoekster is haar wederrechtelijk een beoordeling van haar aanvraag op grond van het koninklijk besluit van 24 mei 1991 onthouden doordat de verwerende partij bewust onredelijk lang met de behandeling van de aanvraag heeft getraineerd. Volgens haar zal, na een eventuele vernietiging op die grond, het goedmaken van de vastgestelde rechtsverstoring moeten inhouden dat de verwerende partij zich opnieuw over haar aanvraag uitspreekt, dit keer met toepassing van het koninklijk besluit van 24 mei
- Dat, zoals in het auditoraatsverslag wordt aangenomen, een vernietiging niet de vaststelling zou meebrengen van het recht van verzoekster om de gevraagde bijzondere toestemming te verkrijgen of van de vaststelling van de verplichting in hoofde van verwerende partij om die te verlenen, hoeft niet noodzakelijk problematisch te zijn, vermits het verzoekster uiteindelijk ook niet om XII-5265-4/5 een dergelijke vaststelling te doen is, maar alleen om een “heroverweging” op basis van het koninklijk besluit van 24 mei
- Overigens lijkt het, precies vanwege de beoordelingsmarge die de verwerende partij bij die eventuele heroverweging nog zou overhouden, enigszins voorbarig om er thans reeds vanuit te gaan dat verzoeksters aanvraag ook de toets aan het koninklijk besluit van 24 mei 1991 niet zal doorstaan.
- De conclusies van het auditoraatsverslag zijn niet van die aard dat de zaak geacht wordt in zoverre gereed te zijn dat ze definitief kan worden beslecht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het beroep wordt volgens de gewone rechtspleging voortgezet. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier maart 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5265-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.449 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.393 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div