← België

Arrest 180471 - Penitentiair recht - 04/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.471 Rolnummer: A. 187245/IX-5849 Zaak: Arrest 180471 - Penitentiair recht - 04/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:43 Fiche Arrest nr 180.471 van 4 maart 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.471 van 4 maart 2008 in de zaak A. 187.245/IX-

  1. In zake : Tugay PALABIYIK, die woonplaats kiest bij advocaat J. MILLEN, kantoor houdende te HOESELT, Tongersesteenweg 4, bus 1 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie.
  3. de directeur van de gevangenis te Hasselt. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tugay PALABIYIK op 27 februari 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Hasselt van 4 januari 2008, waarbij aan de verzoeker een tuchtstraf van 3 dagen strafcel en 6 maanden individueel regime wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 februari 2008 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 maart 2008 , om 15 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5849-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. KNOPS die, loco advocaat J. MILLEN, verschijnt voor de verzoeker en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  4. De verzoeker verblijft in de gevangenis te Hasselt. Op 28 december 2007 werd een celcontrole uitgevoerd. Bij de verzoeker werden onder meer een hoeveelheid pillen en in plastic verpakte substanties gevonden. Toen de verzoeker op 29 december 2007 merkte dat zijn pillen waren weggenomen, zou hij agressief zijn geworden. Voor dat feit werd hem op 2 januari 2008 een tuchtstraf (één week geen avondwandeling) opgelegd. Op 3 januari 2008 werd de verzoeker over de gevonden substanties ondervraagd door de directeur. De verzoeker zou daarbij erkend hebben dat het om hasj ging, gekocht van een penitentiair beambte. Hierover werd op 3 januari 2008 een rapport aan de directeur opgesteld. Dezelfde dag besliste de directeur om een tuchtprocedure tegen de verzoeker op te starten. Bij voorlopige maatregel werd aan de verzoeker bovendien een plaatsing op veiligheidscel opgelegd. Dezelfde dag zou de verzoeker in zijn cel onwel zijn geworden, volgens de verwerende partij wegens het inslikken van een drugscocktail. De verzoeker werd naar het ziekenhuis gevoerd. Na verzorging werd hij teruggebracht naar de gevangenis. In omstandigheden waarover de partijen het niet eens zijn, is de IX-5849-2/6 verzoeker in het ziekenhuis en in de gevangenis hardhandig aangepakt, zodat hij in een rolstoel geplaatst moest worden. Op 4 januari 2008 vond een hoorzitting plaats, waarop de verzoeker de naam zou hebben gegeven van de beambte van wie hij de hasj zou hebben gekocht. Dezelfde dag besliste de directeur om aan de verzoeker de volgende straf op te leggen: “3 dagen strafcel en 6 maanden individueel regime (individuele wandeling, bezoek achter glas, geen gemeenschappelijke activiteiten)”. Deze laatste beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Ze is dezelfde dag ter kennis van de verzoeker gebracht. Aanwijzing van de verwerende partij
  5. In zijn verzoekschrift wijst de verzoeker de volgende overheden aan als tegenpartijen: Federale overheidsdienst Justitie; Minister van Justitie; directeur van de gevangenis te Hasselt. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre ze is gericht tegen de directeur van de gevangenis te Hasselt. Volgens de verwerende partij is de directeur een orgaan van de overheid die de bestreden beslissing heeft genomen en kan hij zelf niet als verwerende partij worden aangeduid.
  6. De handeling waartegen de voorliggende vordering tot schorsing is gericht, gaat uit van de directeur van de gevangenis te Hasselt. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, handelt deze als orgaan van de Belgische Staat. Het is dan ook die laatste rechtspersoon, en niet een orgaan ervan, die als verwerende partij moet worden aangewezen. De directeur van de gevangenis dient daarentegen buiten de zaak gesteld te worden. Wat betreft de vertegenwoordiging van de Belgische Staat in het voorliggende geding, heeft het met het onderzoek belaste lid van het auditoraat terecht aangenomen dat deze partij vertegenwoordigd wordt door de minister van Justitie. IX-5849-3/6 Onderzoek van de vordering
  7. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 5.
  8. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid voert de verwerende partij aan dat de bestreden beslissing reeds van 4 januari 2008 dateert, terwijl het verzoekschrift pas op 16 februari 2008 is ingediend. De verzoeker heeft m.a.w. meer dan een maand gewacht om zijn vordering aanhangig te maken. Het gedrag van de verzoeker is dan ook niet in overeenstemming met de uiterst dringende noodzakelijkheid. 5.
  9. De rechtspleging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is van die aard dat het recht van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum beperkt wordt. Met het oog op de gelijkheid tussen de procespartijen is dan ook vereist dat de verzoeker zichzelf geen langere termijn toekent dan nodig om zijn vordering in te stellen. Van de verzoeker wordt met andere woorden verwacht dat hij de nodige diligentie aan de dag legt, en dat hij niet onredelijk lang wacht met het indienen van zijn verzoekschrift. Te dezen blijkt dat de bestreden beslissing is genomen op 4 januari 2008, en dat de voorliggende vordering is ingesteld bij een verzoekschrift dat gedateerd is op 16 februari 2008 en dat op 27 februari 2008 aangetekend naar de Raad van State is gestuurd. Ter zitting heeft de verzoeker de termijn van bijna twee maanden, gelegen tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het indienen van het verzoekschrift, verklaard door de fysieke toestand waarin hij zich na de incidenten van 3 januari 2008 bevond, met als gevolg dat het voor zijn raadsman moeilijk was om zijn verzoekschrift naar behoren voor te bereiden. De verzoeker maakt echter niet aannemelijk dat zijn fysieke toestand van die aard was dat zij hem gedurende bijna twee maanden belet zou hebben om de voorliggende vordering in te stellen. IX-5849-4/6 Nu de lange termijn tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het instellen van de voorliggende vordering niet op een overtuigende manier wordt verantwoord, moet geconcludeerd worden dat de verzoeker zich niet op de uiterst dringende noodzakelijkheid kan beroepen. 6.
  10. Ten overvloede moet nog opgemerkt worden, in verband met het moeilijk te herstellen enig nadeel, dat de verwerende partij aanvoert dat de verzoeker in het verzoekschrift niet uitlegt waarin dat nadeel zou bestaan. 6.
  11. Artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 16, § 2, 6/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met eventueel ter terechtzitting gegeven aanvullende feiten en verklaringen geen rekening kan worden gehouden. Te dezen beperkt de verzoeker zich ertoe in algemene bewoordingen te vragen om de bestreden beslissing te schorsen in afwachting van de behandeling van zijn beroep tot nietigverklaring, nu de opgelegde tuchtsanctie ondergaan zal zijn op het ogenblik dat de Raad van State over dat beroep uitspraak zal doen. Die uitleg is onvoldoende om de Raad van State ervan te overtuigen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een nadeel met zich zou brengen dat als “ernstig” beschouwd kan worden, in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  12. Er is aldus niet voldaan aan minstens twee van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de IX-5849-5/6 tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  13. De directeur van de gevangenis te Hasselt wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  14. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 maart 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5849-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.471 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.983 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.