id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.532 Rolnummer: A. 93643/X-9684 Zaak: Arrest 180532 - Plannen van aanleg - 05/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:44 Fiche Arrest nr 180.532 van 5 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.532 van 5 maart 2008 in de zaak A. 93.643/X-
- In zake :
- Luc VANHOOREN,
- Rosa MAECKELBERGH, wonende te 8600 DIKSMUIDE, Woumenweg 166 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106,
- de stad DIKSMUIDE die woonplaats kiest bij advocaat G. AMPE, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Kerkstraat 8, bus
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VANHOOREN en Rosa MAECKELBERG op 15 juli 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het bij besluit van 25 april 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media goedgekeurd bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven” genaamd, van de stad Diksmuide, bestaande uit 1 situeringskaart, 16 deelplannen bestaande toestand, 16 bestemmingsplannen met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, in de mate dat dit plan plankaart 11 betreft; Gelet op het arrest nr. 93.107 van 7 februari 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 28 maart 2001 ingediend door de verzoekers; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-9.684-1/19 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 28 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoeker en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 11 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. KEIRSBILCK, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en die eveneens, loco advocaat G. AMPE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekers zijn eigenaar van percelen gelegen te Diksmuide, Woumenweg 166, kadastraal gekend sectie D, nrs. 401/x, 401/w en 406/c. Op die percelen bevinden zich een woning met burelen, een “opslagplaats” (winkel met toonzaal), een vleeswarenfabriek en een afgebrande opslagplaats. In die gebouwen zijn het bedrijf Vleeswaren Vanhooren Luc en het transportbedrijf Translini bvba gevestigd. Voorts is er een vijver achter de bestaande woning ingeplant. Het woonhuis en de winkel zijn stedenbouwkundig vergund vóór
- De vleeswarenfabriek en de afgebrande opslagplaats hebben respectievelijk op 24 april 1986 en op 13 juli 1990 dergelijke vergunning verkregen. X-9.684-2/19 Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 februari 1979 vastgestelde gewestplan Diksmuide-Torhout, zijn de percelen deels in woongebied (woning met burelen, zeer klein gedeelte vijver, “opslagplaats” en zeer klein gedeelte vleeswarenfabriek) en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied (overgrote gedeelte vijver, overgrote gedeelte vleeswarenfabriek en afgebrande opslagplaats) gelegen. Tot vóór het bestreden besluit lagen de percelen niet in het beheersingsgebied van een door de Vlaamse regering - voorheen de Koning - goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. De percelen zijn volledig gelegen in de speciale beschermingszone “IJzervallei” in de zin van de richtlijn 79/409/EEG van de raad van Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. 1.
- Onder andere gelet op artikel 19 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, besluit de gemeenteraad van Diksmuide op 30 juni 1997 tot het verlenen van zijn goedkeuring voor de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voor het grondgebied van Diksmuide. 1.
- In zitting van 25 augustus 1997 besluit de gemeenteraad van Diksmuide de goedkeuring te verlenen tot de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg voor vergunde zonevreemde bedrijven. Daarbij wordt verwezen naar de “omzendbrief RO97/1 van 28 februari 1997 in verband met het B.P.A. zonevreemde bedrijven” alsook de “omzendbrief RO93/1” van 10 november 1993 “waarbinnen het kader werd aangegeven binnen hetwelk bijzondere plannen van aanleg die bestemmingen vastleggen, afwijkend van het gewestplan, kunnen opgestart worden”. In het besluit wordt daarnaast onder andere overwogen wat volgt: “Overwegende dat de problematiek van zonevreemde bedrijven actueel is en de uitbreiding van die bedrijven enkel met een bestemmingswijziging (gewestplan of bijzonder plan van aanleg) kan; Overwegende dat de omzendbrief handelt over bedrijven (zone-eigen industrie of zonevreemd onder andere landbouw, groen) die willen uitbreiden in een niet-geëigende bestemming (= zonevreemde uitbreiding); Overwegende dat er op het grondgebied van Diksmuide verschillende zonevreemde bedrijven zijn; Gelet op de voorontwerp-lijst van zonevreemde bedrijven op het grondgebied van Diksmuide; Overwegende dat aangewezen is dat er met de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg wordt gestart; X-9.684-3/19 Overwegende dat zo per bedrijf dat in aanmerking komt er een mini bijzonder plan van aanleg wordt opgemaakt”. 1.
- Bij gemeenteraadsbesluit van 24 november 1997 wordt de opmaak van het sectoraal bijzonder plan van aanleg toegewezen aan het studiebureau “Groep Planning”. 1.
- De Groep Planning heeft in opdracht van het gemeentebestuur van Diksmuide een bedrijfsenquête “naar de economische activiteiten, de historiek en de ruimtelijke behoefte van de bedrijven in Diksmuide” gehouden. Op basis van dat onderzoek is geconcludeerd tot het voorstellen van de opname van onder andere “Vanhooren Luc (...): vleeswarenbereiding en transportbedrijf” in het sectoraal BPA. Bij besluit van 24 september 1998 van het college van burgemeester en schepenen van Diksmuide is besloten tot de principiële goedkeuring van dat voorstel. Uit het verslag van een in het kader van de enquête verricht plaatsbezoek, blijkt dat de uitbreiding van het “bedrijfsgebouw vleeswaren” is gevraagd alsook de heropbouw van de “uitgebrande loods transportbedrijf”. 1.
- Met een brief van 30 september 1998 heeft de stad Diksmuide de verzoekers op de hoogte gebracht van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 24 september
- In de bijlage bij die brief waren drie exemplaren van een “overeenkomst met betrekking tot de deelname van een particulier in de kosten tot opmaak, herziening of wijziging van een bijzonder plan van aanleg” ter ondertekening opgenomen. Op 21 oktober 1998 heeft de eerste verzoeker die overeenkomst met het stadsbestuur van Diksmuide gesloten. Daarin verzoekt hij het stadsbestuur de percelen 401/x, 401/w en 406/c op te nemen in een bestemmingswijziging en gaat hij akkoord om de verschuldigde kosten voor de opmaak van het BPA te dragen. 1.
- De Afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap brengt op 4 juni 1999 advies uit. Hierin wordt omtrent het deelplan Vanhooren het volgende opgemerkt: “De afdeling kan niet akkoord gaan met de beleidsuitspraken omtrent dit bedrijf noch met het bestemmingsplan. Gelet op de ligging van het bedrijf is het noodzakelijk dat de gemeente een consensus heeft omtrent de beleidsvisie voor X-9.684-4/19 dit gebied (ligging in natuurverweving- en vogelrichtlijngebied en indeling in cat 1). Aldus is de zeer ruime uitbreiding ruimtelijk niet aanvaardbaar. Evenmin kan het creëren van toonzaal- en winkelfuncties en bestendiging van zonevreemde sportinfrastructuur worden aanvaard in een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven”. 1.
- Het advies van de Afdeling Land van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt op 8 juni 1999 uitgebracht. Daarin wordt met betrekking tot het bedrijf Vanhooren overwogen wat volgt: “De inplanting is voor een klein deel gesitueerd in woongebied, en voor het grootste deel in achterliggend agrarisch gebied, in de onmiddellijke nabijheid van de dorpskern Woumen. Wegens de specifieke ruimtelijke situering worden de externe landbouwstructuren slechts met mate verstoord. Dit voorstel kan uit het oogpunt van een goede landinrichting gedoogd worden”. 1.
- Ook op 8 juni 1999 brengt de Afdeling Natuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap advies uit dat luidt: “Vermits het desbetreffende BPA in Vogelrichtlijngebied gelegen is, kan de Afdeling Natuur dit BPA enkel mits onderstaande voorwaarden voldaan worden.(sic) De voorziene bufferzones dienen beplant te worden met streekeigen, inheemse boom- en struiksoorten zoals onder andere Zomereik, Gewone es, Zomerlinde, Beuk, Schietwilg, Eenstijlige meidoorn, Gladde Iep, Haagbeuk, Hulst, Sleedoorn, Gewone vlier. Het verlies aan feitelijke oppervlakte van het vogelrichtlijngebied dient in oppervlakte gecompenseerd te worden door uitbreiding van het vogelrichtlijngebied op een andere plaats. Hiervoor wordt best een vergadering belegd met de Afdeling Natuur”. 1.
- De GOM West-Vlaanderen formuleert in haar advies van 9 juni 1999 volgende opmerkingen inzake het bedrijf Vanhooren: “De activiteit van het bedrijf is tweeledig : vleesverwerking en wegtransport. Indien dit laatste geen transport betreft van vleeswaren/voedingswaren, dan stelt zich de vraag of de uitvoering van beide activiteiten op eenzelfde locatie wel aangewezen is (rekening houdend met onder meer hygiënische normen). Op het voorstel is ook niet aangegeven welk deel van de ambachtelijke zone voor welke activiteit is voorbehouden”. 1.
- In een brief van 7 juli 1999 stelt de Groep Planning aan het college van burgemeester en schepenen van Diksmuide voor om het bedrijf Vanhooren “uit het sectoraal BPA te lichten en er een klassiek BPA van te maken als uitvoeringsplan van de opties uit het gemeentelijk structuurplan”. Daartoe brengt het studiebureau twee redenen aan. Ten eerste, het opvangen van de kritiek van de X-9.684-5/19 Afdeling Ruimtelijke Planning dat “bestendiging van zonevreemde sportinfrastructuur (niet) wordt aanvaard in een sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven”. Rechts van de betrokken percelen van de verzoekers ligt immers een voetbalveld. Ten tweede, het creëren van de nodige tijd om contact op te nemen met Aminal Afdeling Natuur om te zoeken naar een oplossing voor het verlies aan een beperkte oppervlakte aan Europees vogelrichtlijngebied. 1.
- Het college van burgemeester en schepenen heeft in zitting van 8 juli 1999 besloten om aan de Groep Planning mede te delen dat het bedrijf in het sectoraal BPA wordt behouden mits rekening te houden met de volgende opmerkingen: “Overwegende dat het aangewezen is dat het bedrijf toch in het bijzonder plan van aanleg behouden blijft maar dat de sportinfrastructuur uit het bijzonder plan van aanleg wordt gelicht; Overwegende dat het bedrijf gelegen is op de rand van het Europees vogelrichtlijngebied en eigenlijk een randgeval is en het verlies aan een beperkte oppervlakte van Europees vogelrichtlijngebied ook niet via een klassiek bijzonder plan van aanleg kan worden opgelost”. In een brief van 19 juli 1999 gaf Luc Vanhooren nog volgende toelichting: “Naar aanleiding van Uw schrijven wil ik U het volgende mededelen. Vleeswaren Vanhooren Luc is een familiebedrijf gelegen langs de Woumenstraat 166 8600 Diksmuide. De aktiviteit bestaat hoofdzakelijk uit het vervaardigen van Pate's, waar ik, mijn vrouw en de beide zoons tewerkgesteld zijn. Daarnaast hebben we nog vier werknemers in dienst. Maar wegens de steeds hogere eisen van de gezondheidsdienst en IVK, zou er in de toekomst een uitbreiding moeten gebeuren voor het behoud van ons EEG nummer. Dit zou bestaan uit een uitbreiding van een garage en laadplaats voor de vrachtwagen en een ruimte voor het stokkeren van leeggoed als eveneens een afwasplaats voor gebruikte bakken en potten. Translini bvba is een bedrijf dat eveneens gelegen is op het zelfde adres en dat uitgebaat wordt door beide zoons. Daar het hier om een transportbedrijf gaat met reeds 10 werknemers, is het voor het bedrijf van belang dat alle materialen vrachtwagens en opleggers kunnen gestald worden op het privaat terrein weg van de openbare weg. Dit is in het belang van alle partijen, zodat zich geen onnodige ongevallen moeten voordoen”. 1.
- Op 9 augustus 1999 besluit de gemeenteraad van Diksmuide tot het voorlopig aannemen van het ontwerp sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven plankaart 1 tot 18 (plankaart 18 is een globaal situeringsplan), met uitzondering van plankaart 14 waarvoor al “binnen artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke X-9.684-6/19 ordening een oplossing wordt geboden voor het probleem van het bedrijf”, alsook tot het onderwerpen ervan aan het voorgeschreven openbaar onderzoek. De eigendom van de verzoekers maakt het voorwerp uit van plankaart
- Daarin wordt aan de bedrijfsgebouwen evenals een achterliggende strook de bestemming van “zone voor ambachtelijke activiteiten” gegeven met daarachter een “bufferzone”. De woning met burelen krijgt erin de bestemming van “zone voor woningen in vrijstaande bebouwing” met er rond een “zone voor tuinen rond woningen”. Vooraan het terrein voorziet het plan in een “zone voor voortuinstrook”. Luidens artikel 4.1.
- van de stedenbouwkundige voorschriften is de “zone voor ambachtelijke activiteiten” “bestemd voor de vestiging van ambachtelijke activiteiten die voor de omgeving geen abnormale hinder noch abnormaal brand- en ontploffingsgevaar, met inbegrip van water-, bodem-, of luchtvervuiling, veroorzaken of geluidshinder, stank en trillingshinder”. “Toonzaal- en/of winkelfunctie zijn niet toegelaten”. 1.
- Het openbaar onderzoek greep plaats van 1 september 1999 tot 1 oktober
- Er werden vijf bezwaren ingediend. Geen enkel daarvan had betrekking op het deelplan “11 - Vanhooren Luc”. 1.
- De Commissie van Advies voor de Ruimtelijke Ordening voor de Streek West-Vlaanderen adviseert op 26 november 1999 het ontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg, omvattende onder ander het deelplan “11 Vanhooren Luc vleeswarenbedrijf”, gunstig. 1.
- Op 20 december 1999 beslist de gemeenteraad alle bezwaarschriften te verwerpen en het sectoraal BPA definitief aan te nemen, met uitzondering van plankaart
- 1.
- Door de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen wordt op 13 januari 2000 besloten dat het sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven “met gunstig advies aan de hoger overheid (zal) worden voorgelegd”. 1.
- De Afdeling Ruimtelijke Planning brengt op 25 februari 2000 ongunstig advies uit en maakt dat over aan de bevoegde minister. In het besluit ervan wordt met betrekking tot onder ander het deelplan “11-Vanhooren Luc” gesteld: X-9.684-7/19 “Omwille van ruimtelijke (ligging in homogeen open ruimtegebied, zeer diepe insnijding en aantasting van het agrarisch gebied, ligging in beekvallei) en juridische-administratieve (onmogelijk maken van de uitvoering van andere decreten en regelgeving, wederrechtelijk opgerichte constructies) redenen worden de bedrijven (...) 11-Van Hooren Luc, (...) ongunstig geadviseerd”. 1.
- Bij brief van 17 maart 2000 rappelleert de gemeente Diksmuide de Vlaamse regering. 1.
- De Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media keurt op 25 april 2000 het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven” genaamd, van de stad Diksmuide, goed, “met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde plandelen en de met een blauwe rand omzoomde tekst van de stedenbouwkundige voorschriften”. Dat is het bestreden besluit. Daarin wordt onder andere overwogen: “Overwegende dat de richtlijn van de raad van de Europese gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (79/409/EEG), vastgelegd bij besluit van de Vlaamse executieve op 17 oktober 1988, voor het grondgebied van de Stad Diksmuide resulteerde in de afbakening van twee zones die samen het vogelrichtlijngebied ‘Ijzervallei’ vormen; dat in deze zone naast de gebieden die op de gewestplannen, in toepassing van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, als natuurgebieden, bosgebieden, bosgebieden met ecologisch belang en natuurreservaten vermeld zijn, de volgende habitats deel uitmaken van het vogelrichtlijngebied: rietvelden en zeggevelden, verlaten kleigroeven, oude veenwinningen, broekbossen, dijken, vijvers en moerassen; Overwegende dat de zestien plangebieden van het bijzonder plan van aanleg ‘BPA zonevreemde bedrijven’' in het gewestplan Diksmuide-Torhout bestemd worden als agrarisch gebied, landschappelijk waardevol agrarisch gebied, woongebied, woongebied met landelijk karakter, woonuitbreidingsgebied; dat het bijzonder plan van aanleg de vaststelling inhoudt van daarvan afwijkende bestemmingen, met name ‘zone voor ambachtelijke activiteiten’, ‘bufferzone’, ‘zone voor voortuinen voor ambachtelijke activiteiten’, ‘zone voor handels- en ambachtelijke activiteiten’, ‘zone voor recreatie met nabestemming ambachtelijke activiteiten’, ‘zone voor servicestation’, ‘gemengde zone voor wonen en/of activiteiten verwant aan ambachtelijke bedrijvigheid’, ‘zone voor wonen en ambachten’, ‘zone voor wonen’, ‘zone voor woningen in vrijstaande bebouwing’, ‘zone voor tuinen rond woningen’, ‘zone voor voortuinstrook’ , ‘zone voor voortuinen’ , ‘zone voor tuinen’ ; Overwegende dat artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, stelt dat een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het structuurplan Vlaanderen; Overwegende dat de gemeenteraad op 30 juni 1997 de beslissing nam tot opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat inmiddels reeds een X-9.684-8/19 startnota aan AROHM werd voorgelegd en dat er reeds een eerste structureel overleg volgens de omzendbrief RO 97/02 heeft plaatsgevonden op 16 april 1998; dat hiervan echter geen enkel document in het administratief dossier is terug te vinden; Overwegende dat voor de planonderdelen van het voorliggende BPA, zoals blijkt uit de toelichting bij het plan, een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, tenzij hierna anders vermeld; dat daarmee voor de hierna goedgekeurde planonderdelen is voldaan aan de tweede voorwaarde voor de toepassing van artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999; Overwegende dat in de toelichtingsnota de delen ‘2-bestaande ruimtelijke structuur’, ‘3-eerste proeve van ruimtelijke visie’, ‘4-inventarisatie van zonevreemde bedrijven’, ‘5-voorstel tot classificatie’, ‘6-zonevreemde bedrijven die willen uitbreiden’, en’7- toelichting per bedrijf’, met uitzondering van de van goedkeuring onthouden delen, in hoofdzaak principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en de omzendbrieven RO 93/01, betreffende de bijzondere plannen van aanleg welke afwijkingen inhouden ten opzichte van de gewestplannen van 10 november 1993 en RO 97/01 in verband met het bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven van 27 februari 1997, als basis hebben. (...) Overwegende dat de weergave van de bestaande toestand voor de verschillende deelplannen onnauwkeurig en onvolledig is, vooral wat betreft de correcte weergave van de bestaande verhardingen, reliëfwijzigingen, en inrichtingen voor opslag in open lucht; Overwegende dat in het bijzonder plan van aanleg voor bepaalde onderdelen niet wordt voldaan aan de administratieve vereisten zoals gesteld in voormelde omzendbrieven RO 97/01 en RO 93/01 dat daarnaast bepaalde onderdelen in strijd zijn met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, dat dit aanleiding geeft tot onthouding van goedkeuring voor die onderdelen, zoals hierna specifiek verantwoord; (...) Overwegende dat het bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften voor het deelplan ‘11- Van Hooren Luc’ voorziet in een bestemmingswijziging ter bestendiging en aanzienlijke uitbreiding van de huidige gebouwen; dat dit deelplan volledig is gelegen in de speciale beschermingszone ‘IJzervallei’ in de zin van de richtlijn 79/409/EEG van de raad van Europese Gemeenschappen van 2 april1979 inzake het behoud van de vogelstand; dat het decreet betreffende het natuurbehoud in artikel 8 het ‘standstill-beginsel’ wat betreft de kwantiteit en de kwaliteit van de natuur vooropstelt; dat ditzelfde decreet stelt dat de overheid er zorg voor draagt door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan; dat voor het betreffende deelplan in het plan van de bestaande toestand geen weergave terug te vinden is van de natuurwaarden van de beschermde habitats die in het deelplan voorkomen; dat de afdeling Natuur van AMINAL in haar advies bij het voorontwerp expliciet stelde dat het vogelrichtlijngebied ‘in oppervlakte’ moet worden gecompenseerd; dat er geen enkele reactie op dit advies is terug te vinden; dat in de bestaande toestand een vijver wordt weergegeven die in ieder geval een beschermde habitat vormt, waarvoor geen bijzondere bescherming wordt vermeld in de stedenbouwkundige voorschriften; dat binnen het dee1plan momenteel twee activiteiten worden uitgeoefend die omwille van hygiënische redenen ruimtelijk gescheiden moeten zijn; dat dergelijke differentiatie volledig ontbreekt; dat het noordoostelijk deel begrepen is in een goedgekeurde verkaveling, dat niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 41 van het decreet gecoördineerd op 22 oktober 1996 om met X-9.684-9/19 een plan van aanleg een verkavelingvergunning te herzien; dat om al deze (redenen) enkel de bestaande juridisch vergunde delen van het deelplan ‘11 Van Hooren Luc’ kunnen worden goedgekeurd”. Wat betreft plankaart 11 zijn de achterin gelegen niet bebouwde “zone voor ambachtelijke activiteiten” met aansluitende “bufferzone” evenals de achter de woning gelegen “zone voor tuinen rond woningen” uit het bijzonder plan van aanleg gesloten. De stedenbouwkundige voorschriften zijn door de minister ongewijzigd goedgekeurd. 1.
- Op 17 mei 2000 wordt de eerste verzoeker door het stadsbestuur in kennis gesteld van het bestreden besluit. 1.
- Het plan wordt op 3 juni 2000 bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt;
- Over de gegrondheid van het enig middel 2.
- Overwegende dat de verzoekers in hun verzoekschrift één middel aanvoeren: “Enig middel: onwettigheid van het Ministerieel Besluit en van het BPA. Schending van de artikelen 1, 14, 19 en 21 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en artikel 165 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, meer schending van het artikel 159 van de Grondwet, schending van het gelijkheidsbeginsel, meer schending van artikel 5.1.0 KB 28 december 1972, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en de verplichting over te gaan tot een nauwkeurige feitenvinding en deze feitelijke situatie en te betrekken en te verwerken in de motivering en beslissing alsmede schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Doordat het Ministerieel Besluit houdende goedkeuring van het Bijzonder Plan van Aanleg ‘sectoraal BPA zonevreemde bedrijven’ genaamd van de Stad Diksmuide gewag maakt van de beslissing van de gemeenteraad van de Stad Diksmuide op 30 juni 1997 tot opmaak van een Gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zonder dat enig document in het administratief dossier is terug te vinden. Terwijl artikel 14 van Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij Decreet van 18 mei 1999, stelt dat een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes van het structuurplan Vlaanderen Zodat het bijzonder plan van aanleg niet op wettige wijze afwijkt van het gewestplan. X-9.684-10/19 Toelichting: Overeenkomstig art. 14 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 richt het BPA zich naar de aanwijzingen en bepalingen van een streek-, gewest of algemeen plan wanneer er een bestaat en vult ze aan. Het bijzonder plan van aanleg kan er ‘desnoods’ van afwijken wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20 § 1 van het Decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke ordening of artikel 32 § 1 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening EN op voorwaarde dat een ruimtelijke (afweging) gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. De uitzonderingsregel die afwijkingen toelaat geldt slechts onder strenge voorwaarden: een wettige afwijking veronderstelt immers dat de afwijking steunt op de eigen aard van het betrokken deelgebied, op redenen die specifiek zijn aan dat deelgebied en die blijken uit de motivering van het afwijkend plan. Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van een vroeger vastgesteld gewestplan is immers enkel op wettige wijze mogelijk wanneer ‘tegelijk’ drie voorwaarden vervuld zijn: Eerste voorwaarde: Ten eerste moet er aangetoond worden dat de bestemming in het hoger plan achterhaald is of niet meer verwezenlijkt wordt. Tweede voorwaarde: Ten tweede moet de in het lagere plan voorgestelde bestemming beantwoorden aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en moet er een dringende behoefte bestaan om een daaraan aangepaste nieuwe afwijkende ordening. Derde voorwaarde: Ten derde moeten deze planologische redenen duidelijk en goed gelokaliseerd kunnen worden en steunen op de eigen aard van het betrokken deelgebied en mag de voorgestelde afwijkende ordening de algemene economie van het gewestplan niet aantasten. De wetgever heeft immers duidelijk gewild dat het hoger plan een dominerende rol moet blijven vervullen ten opzichte van het lagere. Het lagere plan moet essentieel op aanvulling van het naast hogere plan gericht zijn, m.a.w. de mogelijkheid om in een lager plan af te wijken van het hogere is alleen in de wet voorzien voor het geval dat daartoe noodzaak bestaat. Immers het hogere plan zou geen reden van bestaan meer hebben indien het lagere plan het via afwijkingen fundamenteel zou mogen wijzigen m.a.w. de door de wetgever gewilde rangorde van de plannen zou daardoor worden omgekeerd. (cfr. de artikelen 10 vierde lid, 13 vierde lid en 14 vierde lid van het Stedenbouwdecreet). Een BPA dat zich niet beperkt tot eenvoudige afwijkingen van het Gewestplan maar dat fundamenteel het karakter van een in dat Gewestplan opgenomen gebied wijzigt en afbreuk doet aan de essentiële gegevens van het Gewestplan kan niet worden aangenomen zonder voorafgaandelijke herziening van dat Gewestplan (cfr. Ministeriële Omzendbrieven RO 93/1 van 10 november 1993 betreffende de BPA’s welke afwijkingen inhouden ten opzichte van de Gewestplannen, RO 97/01 van 27 februari 1997 in verband met de BPA zonevreemde bedrijven.) De Stad Diksmuide heeft de bezwaren van verzoekende partij over het hoofd gezien en vergenoegt zich met een herziening in het vooruitzicht te stellen. Het BPA geeft aldus geen klaar antwoord op de bezwaren die verzoekende partij heeft ingediend tijdens het openbaar onderzoek. In het Bijzonder Plan van Aanleg moet het gelijkheidsbeginsel in acht worden genomen: een perceel mag alleen op grond van objectieve planologische gegevens in een bepaalde zone worden opgenomen, hetgeen in casu niet (het) geval is: een woongebied wordt onder meer ondergebracht in een zone bestemd voor de vestiging van ambachtelijke activiteiten die voor de X-9.684-11/19 omgeving geen abnormale hinder veroorzaken en waarin een toonzaal- en winkelfunctie niet zijn toegelaten. Het gebouwde gedeelte van de grond langs de openbare weg waarin een beenhouwerij wordt uitgebaat wordt in afwijking van de bestemming van het Gewestplan (woongebied) in het BPA ondergebracht in een zone met ambachtelijke activiteiten met verlies van toonzaal- en winkelfunctie”. 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord omtrent het enig middel stelt: “In het verzoekschrift wordt één middel aangevoerd dat naar het oordeel van verwerende partij op het eerste gezicht kennelijk ongegrond is.
- Betreffende het eerste middel 1.
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 1, 14, 19 en 21 van het gecoördineerd Stedenbouwdecreet van 22 oktober 1996, schending van artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, schending van artikel 159 van de Grondwet, schending van het gelijkheidsbeginsel, schending van artikel 5.1.
- van het K.B. van 28 december 1972, schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en schending van de formele motiveringswet. Volgens verzoekende partij wijkt het bijzonder plan van aanleg niet op wettige wijze af van het gewestplan daar niet voldaan is aan drie voorwaarden: 1) er moet aangetoond worden dat de bestemming van het hoger plan achterhaald is of niet meer verwezenlijkt wordt; 2) de in het lagere plan voorgestelde bestemming moet beantwoorden aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en er moet een dringende behoefte bestaan om een daaraan aangepaste nieuwe afwijkende orde, 3) deze planologische redenen moeten duidelijk, goed gelokaliseerd kunnen worden, steunen op de eigen aard van het betrokken deelgebied, en de voorgestelde afwijkende ordening mag de algemene economie van het gewestplan niet aantasten. (...) 1.
- Artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening stelt dat: ‘In artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 wordt tussen het vierde en het vijfde lid het volgende lid ingevoegd: ‘Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20 § 1 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, §1van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplanVlaanderen’.’ Krachtens artikel 204 van het decreet van 18 mei 1999 houdende (de) organisatie van de ruimtelijke ordening (...) treden de artikelen 165 en 166 na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad in werking. 1.
- Uit het bestreden besluit, dat dateert van na de bekendmaking van het D.R.O. blijkt dat: X-9.684-12/19 ‘Overwegende dat artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, stelt dat een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van een gewestplan, wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het structuurplanVlaanderen, Overwegende dat de gemeenteraad op 30 juni 1997 de beslissing nam tot opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, Overwegende dat voor de planonderdelen van het voorliggend BPA, zoals blijkt uit de toelichting bij het plan, een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, tenzij hierna anders vermeld; dat daarmee voor de hierna goedgekeurde planonderdelen is voldaan aan de twee voorwaarden voor de toepassing van artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999, Overwegende dat in de toelichtingsnota de delen ‘2-bestaande ruimtelijke structuur’, ‘3-eerste proeve van ruimtelijke visie’, ‘4- inventarisatie van zonevreemde bedrijven’, ‘5-voorstel tot classificatie’, ‘6-zonevreemde bedrijven die willen uitbreiden’, en’7- toelichting per bedrijf’, met uitzondering van de van goedkeuring onthouden delen, in hoofdzaak principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en de omzendbrieven RO 93/01, betreffende de bijzondere plannen van aanleg welke afwijkingen inhouden ten opzichte van de gewestplannen van 10 november 1993 en RO 97/01 in verband met het bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven van 27 februari 1997, als basis hebben.’ 1.
- Verzoekende partij houdt verkeerdelijk voor dat in casu het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ van de stad Diksmuide enkel ‘desnoods’ kon afwijken van het gewestplan, mits te voldoen aan de drie voorwaarden die zij vermeldt in haar verzoekschrift. Het volstond te dezen vast te stellen, zoals dit in het bestreden besluit op uitdrukkelijke, afdoende en draagkrachtige wijze gebeurt, dat de stad Diksmuide besloot tot de opmaak van een gemeentelijk structuurplan en vaststellen, na kennisname van het administratief dossier (...), dat de goedkeurde bestemmingswijzigingen berusten op de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Voor wat de uitsluiting tot herziening van bepaalde gebieden van het kaartblad 11 betreft, dient opgemerkt dat verzoekende partij hiertegen geen kritiek formuleert. 1.
- Tot slot dient vastgesteld dat verzoekende partij geen bezwaarschrift terloops het openbaar onderzoek heeft ingediend, zodat bezwaarlijk kan worden aangevoerd dat het bestreden BPA ‘geen klaar antwoord’ geeft op de bezwaren die verzoekende partij heeft ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Uit voorgaande volgt dat de in het middel aangehaalde bepalingen niet zijn geschonden”; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord omtrent het enig middel stelt: “
- De verzoekende partij besluit in de eerste plaats tot onwettigheid van het Ministerieel Besluit omwille van een beweerde schending van inzonder(heid) artikel 14 van het decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, stellend dat een Bijzonder Plan Aanleg kan afwijken van de voorschriften van het Gewestplan, wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een X-9.684-13/19 gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes van het structuurplan Vlaanderen. Terzake moet worden aangestipt dat dit middel elke grond mist: de stad diksmuide heeft beslist tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, op 30 juni 1997 (...); één en ander wordt letterlijk overwogen in het bestreden besluit; Anderzijds is er een afdoende ruimtelijke afweging gebeurd op basis van de principes van het structuurplan Vlaanderen. Aan de voorwaarde is voldaan als de gemeenteraad heeft beslist tot de opmaak van een structuurplan (cfr. voorbereidende werken decreet 18 mei 1999 - stuk 1332 (1998-99) - nr. 8 - pag. 114).
- De stelling van de verzoekende partij dat een afwijking slechts mogelijk is, indien en op voorwaarde dat zowel de voorwaarden vermeld in het vierde (lees vijfde) lid van artikel 14 DRO, cumulatief voorhanden zijn met de jurisdictionele voorwaarden van art. 14, 3de (lees 4de ) lid DRO, kan hoegenaamd niet worden bijgetreden: de afwijkingsmogelijkheid, voortvloeiend uit art. 14, 4de (lees 5de) lid DRO, bestaat parallel naast de ‘reguliere’ afwijkingsmogelijkheid vervat in art. 14 3de (lees 4de) lid DRO.
- Ten overvloede dient dan ook te worden aangehaald dat, zelfs indien de jurisdictionele voorwaarden, vervat in art. 14, lid 3 (lees 4) DRO, toepassing zou vinden, dat dan nog niet blijkt dat aan die voorwaarden niet zou zijn voldaan. De verzoekende partij geeft in elk geval niet aan op welke punten de bestreden beslissing de desbetreffende voorwaarden zou schenden. Uit het hele administratieve dossier blijkt immers genoegzaam dat terzake het deelgebied 11/plankaart 11: - de bestemming in het hoger plan achterhaald is, of althans niet meer verwezenlijkt wordt: de verzoekende partij geeft dit zelf aan, nu ze aldaar zonevreemde activiteiten heeft; - de in het lagere plan voorgestelde bestemming beantwoordt aan de bestaande planologische noden en mogelijkheden, waarbij er een dringende behoefte bestaat naar een daaraan aangepaste nieuwe afwijkende ordening: precies om die reden heeft de verzoekende partij zelf om de bestemmingswijziging verzocht; - de planologische noden werden duidelijk en goed gelokaliseerd, steunend op de eigen aard van het betrokken deelgebied, en de afwijkende ordening tast de algemene economie van het Gewestplan niet aan.
- De verzoekende partij heeft het verder over beweerdelijk ingediende bezwaren. Tweede verwerende partij kan terzake klaar en duidelijk zijn: er werden nimmer bezwaren ingediend door de verzoekende partij. Integendeel: de hele procedure werd afgehandeld, overeenkomstig de uitdrukkelijke wensen en instructies van de verzoekende partij zelf. In dat opzicht moet inderdaad worden verwezen naar de door de verzoekende partij zelf gegeven opdracht en gesloten overeenkomst, waarbij werd verzocht de percelen, gelegen Woumenweg te Woumen, kadastraal gekend 8ste afdeling, sectie D nrs. 401x, 401w en 406c, zoals aangeduid op het bijgevoegd uittreksel uit het kadastraal plan, op te nemen in een bestemmingswijziging (...). De werkelijke toedracht blijkt gewoon te zijn dat er in hoofde van de verzoekende partij allicht een materiële vergissing is gebeurd: terzake de slagerij stelde er zich nooit een probleem, nu de uitbating, binnen het woongebied, perfect rechtsgeldig was. Zonevreemd waren uitsluitend het vleesverwerkingsbedrijf en het transportbedrijf. Terzake is het duidelijk dat bij het doorvoeren van de procedure geen aandacht werd besteed aan de bestaande slagerij - die er zich overigens sinds jaar en dag bevindt, en waaromtrent het ook nooit de bedoeling is geweest die bestemmingsmogelijkheid, naar de toekomst toe, uit te sluiten. X-9.684-14/19 In de mate dat ook dit gebouw thans in de ambachtelijke zone is opgenomen, met als bijzonder stedenbouwkundig voorschrift dat een toonzaal/of winkelfunctie er is verboden, is er dan ook een, in elk geval voor de tweede verwerende partij niet gewenst probleem gerezen, althans in zoverre de actuele uitbating van de slagerij daardoor in het gedrang zou komen.
- Waar de verzoekende partij tenslotte gewaagt van een schending van het gelijkheidsbeginsel, moet worden aangestipt dat die beweerde schending in geen enkel opzicht verantwoord noch gestaafd is. Het middel mist dan ook elke grond”; 2.
- Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord repliceren: “‘Onwettelijkheid van het Ministerieel Besluit en van het BPA.’ Art. 14 derde (lees vierde) lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 bepaalt dat het bijzonder plan van aanleg zich richt naar de aanwijzingen en bepalingen van het gewestplan en deze aanvult en dat het desnoods ervan kan afwijken. Uit deze bepaling volgt dat het gewestplan een richtsnoer is voor het bijzonder plan van aanleg dat essentieel op nadere uitvoering en aanvulling van het gewestplan is gericht, en dat de mogelijkheid om in het bijzonder plan van aanleg af te wijken van het gewestplan alleen bestaat voor het geval dat daartoe noodzaak bestaat. De term ‘desnoods’ wijst erop dat tegelijk:
- is aangetoond dat de bestemming in het gewestplan ‘achterhaald’ is of niet meer verwezenlijkt kan worden.
- de in het bijzonder plan voorgestelde bestemming beantwoordt aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en er een dwingende behoefte bestaat aan een door aangepaste nieuwe, afwijkende ordeningen waardoor er geen tijd is om deze te verwezenlijken door de wijziging van het gewestplan.
- deze planologische noden duidelijk en goed gelokaliseerd kunnen worden en beperkt zijn in omvang
- de voorgestelde afwijkende ordening geen middel is om het gewestplan te corrigeren
- het vervullen van deze voorwaarden blijkt uit de formele, zoniet minstens uit het dossier af te leiden motivering van het afwijkend plan Uit het bovenstaande volgt dat alleszins het bijzonder plan van aanleg niet tot doel mag hebben van het gewestplan af te wijken of van zijn beheersingsgebied een bestemming vast te stellen die zich in genere dele richt naar de aanwijzingen en bepalingen van het gewestplan en deze geenszins aanvult. In casu bevindt zich een beenhouwerij op het bebouwde gedeelte van de grond langs de openbare weg die wordt uitgebaat in geoorloofde afwijking van de bestemming van het gewestplan (woongebied). Inzonderheid dit bebouwde gedeelte kadastraal gekend onder 401W en 401X en palend aan de Woumenweg wordt door het bestreden BPA ondergebracht in een zone voor ambachtelijke activiteiten met verlies van toonzaal- en winkelfunctie. Het bestreden BPA wijzigt aldus fundamenteel het karakter van een in het gewestplan opgenomen gebied. X-9.684-15/19 In casu dient dan ook geredelijk te worden aangenomen dat het bestreden BPA de kwaliteit van de bestemming van de woonomgeving op ingrijpende wijze zal aantasten. Alhoewel niet wordt voorgeschreven op welke wijze de bestaande toestand moet worden weergegeven, moet de weergave ervan dusdanig zijn dat de overheden, die het bijzonder plan van aanleg aannemen en goedkeuren, zich een voldoende duidelijk beeld kunnen vormen van de bestaande situatie, zodat zij de toekomstige ordening van een bepaald gebied met kennis van zaken aan die situatie kunnen toetsen en inzonderheid kunnen oordelen of het wel opportuun is aan een bepaald gebied deze of gene bestemming te geven rekening houdend met de feitelijke situatie. Bij gebreke aan overlegging van de desbetreffende stukken moet de onduidelijkheid omtrent de documenten die gehanteerd werden ter weergave van de bestaande toestand, inzonderheid wat betreft de juistheid in de volledigheid ervan tegen de verwerende partij wordt ingebracht. Tweede verwerende partij beaamt trouwens de bezorgdheid van verzoekende partij en gewaagt van een materiele vergissing en van een probleem die door haar niet werd gewenst althans in zoverre de actuele uitbating in het gedrang zou komen. Feit is dat de exploitatie en verbouwingsplannen van verzoekend(e) (...) partij gehypothekeerd zijn aangezien de toonzaal- en winkelfunctie niet meer toegelaten is. Verzoekende partij verwijst onder meer naar de handelshuurovereenkomst en het plan van architect DE BURGHGRAEVE d.d. 23.10.1999 waaruit blijkt dat zij van plan is het bestaande gebouw te verbouwen tot twee winkels met twee appartementen. Het verbouwen van de bestaande vergunde gebouwen in afwijking van de bestemming van het BPA is dan ook uitermate problematisch. Het bestreden bijzonder plan van aanleg als instrument van ruimtelijke ordening brengt deze plannen ernstig in het gedrang hetgeen onwettelijk afwijkt van het gewestplan. Er lijkt dan ook te moeten worden aangenomen dat het bestreden plan erop gericht is van het gewestplan af te wijken en derhalve onwettig is”; 2.
- Overwegende dat de verzoekers nog in hun laatste memorie aanvoeren dat “het nieuwe element in (...) (de) memorie van wederantwoord omtrent de onduidelijkheid van de weergave van de bestaande toestand (...) geen nieuw middel (is) maar een verduidelijking van haar oorspronkelijk middel.”; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar laatste memorie niets meer toevoegt aan haar argumentatie; 2.7.
- Overwegende dat het bestreden besluit ondermeer overweegt wat volgt: “Overwegende dat artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, stelt dat een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het X-9.684-16/19 opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het structuurplan Vlaanderen; dat op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, namelijk op 25 april 2000, artikel 14 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening (hierna het coördinatiedecreet) luidde als volgt: “Het bijzonder plan van aanleg geeft voor het deel van het gemeentelijk grondgebied aan : 1° de bestaande toestand; 2° de gedetailleerde bestemming van de in sub. 2° van artikel 13 bedoelde gebiedsdelen; 3° het tracé van alle in het bestaande verkeerswegennet te brengen wijzigingen; 4° de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen. Het kan bovendien aangeven : 5° de voorschriften betreffende het aanleggen en uitrusten van de wegen, de bouwvrije stroken en de beplantingen; 6° de plaatsen die bestemd worden voor het aanleggen van groene ruimten, bosreservaten, sportvelden en begraafplaatsen, alsmede voor openbare gebouwen en voor monumenten; 7° indien een ruilverkaveling of herverkaveling nodig blijkt, de grenzen van de nieuwe kavels, onder vermelding dat die grenzen door het schepencollege kunnen worden gewijzigd met goedkeuring van de Vlaamse regering. De hierboven opgesomde voorschriften kunnen eigendomsbeperkingen inhouden, met inbegrip van bouwverbod. Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van (...) houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. De goedkeuring van het bijzonder plan door de Vlaamse regering ontheft de gemeente van alle andere wettelijke formaliteiten inzake rooiplannen”; dat uit de vergelijking tussen de tekst van de overweging van het bestreden besluit en de tekst van artikel 14 van het coördinatiedecreet blijkt dat in casu toepassing is gemaakt van artikel 14, vijfde lid van voormeld decreet; dat het vijfde lid van voormeld artikel 14 is ingevoegd door het artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna DRO), dat overeenkomstig artikel 204 DRO op 18 juni 1999 in werking is getreden; Overwegende dat de Minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke X-9.684-17/19 Ordening, in zijn “Inleidende uiteenzetting” bij het ontwerp van decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voor de Commissie voor Ruimtelijke Ordening, Openbare Werken en Vervoer in zitting van 19 april 1999 (Parl. St., Vl.P., 1998-1999, stuk 1332, nr. 8, 8) onder meer heeft verklaard wat volgt: “(...) Wat de van het gewestplan afwijkende, al dan niet ‘sectorale’ BPA’s betreft, wordt voorzien in een decretale verankering: het huidige ‘desnoods afwijken’ wordt vervangen door afwijken zonder meer, op voorwaarde dat de gemeente gestart is met het structuurplanningsproces en op voorwaarde dat de principes van het RSV worden gerespecteerd”; dat daaruit volgt, enerzijds, dat artikel 14, vierde lid van het coördinatiedecreet andere voorwaarden oplegt om met een bijzonder plan van aanleg te kunnen afwijken van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan dan die vermeld in artikel 14, vijfde lid van het coördinatiedecreet en, anderzijds, dat de afwijkingsmogelijkheid van artikel 14, vijfde lid van het coördinatiedecreet parallel bestaat naast de “reguliere” afwijkingsmogelijkheid bedoeld in artikel 14, vierde lid van voormeld decreet; dat die laatstgenoemde bepaling in casu niet is toegepast; dat de verzoekers er dan ook ten onrechte vanuit gaan dat de door de Raad van State in zijn rechtspraak ontwikkelde voorwaarden bedoeld door “desnoods” in artikel 14, vierde lid van het coördinatiedecreet, in casu moesten worden toegepast; 2.7.
- Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekers tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaarschriften hebben ingediend; dat ze dan ook niet kunnen stellen dat er niet geantwoord werd op hun bezwaren; dat ook dit onderdeel van het middel niet gegrond is; 2.7.
- Overwegende dat de verzoekers het middelonderdeel waarin ze de schending aanvoeren van het gelijkheidsbeginsel niet hebben uitgewerkt met een vergelijking tussen feitelijke en/of juridische toestanden; dat ze daarin bovendien in wezen herhalen wat ze inzake de wettigheid van afwijking van het gewestplan hebben aangevoerd; dat ook dat onderdeel van het middel derhalve als ongegrond wordt afgewezen; 2.7.
- Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord nog een middelonderdeel aanvoeren inzake de onduidelijkheid van de weergave van de bestaande toestand; dat het een nieuw middel betreft dat niet van openbare orde is en dus door de verzoekers in het inleidend verzoekschrift had moeten worden aangevoerd; dat het bijgevolg onontvankelijk is; X-9.684-18/19 2.7.
- Overwegende dat het enig middel wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft.. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf maart 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9.684-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.532 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.93.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div