id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.930 Rolnummer: A. 184963/XIV-29791 Zaak: Arrest 180930 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.930 van 12 maart 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.930 van 12 maart 2008 in de zaak A. 184.963/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 27 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 24 juli 2007 waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking nr. 1341 van 8 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.791-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. RENDERS die, loco Advocaat T. HERMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “SCHENDING VAN ARTIKEL 33 VAN DE CONVENTIE VAN GENÈVE MET BETREKKING TOT DE STATUS VAN VLUCHTELING VAN 8 JULI 1951 Doordat de bestreden beslissing verzoekster verplicht naar Iran terug te keren. Terwijl artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de Status van Vluchteling van 8 juli 1951 (goedgekeurd door de wet van 26 juni 1953) de verdragsluitende partijen verbiedt een vluchteling uit te wijzen of terug te drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar haar leven of haar vrijheid zouden zijn bedreigd omwille van haar ras, haar religie, haar nationaliteit, van haar behoren tot een bepaalde sociale groep of omwille van haar politieke overtuiging. Zodat de Vaste Beroepscommissie in elk geval de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake was van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoekster bij een terugkeer naar Iran. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd. Toelichting : Doordat de Vaste Beroepscommissie zonder meer het beroep heeft verworpen, kon zij zonder enig verder onderzoek de aanvraag van verzoekster afwijzen. Door op geen van deze elementen in te gaan werd de verplichting om de verklaringen van verzoekster te toetsen aan hun waarachtigheid geschonden. Dat verzoekster tot op heden bevreesd is voor haar terugkeer naar Iran, is begrijpelijk nu ons nog zeer regelmatig berichten bereiken omtrent terreur en geweld in Iran, waardoor tot op heden slachtoffers vallen. Gelet op deze situatie is het geenszins aangewezen verzoekster met haar familie terug te sturen naar haar geboorteland. De vrees voor een terugkeer is derhalve gerechtvaardigd, zodat verzoekster zich terecht vluchteling verklaarde en het bevel tot terugkeer ten onrechte werd genomen. Minstens kon het gevoerde onderzoek niet tot de genomen beslissing leiden. Het middel is derhalve gegrond.”; 1.1.
- Overwegende dat de schending van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, niet dienstig kan worden ingeroepen tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan XIV-29.791-2/7 over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene; dat het eerste middel onontvankelijk is; XIV-29.791-3/7 1.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “SCHENDING VAN DE ARTIKELEN
- 3 EN 5 LID 1 VAN HET EUROPEES VERDRAG VAN 4 NOVEMBER 1950 TER VRIJWARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN (E.V.R.M.). Doordat de bestreden beslissing verzoekende partij de facto verplicht naar Iran terug te keren. Terwijl artikel 2 van voormeld verdrag het recht op leven beschermt. Dat artikel 3 de verdragsluitende staten verbiedt personen te onderwerpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Dat artikel 5, lid 1 aan iedereen het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid toekent. De schending van artikel 3 door een staat kan niet alleen voortvloeien uit de rechtstreekse actie van deze staat, die zelf de vernederende of onmenselijke behandeling zou opleggen, maar eveneens uit het feit dat een staat zijn medewerking verleent op de een of andere manier aan een uitzetting naar een land waar een schending van artikel 3 dreigt. Zie in die zin EHRM, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, 7.7.1989, serie A, nr. 161 Zodat verzoekster op basis van deze beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens. Toelichting : Verzoekster kan hiervoor verwijzen naar hetgeen hierboven bij feitenrelaas reeds werd uiteengezet : bij een terugkeer zal zij - onafgezien van het gevaar dat in Iran nog steeds bestaat - onmiskenbaar een probleem hebben met de politie die haar eerder al arresteerde, ondervraagde, ... Ook dit middel is derhalve gegrond.”; 1.2.
- Overwegende dat de schending van artikel 2, artikel 3 en artikel 5, eerste lid, van het E.V.R.M. niet dienstig kunnen worden aangevoerd tot nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat het tweede middel onontvankelijk is; 1.3.1 Overwegende dat verzoekster als derde middel aanvoert: “Genomen uit de schending van artikelen 26 en 77§1 van de wet van 15 september 2006 Doordat, de bestreden beslissing artikel 26 van de wet van 15 september 2006 niet in overweging heeft genomen terwijl, deze verplichting echter wel wordt voorgeschreven in artikel 77§1 van de wet van 15 september 2006 zodat, het bestreden besluit op dit vlak in strijd is met de artikelen 26 en 77§1 van de wet van 15 september
- Toelichting van het middel Voor zover de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen correct heeft geoordeeld dat verzoeker geen gevaar loopt om vervolgd te worden in de zin van het Verdrag van Genève, quod certe non, loopt verzoeker in zijn herkomstland alleszins een reëel risico op ernstige schade in de zin van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in zijn land van herkomst. Nieuw artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt in die zin het volgende: " de subsidiaire beschermingstatus wordt toegekend ten aanzien XIV-29.791-4/7 van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert een reëel risico zou lopen op ernstige schade, en hij zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen". Verzoekster verwijst voor het bestaan van een reëel risico op ernstige schade naar de bovenvermelde feiten. In casu werd verzoekster tweemaal opgepakt door de Iranese autoriteiten, werd zij door hen geslagen in het gezicht, door elkaar geschud opdat zij zou vertellen over haar echtgenoot en tot welke partij hij behoorde. Na vijf dagen werd ze uiteindelijk vrijgelaten mits ondertekening van een verklaring dat ze Paveh niet mocht verlaten zonder toestemming van het Ettelaat en moest ze zich vanaf dan elke zaterdag op het bureau melden ter controle van haar aanwezigheid in Paveh, dit een jaar lang verplicht. Tot twee jaar na haar arrestatie bleef ze onder controle staan van het Ettelaat. Na de inval van het Ettelaat met Nieuwjaar in de feestzaal en de vele militanten die er toen opgepakt en geëxecuteerd werden, kwamen agenten haar thuis zoeken om haar te arresteren. Toen ze haar niet thuis vonden, heeft het Ettelaat haar vader gearresteerd en tot op heden houden ze hem gevangen door het Iraanse regime. Op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken lezen we als reisadvies aangaande Iran het volgende : Veiligheidsniveau 3: Niet-essentiële reizen naar bepaalde gebieden worden afgeraden. 1.VEILIGHEIDSSITUATIE Terreurdreiging In de provincie Khuzestan zijn de laatste jaren geregeld bomaanslagen gepleegd tegen officiële doelwitten. Actualiteit In bepaalde delen van Sistan-Balouchistan en Kerman, maar ook in de provincies Pars en Isfahan, zijn drugsbendes actief. Soms komt het er tot een gewapend treffen tussen de Iraanse autoriteiten en de drugshandelaars. Ontvoeringen van buitenlanders met het eisen van losgeld komen voor. In de loop van het jaar 2006 hebben zich zeer ernstige incidenten voorgedaan in de streek van Kerman. Elementen behorend tot de verzetsbeweging "Jundollah" hebben moorddadige aanslagen gepleegd tegen leden van de politie en onschuldige burgers. Bij Iranshahr heeft begin januari 2007 een gewapend treffen tussen de politie en bandieten dodelijke slachtoffers gemaakt. Een 18-uur durend vuurgevecht tussen trafikanten en de politie bij Semirom in de provincie Isfahan op 30 januari 2007 heeft 14 dodelijke slachtoffers gevergd. Een bomaanslag gericht tegen de Revolutionaire Wachters in Zahedan, hoofdplaats van Sistan Baluchistan, heeft midden februari 2007 verschillende dodelijke slachtoffers en gewonden geëist. De aanwezigheid van het Iraanse leger in het gebied is ten gevolge van het incident beduidend verstrekt. De grensovergangen met Pakistan in het gebied zijn gesloten. De evolutie van de Iraakse kwestie heeft nog steeds een weerslag op de veiligheid van reizigers in gebieden dicht bij de Iraakse en Turkse grenzen. Einde februari had een gewapend treffen plaats tussen Koerdische infiltranten en het leger bij de plaats Khoy. Bij de stad Salmas in West Azerbaijan grepen eind mei ernstige gewapende incidenten plaats tussen het leger en gewapende opstandelingen. De politieke spanning tussen Iran en de Internationale Gemeenschap (nucleaire kwestie, gevangenneming Britse militairen) is toegenomen. Het is niet uitgesloten dat dit -gegeven een ongunstige impact heeft op het reizen naar en in Iran. Personen die de intentie hebben naar Iran te reizen wordt aangeraden de politieke actualiteit van nabij te volgen en geregeld dit reisadvies te raadplegen. Reizigers worden stellig aangeraden de Belgische Ambassade in Teheran per fax of email (00 98 21 22 04 46 08) Teheran@diplobel.be) in kennis te stellen van hun persoonsgegevens, reisroute, en de gegevens van hun contactpersoon in België. Het is duidelijk dat het voorgaande volledig kadert in een gevaar conform art. 3 EVRM, zodat verzoekster alleszins recht heeft op subsidiaire bescherming overeenkomstig de Wet van 15 september
- Niettegenstaande het feit dat verzoekster werd vrijgelaten, is het gevaar voor folteringen en mensonterende behandelingen voor verzoekster nog XIV-29.791-5/7 steeds actueel. Sinds haar vrijlating staat verzoekster bij de Iranese autoriteiten bekend als een "politiek gevaarlijk persoon". Bovendien staan de Iraanse autoriteiten sinds verzoeksters verblijf in België nog meer wantrouwig tegenover haar. Kortom, verzoeker wordt door de Iraanse autoriteiten beschouwd als een gevaar voor de staat. Om deze redenen heeft verzoekster alleszins recht op subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de wet van 15 december
- De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft in casu deze bescherming niet in overweging genomen zodat er sprake is van een schending van artikel 77§1 van de wet van 15 september
- De subsidiaire bescherming is immers op 10 oktober 2006 in werking getreden, zodat volgens artikel 77§1 van de wet van 15 september 2006 vanaf deze datum bepalingen inzake de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing zijn op alle asielverzoeken die in behandeling zijn of die vanaf dan ingediend worden. Vanaf 10 oktober 2006 zijn de asielaanvragen als het ware een dubbele vraag, wat wil zeggen dat de asielinstanties vanaf dan automatisch oordelen over zowel de vluchtelingenstatus als over de subsidiaire bescherming. Het gaat dus om een eenheidsprocedure. Het asielverzoek van verzoeker was op 10 oktober 2006 hangende bij de Vaste Beroepscommissie, doch de subsidiaire bescherming werd niet in overweging genomen zodat er derhalve sprake is van een schending van art. 77 §1 van de wet van 15 september
- Het middel is gegrond.”; 1.3.
- Overwegende dat artikel 77, §1, van de wet van 15 september 2006 een overgangsbepaling is, die enkel van toepassing is op het onderzoek door de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen; dat deze bepaling niet van toepassing is op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die de bestreden beslissing heeft genomen; dat artikel 77, §1 de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet oplegt artikel 26 van voornoemde wet van 15 september 2006 in overweging te nemen; dat het middel niet dienstig wordt aangevoerd tot vernietiging van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat het derde middel onontvankelijk is; 1.
- Overwegende dat, aangezien het beroep geen ontvankelijk rechtsmiddel bevat, het zelf niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, XIV-29.791-6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.791-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.