← België

Arrest 180931 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.931 Rolnummer: A. 185268/XIV-29853 Zaak: Arrest 180931 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.931 van 12 maart 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.931 van 12 maart 2008 in de zaak A. 185.268/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 26 september 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 24 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IIde Kamer, waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1424 van 25 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-29.853-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in het enig middel verzoeker laat gelden dat het bestreden arrest genomen is met schending van artikel 235, § 2 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen, doordat erin met betrekking tot de weigering van de subsidiaire bescherming wordt verwezen naar rechtsbronnen die noch in het administratief dossier noch in de beslissing en de verweernota van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vermeld staan, met name de volgende website: www.minbuza.nl p. 63-66, terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkele onderzoeksbevoegdheid heeft en enkel aanvullende onderzoeksmaatregelen kan bevelen, doch zelf geen enkel onderzoek meer kan uitvoeren; dat verzoeker toelicht: dat de afwezigheid van enige onderzoeksbe- voegdheid principieel inhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het beoordelen van de asielaanvraag in hoger beroep zich enkel kan beroepen op de elementen vervat in het administratief dossier, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naast de elementen gekend in het administratief dossier, derhalve geen enkel onderzoek kan uitvoeren naar de gegrondheid van de vervolgingsvrees of de (mensen)rechtenpositie in het land van herkomst; 1.
  4. Overwegende dat het middel enkel gericht is tegen het gedeelte van het aangevochten arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over verzoekers aanspraken op de subsidiaire beschermingsstatus en dan ook slechts kan leiden tot een vernietiging van dit gedeelte van dit arrest; dat artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, zoals gewijzigd door de wet van 27 december 2006, luidt als volgt : “§
  5. Inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 243, derde lid, aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is, evenals voor beroepen die ingediend zijn vanaf deze datum, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dezelfde bevoegdheid als die welke bij deze wet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt toegekend. Inzonderheid kan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen: 1/ de bestreden beslissing bevestigen of hervormen; XIV-29.853-2/4 2/ de bestreden beslissing vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestigen of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. Deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de procedure en de bepalingen bepaald bij de artikelen (39/10), 39/17, 39/18, 39/56 tot 39/67, 39/69 tot 39/77 van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij deze wet, met dien verstande dat telkens de woorden “De raad” dienen te worden begrepen als “De Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen”. (...).”; dat artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen betreft en niet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, welke het thans aangevochten arrest heeft genomen; dat de schending van artikel 235, § 2 niet dienstig wordt aangevoerd; dat de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, het administratief rechtscollege dat in opvolging van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over verzoekers hoger beroep uitspraak heeft gedaan, niet wordt geregeld door de als geschonden opgegeven wetsbepaling; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bevoegdheidsbepaling opgenomen in artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 niet kan hebben miskend, daar ze niet op hem van toepassing was; 1.
  6. Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel, zelf niet ontvankelijk is;
  7. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. XIV-29.853-3/4 Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.853-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.