← België

Arrest 180932 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.932 Rolnummer: A. 184722/XIV-29678 Zaak: Arrest 180932 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.932 van 12 maart 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.932 van 12 maart 2008 in de zaak A. 184.722/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 8 augustus 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 20 juli 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IVde Kamer, waarbij hem de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1212 van 29 augustus 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.678-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Nepalese nationaliteit, komt op 17 oktober 2005 het Rijk binnen en vraagt dezelfde dag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 26 juni 2006 dat verzoeker niet als vluchteling kan worden erkend. 1.
  5. Verzoeker tekent op 12 juli 2006 tegen deze weigeringsbeslissing hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Het hoger beroep van verzoeker wordt opgeroepen op de zitting van 18 juli 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  7. Op deze zitting wordt de raadsman van verzoeker gehoord waarna de debatten worden gesloten en de beslissing in beraad wordt genomen. 1.
  8. Op 20 juli 2007 neemt de wnd. voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker worden geweigerd. XIV-29.678-2/8 Dit arrest rust op volgende redengeving: “
  9. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  10. Verzoeker die volgens zijn verklaringen op 17 oktober 2005 België binnen- kwam, verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  11. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwerpt verzoekers asielaanvraag bij beslissing van 26 juni 2006, verstuurd op 27 juni
  12. 1.
  13. De feiten aan de basis van verzoekers asielaanvraag kunnen als volgt worden samengevat: verzoeker wordt in 2004 aangehouden nadat men hem verdacht van betrokkenheid bij een bomaanslag. In mei 2005 wordt verzoeker ontvoerd door Maobadi. Na zijn ontsnapping uit het kamp vluchtte hij naar Kathmandu. Verzoeker houdt voor gezocht te zijn zowel door het leger als door de Maobadi. 1.
  14. De bestreden beslissing hecht geen geloof aan verzoekers asielrelaas en baseert zich daarvoor op volgende gronden: - Ongeloofwaardige verklaringen omtrent reisweg en reisdocumenten. - Tegenstrijdige verklaringen omtrent de chronologie van de gebeurtenissen zowel als omtrent de feiten zelf in de periode voor zijn vertrek. - Tegenstrijdigheden omtrent de omstandigheden van zijn vrijlating.
  15. Over de gegrondheid. 2.
  16. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikt inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over volheid van rechtsmacht. Dit wil zeggen dat het geschil met alle feitelijke en juridische vragen in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad die een onderzoek voert, zonder dat het een aanvullend onderzoek kan zijn en zich uitsluitend op het rechtsplegingdossier baseert, rekening houdend met het verzoekschrift dat de grenzen van het gerechtelijke debat bepaalt. Als administratieve rechter doet zij in laatste aanleg uitspraak over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95, 96 en 133). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet noodzakelijk gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. 2.
  17. De verzoekende partij dient aan te tonen dat er in haren hoofde feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Dit houdt in dat haar vrees actueel is hetgeen betekent dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar oordeel moet steunen op de feitelijke situatie, zoals deze zich voordoet in het land van oorsprong op het ogenblik van haar beslissing (artikel 48/5, §3, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; zie ook: R.v.St., X, nr. 46.530, 16 maart 1994; R.v.St., X, nr. 96.562, 18 juni 2001; J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 74-75). Deze stelling vloeit voort uit de definitie van vluchteling zoals geformuleerd in artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, waarin het criterium “gegronde vrees voor vervolging” het wezenlijke is. Determinerend bij het onderzoek van dit criterium is of de asielzoeker thans een toevluchtsoord nodig heeft voor een te verwachten risico van vervolging in zijn land van oorsprong. De vrees van verzoekende partij moet tevens gegrond zijn, dit wil zeggen dat zij niet alleen subjectief bij haar aanwezig moet zijn maar ook moet kunnen worden geobjectiveerd (R.v.St., X, nr. 118.506, 22 april 2003). 2.
  18. Het gehoorgesprek ter terechtzitting omtrent de actuele vrees verloopt als volgt: “De situatie is in Nepal grondig gewijzigd; wie en wat vreest u als u nu zou terugkeren? Amnesty International wijst op sfeer van straffeloosheid, mensen van ordetroepen worden niet vervolgd. Ook Human Rights Watch stelt dat mensenrechtenschendingen nog plaats vinden.” XIV-29.678-3/8 2.
  19. Uit publieke bronnen blijkt dat de autocratisch regerende koning Gyanendra na aanhoudende protesten van de bevolking het parlement in april 2006 herinstal- leerde. Dat parlement keurde op 18 mei 2006 een verregaande resolutie goed die de macht van de koning drastisch inperkte: hij verloor zijn controle over het leger en Nepal werd uitgeroepen tot een seculiere staat ("Vote to curb Nepal king's powers", 18 mei 2007, geraadpleegd op http://news.bbc.co.uk). De vredesonder- handelingen tussen de regering en de Maobadi leidden in mei 2006 tot een 25 punten tellende Gedragscode waarin de vraag naar toezicht op het staakt-het- vuren door nationale en internationale waarnemers werd opgenomen ("Full text of the Ceasefire Code of Conduct agreed between the govt. of Nepal and CPN (Maoist) on May 25, 2006", geraadpleegd op http://www.nepalnews.com). Op 16 juni 2006 bereikten de regering en de Maobadi een akkoord over een uitbreiding van het staakt-het-vuren tot een permanente vrede onder toezicht van de Verenigde Naties. De United Nations High Commissioner for Human Rights, Louise Arbour, stelde in het najaar van 2006 dat de politieke veranderingen volgend op de Aprilbeweging en het staakt het-vuren een significante impact gehad hebben op de mensenrechtensituatie. Het staken van de vijandelijkheden resulteerde in de afwezigheid van conflictge- relateerde inbreuken zoals buitengerechtelijke executies, detenties en folteringen. De schendingen van het internationaal humanitair recht hielden eveneens op (“Report of the United Nations High Commissioner for Human Rights on the human rights situation and the activities of her Office, including technical cooperation, in Nepal”, 22 september 2006, geraadpleegd op http://nepal.ohchr.org). Op 21 november 2006 tekenden premier Girija Prasad Koirala en de maoïstenleider Prachanda een als historisch bestempeld akkoord, waarmee de burgeroorlog die meer dan een decennium woedde formeel ten einde kwam. Beide partijen engageerden zich om het bestaande staakt-het-vuren om te zetten in een permanente vrede (“Security Council Welcomes 21 November Peace Agreement in Nepal”, 1 december 2006, geraadpleegd op http://www.un.org). Het akkoord voorzag tevens in de vrijlating van alle politieke gevangenen en maakte een einde aan eventuele sancties of represailles van de autoriteiten ten aanzien van leden en sympathisanten van de Maobadi die geen oorlogsmisdaden of ernstige mensenrechtenschendingen hebben begaan (Comprehensive Peace Agreement, para. 5.2 Situation Normalisation Measures, 21 november 2006, geraadpleegd op http://www.reliefweb.int). Beide partijen verbonden zich tot het naleven van de internationale humanitaire wetten en de fundamentele principes van de mensenrechten. De Maoïsten vervoegden hiermee weer het politieke landschap als legitieme politieke partij en verklaarden zich neer te leggen bij de uitslag van de te houden verkiezingen voor een grondwetge- vende vergadering (“Maoists Sign Peace Deal in Nepal”, 22 november 2006, geraadpleegd op http://www.nytimes.com en “Nepal’s Peace Agreement: Making it Work”, 15 december 2006, geraadpleegd op http://www.crisisgroup.org). De onderhandelaars van de Nepalese overheid en de Maobadi bereikten in december 2006 een akkoord over een overgangsgrondwet die op 15 januari 2007 werd goedgekeurd door het Huis van Afgevaardigden (“Nepal parliament ratifies interim constitution”, 15 januari 2007, geraadpleegd op http://jurist.law.pitt.edu). De maoïsten hebben op 15 januari 2007 eveneens hun zetels in het interim-parlement ingenomen (“Nepal’s ‘day of reconciliation’”, 16 januari 2007, geraadpleegd op http://news.bbc.co.uk) en onder toezicht van de Verenigde Naties hebben de maoïstische rebellen een aanvang gemaakt met de inlevering van hun wapens ("Nepal Maoists begin handing in their arms", Reuters, 17 januari 2007, geraadpleegd op http:// www.alertnet.org). De Verenigde Naties hebben inmiddels de eerste fase van het proces van de registratie en opslag van wapens van de Maoïsten en van het Nepalese leger voltooid ("NEPAL: Registration of weapons completed with UN help", 17 april 2007 geraadpleegd op http://www.irinnews.org). Vijf voormalige maoïstische XIV-29.678-4/8 rebellen werden inmiddels benoemd tot minister in de interimregering, zestien overige ministersposten werden verdeeld onder de overige zeven belangrijkste partijen van de interimcoalitie ("Nepal's Maoists in government after deal ends 10-year war", 2 april 2007, geraadpleegd op http://www.guardian.co.uk). De langverwachte verkiezingen die over het lot van de monarchie zullen beslissen, zullen op 22 november 2007 gehouden worden ("Nepal elections set for November 22", AFP, 24 juni 2007, geraadpleegd op http://www.channelnewsasia.com). Geen gegeven is voorhanden dat deze situatie onstabiel is. De recente onrust beperkt zich tot het zuiden van het land, aan de grens met India, namelijk in de Terai streek ("Nepal says king must go as nation marks 'democracy' anniversary", AFP, 24 april 2007 geraadpleegd op http://www.francenepal.info en "Ethnic strike shuts schools, shops in Nepal plains", Reuters, 20 april 2007, geraadpleegd op http://www.alertnet.org en "Nepal peace", 3 mei 2007, geraadpleegd op http://www.alertnet.org). De verzoekende partij, die voorhoudt te worden gezocht door het leger zowel als door de Maobadi brengt noch in haar verzoekschrift, noch ter zitting enige contra-indicatie bij ter weerlegging van deze, in relatie tot het ogenblik waarop zij haar land verliet, gewijzigde toestand in Nepal. De door verzoekende partij aangehaalde rapporten van onder meer Amnesty International dateren allen uit 2005 en 2006 en kunnen bovenvermelde geschetste (recentere) situatie, gesteund op objectieve informatie, over Nepal niet weerleggen. Uit de neergelegde documenten blijkt niet dat de situatie in Nepal verontrustend is. De verzoekende partij maakt, gelet op de actuele situatie en rekening houdend met het door haar voorgehouden profiel, niet aannemelijk dat zij in geval van een terugkeer nog vervolging zou vrezen. De juridische en feitelijke argumenten die de verzoekende partij in het verzoekschrift opwerpt doen geen afbreuk aan het gegeven dat de algemene toestand in Nepal, afgezien van de Terai-regio, grondig gewijzigd is en stabiel is. De VN is in het land aanwezig om de vrede te handhaven en te versterken. De Raad heeft de motieven van de bestreden beslissing die geen betrekking hebben op de actuele situatie in Nepal niet overgenomen waardoor hij niet gehouden is te antwoorden op de (overige) motieven van het verzoekschrift (naar analogie: R.v.St., nr. 128.407, 20 februari 2004) 2.
  20. In acht genomen wat voorafgaat kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A

(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 3.
  1. De verzoekende partij vraagt haar de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen aangezien er in Nepal duidelijk sprake is van een intern gewapend conflict. Zij verwijst hiervoor naar een jaarrapport van Amnesty International dat dateert uit 2005 en ondertussen duidelijk achterhaald is. In het licht van voormelde gewijzigde situatie in Nepal brengt zij echter geen element aan dat toelaat aan te nemen dat er in haren hoofde een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2, van voormelde wet van 15 december 1980 voorhanden is. Aan de wettelijke voorwaarden voor de toekenning van de subsidiaire bescher- mingsstatus werd niet voldaan.”.
  2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  3. Overwegende dat in het enig middel verzoeker laat gelden dat het bestreden arrest genomen is met schending van artikel 235, § 2 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemde- XIV-29.678-5/8 lingenbetwistingen, doordat erin wordt verwezen naar rechtsbronnen die noch in het administratief dossier noch in de beslissing en de verweernota van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vermeld staan, met name de volgende websites : - http://nepal.ohchr.org; - http://www.nytimes.com; - http://jurist.law.pitt.edu; - http://www.irinnews.org; - http://www.guardian.co.uk; - http://www.channelnewsasia.com; - http://www.francenepal.info., terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkele onderzoeksbevoegdheid heeft en enkel aanvullende onderzoeksmaatregelen kan bevelen, doch zelf geen enkel onderzoek meer kan uitvoeren; dat verzoeker toelicht : dat de afwezigheid van enige onderzoeksbe- voegdheid principieel inhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het beoordelen van de asielaanvraag in hoger beroep zich enkel kan beroepen op de elementen vervat in het administratief dossier, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naast de elementen gekend in het administratief dossier, derhalve geen enkel onderzoek kan uitvoeren naar de gegrondheid van de vervolgingsvrees of de (mensen)rechtenpositie in het land van herkomst; 2.
  4. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 235 een overgangsmaatregel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen betreft, welk artikel stelt dat deze over dezelfde bevoegdheden beschikt als dewelke aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden toegekend, dat het hier een arrest betreft genomen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij verzoekers zaak voorkwam op de zitting van 18 juli 2007, dat artikel 235 van de wet van 15 september 2006 niet dienstig is; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat zijn asieldossier ingevolge de huidige wetgeving doorgesluisd werd naar de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen, dat zijn hoger beroep initieel aanhangig was bij de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen, en dat zijn asielaanvraag onder de oude wetgeving ontvankelijk is verklaard; 2.
  6. Overwegende dat artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, zoals gewijzigd door de wet van 27 december 2006, luidt als volgt : “§
  7. Inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 243, derde lid, aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is, evenals voor beroepen die ingediend XIV-29.678-6/8 zijn vanaf deze datum, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dezelfde bevoegdheid als die welke bij deze wet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt toegekend. Inzonderheid kan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen: 1/ de bestreden beslissing bevestigen of hervormen; 2/ de bestreden beslissing vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestigen of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. Deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de procedure en de bepalingen bepaald bij de artikelen (39/10), 39/17, 39/18, 39/56 tot 39/67, 39/69 tot 39/77 van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij deze wet, met dien verstande dat telkens de woorden “De raad” dienen te worden begrepen als “De Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen”. (...).”; dat artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen betreft en niet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, welke het thans aangevochten arrest heeft genomen; dat de schending van artikel 235, § 2 niet dienstig wordt aangevoerd; dat de verzoekende partij tevergeefs laat gelden dat haar beroep aanvankelijk bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aanhangig was en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in opvolging van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen is opgetreden; dat de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, het administratief rechtscollege dat in opvolging van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over verzoekers hoger beroep uitspraak heeft gedaan, niet wordt geregeld door de als geschonden opgegeven wetsbepaling; dat de Raad voor Vreemdelingenzaken de bevoegdheidsbepaling opgenomen in artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 niet kan hebben miskend, daar ze niet op hem van toepassing was; 1.
  8. Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel, zelf niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. XIV-29.678-7/8 Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.678-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.