id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.933 Rolnummer: A. 184336/XIV-29592 Zaak: Arrest 180933 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.933 van 12 maart 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.933 van 12 maart 2008 in de zaak A. 184.336/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 12 juli 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 14 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IVde Kamer, waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 998 van 26 juli 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.592-1/12 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Iraakse nationaliteit, komt op 8 juni 2006 het Rijk binnen en vraagt de volgende dag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 18 januari 2007 dat verzoeker noch als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet kan worden erkend, noch voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet in aanmerking komt. 1.
- Verzoeker tekent op 1 februari 2007 tegen deze weigeringsbeslissing hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Dit beroep wordt opgeroepen op de zitting van 6 april
- 1.
- Op deze zitting worden verzoeker en zijn raadsman gehoord waarna de debatten worden gesloten en de beslissing in beraad wordt genomen. 1.
- Op 14 juni 2007 neemt de wnd. voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker worden geweigerd. XIV-29.592-2/12 Dit arrest rust op volgende redengeving : “1.
- Het feitenrelaas van de bestreden beslissing luidt als volgt: “U, die verklaart de Irakese nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Basra. U zou een sjiiet zijn van Arabische origine. U zou als schilder hebben gewerkt voor de Britse troepen. In april 2006 zou u omwille van dit werk bedreigd zijn door de partij “al-Fadhila”. U zou een brief hebben gekregen waarin geschreven stond dat u zou gedood worden indien u niet stopte met werken voor de Britten. Hierop zou u gestopt zijn met werken. Een week later zou u naar Bagdad zijn verhuisd. Op 25 mei 2006 zou u een tweede dreigbrief hebben gekregen, ditmaal omdat u in Bagdad enkele dagen voor de Amerikanen had gewerkt. Daarop zou u hebben besloten het land te verlaten. U zou een Turks visum hebben aangevraagd en dit begin juni 2006 hebben gekregen. Op 5 juni 2006 zou u Irak op legale manier hebben verlaten via de luchthaven van Bagdad. Op 8 juni 2006 zou u in België zijn aangekomen en de daaropvolgende dag heeft u hier asiel aangevraagd.” 2.
- Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van de artikelen 52, 62 en 63/2 van de wet van 15 december 1980, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het materiële motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, en verzoeker roept een manifeste appreciatiefout in. 2.
- Verweerder stelt omtrent de algemene motiveringsplicht, vervat in de wet van 29 juli 1991, alsook de specifieke motiveringsplicht vervat in artikel 62 van de wet van 15 december 1980, dat die motiveringsplicht tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Verweerder ziet niet in hoe de bestreden beslissing een schending kan inhouden van artikelen 52 en 63/2 van de wet van 15 december
- Deze artikelen hebben betrekking op het dringend beroep bij het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verweerder merkt op dat het zorgvuldigheidsbeginsel de Commissaris- generaal oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden. De Commissaris- generaal heeft zich voor het nemen van de beslissing gesteund op alle gegevens van het administratief dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst en op alle dienstige stukken. Verzoeker werd gehoord, kreeg de mogelijkheid om zijn asielmotieven uiteen te zetten en zijn argumenten kracht bij te zetten, kon nieuwe of aanvullende stukken neerleggen en kon zich laten bijstaan door een advocaat of andere persoon naar keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Arabische taal machtig is. Derhalve kan niet worden weerhouden dat er niet zorgvuldig tewerk werd gegaan. 2.
- De inroeping van de schending van de motiveringsplicht door verzoeker valt uiteen in twee delen. Aan de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven in artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980 en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshan- delingen, is voldaan. Deze formele motiveringsplicht heeft tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. (R.v.St., XXX., nr. 167.408, 2 februari 2007; XIV-29.592-3/12 R.v.St., XXX., nr. 167.852, 15 februari 2007). Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Verzoeker voert ook de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Hierbij moet worden onderzocht of de feitelijke gegevens juist zijn, of die correct werden beoordeeld en of op grond daarvan niet in onredelijkheid tot een besluit is gekomen. Op grond van de devolutieve werking van het beroep en de volle rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de materiële motiveringsplicht het voorwerp van deze beslissing. Hiervoor wordt verwezen naar wat hierna volgt. Verzoeker werpt eveneens de schending op van de artikelen 52 en 63/2 van de wet van 15 december 1980, van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, evenals een manifeste appreciatiefout. Verzoeker werkt echter niet uit op welke wijze de artikelen 52 en 63/2 van de wet van 15 december 1980, het zorgvul- digheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden of waarom de Commissaris-generaal een manifeste appreciatiefout beging; derhalve dient te worden vastgesteld dat deze middelen niet dienend ingeroepen worden. 3.
- De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen motiveerde de bestreden beslissing als volgt: “Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u in de loop van de procedure onvoldoende kon antwoorden op essentiële kennisvragen over Irak waardoor ernstige twijfels rijzen over uw bewering dat u Irak recent heeft verlaten. Zo beweert u dat er sinds de val van het Ba’thregime nieuwe geldbriefjes werden ingevoerd. Het zou alleen gaan om een vernieuwing van de briefjes en de bedragen van de briefjes zouden niet veranderd zijn. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dit niet correct te zijn. Het feit dat u dergelijke essentiële informatie niet weet, laat weinig ruimte toe geloof te hechten aan uw beweerde recente afkomst uit Irak. Het gaat immers om een zeer courante zaak waarvan iemand die in Irak woonde en werkte, op de hoogte moet zijn. Bovendien moet worden opgemerkt dat u zeer vaag blijft over de aanwezigheid van Britse troepen in Basra, hetgeen zeer bevreemdend is daar u beweert dat u gedurende een jaar voor de Britten heeft gewerkt. U kan slechts een naam van een wijk opgeven waar ze zouden zitten, namelijk as-Sa’i (CG p.6- 7), daarnaast kan u alleen zeggen dat ze vlak na de inval alle overheidsgebouwen tijdelijk hadden ingenomen. Gevraagd naar militaire bases in de buurt van Basra blijkt u hiervan in het geheel niet op de hoogte. U blijft ook zeer vaag over de situatie in Basra na de val van het regime van Saddam Husayn (CG p.7)." 3.
- Verzoeker beweert dat hij eerst in Basra werkte voor de Britse troepen en vervolgens in Bagdad voor de Amerikanen. Daarop ontving hij twee keer een dreigbrief waarin stond geschreven dat hij zou worden gedood. Verzoeker stelt dat, gelet op het huidige klimaat in Irak, hij niet zal kunnen rekenen op een afdoende bescherming vanwege de autoriteiten. Verzoeker stelt dat hij een zeer uitvoerige uiteenzetting heeft gegeven, waardoor het vast staat dat in zijn hoofde wel degelijk een reëel risico bestaat om een slachtoffer te zullen worden van een afrekening indien hij naar Irak wordt teruggestuurd omdat de autoriteiten weinig of geen vat hebben op de extremistische groeperingen, zodat een daadwerkelijke bescherming vanwege de Irakese autoriteiten niet meer dan dode letter is. 3.
- Verweerder stelt dat het louter verwijzen naar de algemene situatie in het land van herkomst niet volstaat om aan te tonen dat verzoeker in zijn land werkelijk wordt bedreigd en vervolgd. Deze vrees dient in concreto te worden aang- etoond en aannemelijk te worden gemaakt, maar verweerder stelt vast dat verzoeker hiertoe in gebreke blijft. Verweerder benadrukt dat de geloofwaardigheid van verzoekers recente afkomst uit Irak ernstig wordt ondermijnd, daar waar verzoeker zich beperkt XIV-29.592-4/12 tot losse beweringen zonder een gegronde vrees voor vervolging aan te tonen. Verweerder herhaalt dat de bestreden beslissing duidelijk is en dat het de taak is van de verzoeker om in deze fase van de procedure een geloofwaardig en coherent relaas te vertellen. Verweerder stelt vast dat verzoeker zijn gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie niet aanneme- lijk kan maken en dat aldus op grond van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven zijn beweerde problemen eveneens ongeloofwaardig zijn. In casu wordt in de bestreden beslissing terecht gesteld dat verzoeker in de loop van de procedure onvoldoende kon antwoorden op essentiële kennisvra- gen betreffende zijn recent verblijf in Irak, waardoor de ongeloofwaardigheid van zijn beweringen en oprechtheid van zijn asielrelaas worden ondermijnd. 3.
- De verklaringen van verzoeker kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij verzoeker die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54). De Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., XXX., nr. 43.027, 19 mei 1993) en het is niet de taak van de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., XXX., nr. 136.692, 26 oktober 2004). Verzoeker, ter zitting ondervraagd overeenkomstig artikel 14 Pr RvV, verklaart dat na de val van Saddam Hoessein de bedragen van het papieren geld hetzelfde zijn gebleven en dat enkel de biljetten van 500 en 1.000 dinar van kleur veranderd zijn. Uit de landeninformatie in het dossier (Cedoca-antwoord- document IRQ2004-29, administratief dossier, stuk 21) blijkt dat deze verklaringen niet stroken met de werkelijkheid. Verzoeker, die beweert dat hij werkte voor de Britse troepen in Basra, ter zitting gevraagd naar de locatie van de belangrijkste Britse militaire basissen te Basra, verklaart hieromtrent: "El Adassaja-wijk, As-Sas-wijk, ook een kasteel van Saddam Hoessein, dicht bij een rivier, maar ik weet naam niet”. Uit publieke informatie blijkt dat de Britse troepen, ten tijde van verzoekers beweerde verblijf in Basra, gelegerd waren in het vliegveld van Basra, dat tevens de grootste basis is, alsook in het Shatt al-Arab Hotel in noordelijk Basra, het Britse consulaat in Basra Palace en de grote logistieke basis Shuaiba in het westen van de stad (http://today.reuters.co.uk/news/articlenews.aspx? t y p e = t o p N e w s & s t o r y i d = 2 0 0 7 - 0 3 - 20T140136Z_01_KAR044880_RTRUKOC_0_UK-IRAQ-BRITAIN- BASRA.xml&src=rss). Verzoekers incorrecte verklaringen ter zitting, gevoegd bij zijn vage verkla- ringen zoals aangehaald in voormelde motivering, tonen aan dat hij niet kan antwoorden op essentiële kennisvragen over Basra. Verzoeker maakt derhalve zijn recente afkomst uit Basra evenals zijn beweerde activiteiten voor de Britse troepen niet aannemelijk. 4.
- De bestreden beslissing luidt verder als volgt: "Vervolgens is het uiterst bevreemdend dat u de gebeurtenissen in Basra na de Golfoorlog van 1991 allerminst correct kan beschrijven, temeer daar u op dat moment uw dienstplicht al zou hebben aangevat. U verklaart dat de Iraniërs kwamen en problemen veroorzaakten. U kan alleen zeggen dat er anarchie en diefstallen waren. Er zouden doden zijn gevallen in gevechten tussen de XIV-29.592-5/12 Iraniërs en het Irakese leger en de bevolking van Basra zou niets hebben ondernomen (CG p.7-8). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat dit allerminst een correcte weergave is van de feiten die zich voordeden. Het ging immers om de grootschalige opstand tegen het Ba’thregime van de sjiitische bevolking van Basra en andere steden in maart
- Dit was een zeer ingrijpende gebeurtenis met zware gevolgen voor de stad. Het feit dat u die opstand omschrijft als een invasie van de Iraniërs, waarin de bevolking zelf niets deed, doet ernstige twijfels rijzen inzake uw bewering in die periode in Basra te hebben gewoond. Verder moet worden vastgesteld dat u opmerkelijke en vage verklaringen heeft afgelegd over uw beweerde desertie tijdens uw legerdienst van 1989 tot
- Zo kan u niet zeggen welke straf er op desertie stond, hoewel de overheid in de jaren 1990 de bestraffing van deserteurs als voorbeeld stelde voor de ganse bevolking om anderen van desertie te weerhouden. Bijgevolg kan worden verwacht dat u iets beter op de hoogte zou zijn van de straf die u riskeerde. Het is bevreemdend dat iemand die in Irak woonde en die de dienstplichtige leeftijd had bereikt, zo vaag blijft over de straf voor desertie, zeker als u zelf zou zijn gedeserteerd. U blijft zelfs vaag over de straf die u persoonlijk kreeg. U kan alleen zeggen dat u langer moest blijven en dat er amnestie was (CG p.4-5). Daarnaast is het bevreemdend dat u, op de vraag waar u was in de periode dat u deserteerde, verklaart dat u thuis was. U zou immers zijn gedeserteerd in oorlogstijd en vooral voor de sjiietische bevolking was er sinds 1991 zeer zware repressie vanwege de autoriteiten tegen desertie. Slechts wanneer u werd gevraagd of deserteurs niet werden geviseerd, past u uw verklaringen aan en zegt u dat u zich steeds verplaatste. Het is uiterst bevreemdend dat iemand die in Irak zou zijn opgegroeid en er als volwassene zou hebben gewoond, dergelijke verklaringen aflegt met betrekking tot desertie uit het leger, zelfs al is hij zelf niet gedeserteerd. Wat er ook van zij, uw verklaringen over uw legerdienst laten in elk geval niet toe geloof te hechten aan uw legerdienst en desertie en bij uitbreiding uw aanwezigheid in Irak op het moment dat u de dienstplichtige leeftijd had. U blijft immers uitermate vaag over waar u gestationeerd was, wat uw taak was, de periodes dat u gedeserteerd zou zijn (CG p.4-5)." 4.
- Verzoeker merkt op dat de Commissaris-generaal geen rekening hield met zijn jeugdige leeftijd op dat ogenblik. Tegelijk heeft de Commissaris-generaal verzoeker verkeerd begrepen toen hij zei dat 'Iraniërs' gevochten hadden tegen het Irakese leger aangezien hij doelde op het feit dat groepen strijders uit Iran zich toen mengden onder de Sjiietische bevolking in Irak en hen hielpen in hun opstand tegen Saddam Hoessein. Verzoeker stelt eveneens dat hij ten tijde van zijn legerdienst amper achttien jaar oud was en er inmiddels vele jaren zijn verstreken. 4.
- Verweerder merkt op dat het uiterst bevreemdend is dat verzoeker de gebeurtenissen in Basra na de Golfoorlog van 1991 allerminst correct kan beschrijven en wijst op verzoekers volgende verklaringen omtrent de Iraniërs: "En na de oorlog? De Iraniërs, ze hebben problemen gecreëerd. Dan hebben ze de mensen van Basra beschuldigd problemen te hebben gecreëerd. Maar het waren de Iraniërs. [...] Wat is er gebeurd? Er waren problemen. De Iraniërs kwamen en creëerden problemen. (gehoorverslag CGVS, p. 7) (…) Wat is er gebeurd in 1991 in Basra? Ze trokken zich terug. Er waren Iraniërs die zich voordeden als Badr. Ze zijn gekomen en hebben problemen gecreëerd. (gehoorverslag CGVS, p. 8)" Betreffende verzoekers bewering dat geen rekening gehouden werd met zijn jeugdige leeftijd op dat ogenblik, wijst verweerder er op dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat bepalende ervaringen in iemands leven - zelfs al zijn deze traumatisch van aard - dermate in het geheugen gegrift staan dat deze persoon daar achteraf een voldoende coherente en overtuigende beschrijving van kan geven. De door verzoeker aangehaalde jeugdige leeftijd kan niet XIV-29.592-6/12 weerhouden worden als een aannemelijke verklaring voor dermate doorslagge- vende en fundamentele gebrek aan kennis. Verzoeker was tijdens zijn legerdienst achttien jaar oud en het is niet onredelijk om van iemand op die leeftijd te verwachten dat hij enigermate bewust is van zijn leefwereld en leefomgeving. Bovendien toont verzoeker niet aan op welke manier zijn leeftijd op dat moment een concrete invloed zou hebben gehad op het resultaat van de bestreden beslissing, daar het hier gaat om dermate fundamentele en essentiële elementen uit verzoekers asielrelaas. 4.
- Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers verklaringen omtrent de situatie in Basra in 1991 zeer vaag zijn (zie voormelde verklaringen, zie ook administratief dossier, stuk 10, p. 7-8). De bestreden beslissing motiveert hierover: "Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat dit allerminst een correcte weergave is van de feiten die zich voordeden." In het administratief dossier bevind zich geen informatie maar uit publieke informatie blijkt het volgende omtrent de situatie in Basra in
- Irak gaat akkoord met een staakt-het-vuren op 3 maart 1991, waardoor de oorlog met Koeweit officieel wordt beëindigd. Midden maart en begin april van hetzelfde jaar onderdrukken Iraakse troepen het verzet in het noorden en het zuiden van het land. (BBC, Timeline: Iraq, 2007, [http://news.bbc.co.uk/]) Na het staakt-het-vuren, brak er verzet uit in Basra. De opstanden worden vaak bestempeld als revoltes van Sjietische burgers en kleine groepen rebellen, die massaal de straten opkwamen. In een eerste fase van de opstanden van maart 1991 konden de opstandelingen controle verkrijgen over overheidsgebouwen en kantoren van veiligheidstroe- pen. Het verzet won aan kracht door soldaten van het Irakese leger, die collaboreerden of deserteerden omdat ze gekant waren tegen het regime van Saddam Hoessein. Sjiietische Arabieren maakten toen 80 procent van de gevechtstroepen en 20 procent van de officieren uit van het Irakese leger. Er was geen sprake van een noemenswaardige materiële en logistieke steun vanuit Iran. In Basra waren de opstandelingen nooit in staat om de hele stad over te nemen. Ongeveer 6000 loyalisten van de Republikeinse Garde hielden stand tegen een 5000-tal overlopers van het leger. Na drie dagen konden de overheidstroepen, die loyaal waren aan Saddam Hoessein, hergroeperen en het tegenoffensief inzetten. De opstandelingen moesten al snel weer het onderspit delven. De opstandelingen, meestal slecht bewapend, niet getraind en onervaren, waren niet opgewassen tegen het zware geschut van de troepen van Saddam Hoessein. Ondanks de controle over Basra door het leger van Saddam, bleef er sporadisch verzet tot april
- Tot het einde van april waren er incidenten, waarbij Sjiieten 's nachts de troepen van Saddam aanvielen. De gevechten over en weer duurden tot in mei. Achteraf schoof de Iraakse overheid de schuld van de gruweldaden en de buitensporige vernielingen in de schoenen van de opstandelingen. (Human Right Watch, Endless Torment. The 1991 uprising in Iraq an d its aftermath, juni 1992, http://www.hrw.org/reports/1992/Iraq926.htm). Verzoekers verklaringen dat de “Iraniërs” bij de opstand betrokken waren beantwoorden niet aan de werkelijkheid en zijn verklaring dat hij met de “Iraniërs” de Sjiieten bedoelde is, bovendien gelet op het feit dat verzoeker zelf een Sjiitische Arabier is (administratief dossier, stuk 16, p. 12), niet aanneme- lijk. Verzoekers bewering dat hij slechts achttien jaar oud was en er inmiddels vele jaren verstreken zijn, is geen aannemelijke verklaring voor zijn vage en incoherente verklaringen omtrent zijn legerdienst en strafmaat wegens desertie. Van verzoeker kan verwacht worden dat hij, indien hij werkelijk zijn legerdienst had gedaan van 1989 tot 1993, hierover duidelijke verklaringen aflegt. XIV-29.592-7/12 5.
- De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen motiveerde de bestreden beslissing als volgt: "Verder is het zeer opmerkelijk dat u tijdens uw gehoor en in de vragenlijst een andere straat opgeeft waar u zou hebben gewoond. Zo werd u tijdens uw gehoor in dringend beroep gevraagd wat de straatnaam was en toen zei u dat het een nummer was, namelijk 51/
- Ook bij de Dienst Vreemdelingenzaken gaf u die straat op (CG p.2, DVZ vraag 11). In de door u ingevulde vragenlijst dd. 4/9/06, verklaart u echter dat u in de al-Jaza’ir straat woonde (p.1). Met betrekking tot uw beweerde woonplaats moet eveneens worden opgemerkt dat de gegevens op het rijbewijs dat u voorlegt niet overeenkomen met uw eigen verklaringen. Zo verklaart u dat u steeds in Basra heeft gewoond (CG p.2), terwijl op uw rijbewijs XXX is opgegeven bij uw adres. Het is zeer opmerke- lijk dat het hier gaat om twee verschillende provincies. Bovenstaande vaststellingen laten niet toe geloof te hechten aan uw bewering dat u Irak recent heeft verlaten. Aangezien de door u ingeroepen vluchtmotie- ven zich afspeelden in de laatste maanden voor uw vertrek uit Irak, kan er ook hieraan geen geloof worden gehecht. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat u er niet in geslaagd bent om uw vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aannemelijk te maken. Tot slot moet worden opgemerkt dat de documenten die u heeft voorgelegd ter ondersteuning van uw asielaanvraag, namelijk een identiteitsdocument en een rijbewijs, in overeenstemming met informatie waarover het Commissariaatge- neraal beschikt, in het licht van bovenstaande vaststellingen, weinig bewijs- waarde hebben. Alle Irakese documenten zijn immers op eenvoudige wijze illegaal verkrijgbaar." 5.
- Verzoeker argumenteert dat hij, doordat hij niet werd opgeroepen voor een gehoor ten gronde, op diverse vragen geen bijkomende uitleg of verduidelij- kingen heeft kunnen geven. Verzoeker voert aan dat hij in een gehoor ten gronde bijvoorbeeld meer uitleg had kunnen geven over zijn exacte adres in Irak. Hij had kunnen uitleggen dat hij wel degelijk in Basra woonde en dat hij in XXX enkel zijn rijbewijs behaalde omdat dit in Misan sneller kon dan in Basra. Bovendien merkt verzoeker op dat op een rijbewijs helemaal geen verblijfplaats staat vermeld, zoals de Commissaris-generaal laat uitschijnen. Verzoeker stelt dat niet is aangetoond dat de documenten vervalst zijn, omdat vele andere mensen op illegale wijze documenten kunnen verkrijgen. 5.
- Verweerder stelt dat de Commissaris-generaal terecht oordeelde dat het niet noodzakelijk geacht werd om verzoeker nogmaals te horen tijdens zijn onderzoek ten gronde. Op basis van een heronderzoek van de stukken in verzoekers administratief dossier werd terecht geconcludeerd dat zijn asielaanvraag ongegrond is, wat ook wordt vastgesteld in de motivering van de bestreden beslissing. Verweerder wijst eveneens naar het Koninklijk Besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking en rechtspleging voor het Commissariaatgeneraal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij artikel 6 voorziet dat de asielzoeker minstens één keer wordt opgeroepen voor verhoor, wat is gebeurd. Verweerder merkt op dat in de bestreden beslissing werd gesteld dat de documenten neergelegd door verzoeker ter ondersteuning van zijn asielaan- vraag weinig bewijswaarde hebben. Deze documenten dienen ondersteund te worden door overeenkomstige, overtuigende en aannemelijke verklaringen betreffende verzoekers recent verblijf in Irak, wat in casu zeker niet het geval is. Volledigheidshalve wijst verweerder er nog op dat in de bestreden beslissing werd vastgesteld dat Irakese documenten op eenvoudige wijze illegaal verkrijgbaar zijn. 5.
- Verzoekers onwetendheid en vage verklaringen over (i) het geld dat in omloop is sinds de val van Saddam Hoessein (ii) de Britse militaire basissen in Basra XIV-29.592-8/12 (iii) de situatie in Basra in 1991 (iv) zijn legerdienst (zie punten 3 - 4), vormen reeds het determinerend motief om zijn beweerde recent afkomst uit Irak volledig te ondergraven. De voormelde motivering omtrent de straatnaam, het adres op zijn rijbewijs en bijgebrachte documenten is overtollig en derhalve niet dienend. Het voorafgaande in acht genomen, kan niet aangenomen worden dat verzoeker de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in artikel 1, A, 2) van de Conventie van Genève van 28 juli
- 6.
- De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen motiveerde de bestreden beslissing verder als volgt: "Uit een analyse van de situatie in Irak blijkt dat er op dit ogenblik in Centraal- Irak een reëel risico van ernstige schade in de zin van artikel 48/4, §2, c van de Vreemdelingenwet bestaat. Deze vaststelling volstaat niet om u de status van subsidiaire bescherming toe te kennen. Zoals boven vastgesteld blijkt immers dat geen geloof kan worden gehecht aan uw verklaringen. Deze ongeloofwaar- digheid is van die aard dat het onmogelijk is om een correct beeld te vormen van uw recente verblijfplaatsen, van uw activiteiten in het verleden, van uw mogelijke positie of situatie in Irak, van de mogelijkheid voor u tot het bekomen van bescherming in uw land van herkomst of om te besluiten dat u als burger kan worden beschouwd." 6.
- Verzoeker vraagt de toepassing van artikel 48/4, § 2, b, van de wet van 15 december 1980, op basis van de door hem uiteengezette feiten in het kader van zijn asielrelaas. Verzoeker vraagt tevens de toepassing van artikel 48/4, § 2, c, van de wet van 15 december 1980 en voert aan dat het geweld in Irak momenteel volstrekt willekeurig is. Het maakt, volgens hem, niet uit welke activiteiten hij uitvoerde in Irak, wat zijn positie was en/of hij al dan niet bescherming zou kunnen krijgen. 6.
- Verweerder antwoordt dat in de bestreden beslissing werd vastgesteld dat er geen geloof kan worden gehecht aan de verklaringen van verzoeker. Deze ongeloofwaardigheid maakt het onmogelijk om een correct beeld te vormen van verzoekers recente verblijfplaatsen, activiteiten in het verleden, mogelijke positie of situatie, mogelijkheid tot het bekomen van bescherming in zijn land van herkomst of om te besluiten dat verzoeker als burger kan worden beschouwd. 6.
- Verzoekers vastgestelde onwetendheid over (i) de Iraakse realiteit na de val van Saddam Hoessein (ii) zijn beweerde werkomgeving in Basra (iii) zijn beweerde legerdienst (iv) de opstand in Basra in 1991, maken het onmogelijk om een beoordeling te doen over verzoekers recente verblijfplaatsen, activiteiten in het verleden, mogelijke positie of situatie, mogelijkheid tot het bekomen van bescherming in zijn land van herkomst en of hij al dan niet als burger kan worden beschouwd. Verzoeker komt derhalve, de ongeloofwaardig- heid van zijn verklaringen in acht genomen, niet in aanmerking voor de toekenning van de subsidiaire bescherming.”. XIV-29.592-9/12
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat in het eerste middel verzoeker laat gelden dat het bestreden arrest genomen is met schending van artikel 235, § 2 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen, doordat erin wordt verwezen naar rechtsbronnen die noch in het administratief dossier noch in de beslissing en de verweernota van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vermeld staan, met name de website http://today.reuters.co.uk/news, welke bron wordt geciteerd om zijn relaas zogezegd te weerleggen, terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkele onderzoeksbe- voegdheid heeft en enkel aanvullende onderzoeksmaatregelen kan bevelen, doch zelf geen enkel onderzoek meer kan uitvoeren; dat verzoeker toelicht: dat de afwezigheid van enige onderzoeksbevoegdheid principieel inhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het beoordelen van de asielaanvraag in hoger beroep zich enkel kan beroepen op de elementen vervat in het administratief dossier, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naast de elementen gekend in het administratief dossier, derhalve geen enkel onderzoek kan uitvoeren naar de gegrondheid van de vervolgingsvrees of de (mensen)rechtenpositie in het land van herkomst; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat een rechter zijn beslissing steeds kan steunen op inlichtingen vervat in voor iedereen toegankelijke informatie zonder deze vooraf bij het dossier te moeten voegen, dat het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen onderzoeksbevoegdheid meer heeft niet wegneemt dat de feitelijke elementen die de partijen aanbrengen door de rechter kunnen getoetst worden aan bronnen van algemene bekendheid, dat de door verzoeker betwiste bron een website betreft waarvan het internetadres in de bestreden beslissing uitdrukkelijk werd weergegeven en bijgevolg kon geraadpleegd worden door verzoeker; 2.1.
- Overwegende dat artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen, zoals gewijzigd door de wet van 27 december 2006, luidt als volgt : “§
- Inzake beroepen die op de datum vastgesteld in artikel 243, derde lid, aanhangig zijn en waarvoor nog geen rechtsdag bepaald is, evenals voor beroepen die ingediend zijn vanaf deze datum, heeft de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dezelfde bevoegdheid als die welke bij deze wet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt toegekend. Inzonderheid kan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen: 1/ de bestreden beslissing bevestigen of hervormen; XIV-29.592-10/12 2/ de bestreden beslissing vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestigen of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. Deze beroepen worden behandeld overeenkomstig de procedure en de bepalingen bepaald bij de artikelen (39/10), 39/17, 39/18, 39/56 tot 39/67, 39/69 tot 39/77 van de wet van 15 december 1980, zoals ingevoegd bij deze wet, met dien verstande dat telkens de woorden “De raad” dienen te worden begrepen als “De Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen”. (...).”; dat artikel 235, § 2, van de wet van 15 september 2006 de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen betreft en niet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, welke het thans aangevochten arrest heeft genomen; dat de schending van artikel 235, § 2, niet dienstig wordt aangevoerd; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
- Overwegende dat als tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, verzoeker laat gelden dat de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen zijn taak niet naar behoren heeft uitgevoerd door hem niet de subsidiaire bescherming toe te kennen, minstens door het dossier niet terug te sturen naar de Commissaris-generaal met het verzoek tot een bijkomend onderzoek naar de authenticiteit van zijn identiteitsdocumenten; 2.2.
- Overwegende dat artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State bepaalt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”; dat deze bepaling nodig werd geacht gezien de beperkte tijd waarover de Raad van State beschikt om over toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen uitspraak te doen, en de voorrang welke bijgevolg aan de behandeling van deze beroepen moet worden gegeven; dat de kamer bij wie dergelijk beroep aanhangig is daarover immers uitspraak dient te doen binnen zes maanden na de beschikking over de toelaatbaarheid (artikel 20, § 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State); dat, gelet op deze vrij korte termijn in de memorie van wederantwoord de argumentatie moet worden samengevat die ter vernietiging van de aangevochten beslissing wordt aangebracht zodat de organen van de Raad van State hieraan geen tijd meer hoeven te besteden; dat alleen al aan de hand van dit processtuk het duidelijk XIV-29.592-11/12 moet zijn welke de precieze argumentatie van de verzoekende partij is; dat dit inhoudt dat de aangevoerde cassatiemiddelen er minstens summier doch volledig in worden opgenomen; dat de Raad van State uitspraak doet op basis van de samenvattende memorie met andere woorden van de argumentatie zoals deze door de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord is samengevat; dat over een middel dat niet (meer) in deze samenvatting is opgenomen geen uitspraak dient te worden gedaan; dat het tweede middel niet is opgenomen in de memorie van wederantwoord; dat dit middel dan ook niet meer in aanmerking kan worden genomen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel, zelf niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.592-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.933 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.