← België

Arrest 180945 - O.C.M.W. - 13/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.945 Rolnummer: A. 126381/XII-4923 Zaak: Arrest 180945 - O.C.M.W. - 13/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.945 van 13 maart 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.945 van 13 maart 2008 in de zaak A. 126.381/XII-

  1. In zake : Etienne FOETS, die woonplaats kiest bij advocaten E. Van Der Mussele en Y. Vanden Bosch, kantoor houdende te Antwerpen, Stoopstraat 1 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN KALMTHOUT, dat woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Etienne Foets op 16 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 juni 2002 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Kalmthout, waarbij hem de tuchtmaatregel van inhouding van 20% van zijn wedde gedurende drie maanden met ingang van 1 juli 2002 wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2008; XII-4923-1\14 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van Der Mussele, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De procedure
  3. Verzoeker betoogt in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring dat het aangewezen is dat de thans voorliggende zaak en de zaak A. 96.299/IX - 2562 worden samengevoegd “gelet op de gelijkaardige feiten, deels overlappende feiten en voorgeschiedenis”. Nu in de door verzoeker genoemde zaak op 21 juni 2007 door de Raad van State bij arrest nr. 172.250 reeds een eindarrest is uitgesproken, is het verzoek tot samenvoeging achterhaald. De gegevens van de zaak 2.
  4. Verzoeker is sedert 1984 secretaris van het OCMW van Kalmthout. Op 27 april 1998 richten personeelsleden en gewezen personeelsleden van het OCMW aan de voorzitter en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn een nota waarin zij uitvoerig klachten uiten over de wijze waarop verzoeker zijn functie uitoefent en zich gedraagt ten aanzien van het personeel en de cliënten van het OCMW. Zij zetten uiteen hoe de arbeidsverhoudingen tussen verzoeker en het personeel “reeds jarenlang” ernstig zijn verstoord. XII-4923-2\14 De raad voor maatschappelijk welzijn besluit aan De Meyer & Partners, human resources consultants, de opdracht te geven om de personeels- verhoudingen binnen het OCMW te onderzoeken. Het verslag over dat onderzoek concludeert dat “de meeste verhoudingen zeer moeilijk liggen”, dat “bijna alle personeelsleden op uitzondering van één iemand” een negatief beeld geven van de samenwerking met verzoeker, dat verzoeker een belangrijk aandeel heeft in de problemen en dat zo snel mogelijk moet worden getracht een oplossing te vinden om de situatie te deblokkeren. Nadat eerst een bemiddelingspoging van de arrondissements- commissaris is mislukt, leidt de raad voor maatschappelijk welzijn, op verslag van zijn voorzitter, tegen verzoeker een tuchtprocedure in wegens diverse tekortkomingen aan de beroepsplichten en handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, welke uiteindelijk resulteert in een tuchtbesluit van 3 juni 2000, waarbij verzoeker met ingang van 3 juli 2000 gedurende een periode van 10 weken wordt geschorst. Verzoeker vecht dit tuchtbesluit bij de Raad van State aan met het reeds hiervoor ter sprake gekomen beroep tot nietigverklaring. Met meervermeld arrest nr. 172.250 van 21 juni 2007 verwerpt de Raad het beroep tegen het tuchtbesluit van 3 juni
  5. 2.
  6. Op 6 juni 2001 stelt de voorzitter van het OCMW een tuchtverslag op ten laste van verzoeker, waarin hij uiteenzet dat het onderzoek dat deels door hemzelf, deels door zijn voorganger werd gevoerd, een aantal tuchtfeiten ten laste van verzoeker aan het licht heeft gebracht. Als een ervan vermeldt hij “het tegenwerken van de dienst schuldbemiddeling” : “Sinds kort werd er een dienst schuldbemiddeling opgericht binnen het O.C.M.W. Hiervoor werd een deeltijdse juriste aangeworven, mevrouw [V.D.]. Daarnaast werkt ook mevrouw [C.], maatschappelijk assistente, voor de dienst schuldbemiddeling. Van in het begin heeft de secretaris nooit enige bereidwilligheid aan de dag gelegd om de opstart van deze nieuwe dienst in goede banen te leiden. Integendeel, hij heeft zelfs openlijk gezegd tegen de bevoegde medewerkers dat hij tegen deze dienst is. Deze houding van de secretaris blijkt duidelijk uit de verklaringen van mevrouw [V.D.] en mevrouw [C.] en wordt geïllustreerd door het volgende: S het niet voorbereiden van de eerste werkdag van mevrouw [V.D.], zowel wat persoonlijke verwelkoming betreft, als de materiële uitrusting (werkruimte, bureau, stoel, ...); S er was slechts één PC, geen printer en slechts één telefoon; de vraag om bijkomend materiaal werd afgewezen door de secretaris wegens te weinig budget; S het gebruiksklaar maken van een PC waarvan muis en klavier ontbraken werd afgewezen door de secretaris (raming: 500 à 600 BEF); XII-4923-3\14 S het tijdelijk gebruiken van de laptop van de voorzitter werd door de secretaris afgewezen als zijnde verboden door de voorzitter, terwijl de voorzitter dit nooit had verboden, wel integendeel; S het gebruik van de PC die normaal werd gebruikt door een personeelslid dat langdurig afwezig was en waarvoor nog geen vervanger was aangeworven werd geweigerd door de secretaris; S toen de klusjesman de PC zonder muis en klavier wou trachten te herstellen werd door de secretaris gezegd dat hij daarmee moest ophouden, want dat het toestel niet zou verhuizen, S later deelde de secretaris mee dat ook op de begroting van 2001 geen middelen zouden worden voorzien voor de aanschaf van een bijkomende PC; S de secretaris deelde mee dat er slechts één telefoonlijn beschikbaar was, alsook slechts één toestel; bij nazicht bleek dat er wel een tweede lijn kon worden aangesloten en dat er op het O.C.M.W. nog verschillende ongebruikte telefoontoestellen aanwezig waren; S mevrouw [V.D.] heeft uiteindelijk zelf de nodige stukken moeten doorsturen naar het provinciebestuur opdat haar anciënniteit in aanmerking kon worden genomen, nadat de secretaris herhaaldelijk had gezegd dat dit onmogelijk was; S de secretaris zei op het ene moment dat hij, zich met een bepaald dossier van een gemeentepersoneelslid zou bezig houden, doch zei later dat hij zich met dat dossier niet kon bemoeien; S de bestelling van een rekenmachine en ruitjespapier werd letterlijk hardop weggelachen door de secretaris zonder reden; S de secretaris stuurde door diverse opmerkingen en zijn gedrag aan op het ontslag van mevrouw [V.D.] (tegen de collega zeggen dat ze daar niet lang meer zou werken, tegen haarzelf zeggen dat ze haar conclusies maar moest trekken, op de vraag van mevrouw [C.] om het nodige te doen opdat zij zou blijven antwoorden dat hij het ijzer ook niet met de blote hand kan breken, ...) S naar aanleiding van een brief van de Vlaamse Gemeenschap met de vraag om bijkomende gegevens wou hij de zaken zo voorstellen (o.m. aan de raad) dat de oprichting van de dienst zeer problematisch was, terwijl er eigenlijk geen enkel ernstig probleem was S de secretaris zei dat het overlegcomité gemeente-O.C.M.W. zeker niet zou worden bijeengeroepen alleen voor ‘zo'n banaliteit’ als de oprichting van de dienst schuldbemiddeling; S op 09.11.00 werden beide medewerksters [...] uitgescholden door de secretaris: of ze wel wisten waar ze mee bezig waren, dat ze onwettig bezig waren, dat zij niet aansprakelijk waren, maar hij wel, enz. dit tot mevrouw [V.D.] huilend naar beneden is gegaan waar zij toevallig raadslid Neys en de voorzitter trof, S op de vraag naar een bijkomende PC antwoordde de secretaris dat hij zo al wel kon zeggen dat er geen budget voor voorzien zou zijn in de begroting van
  7. stukken: 3
  8. verklaring van mevrouw [V.D.] ondertekend door mevrouw [C.] als getuige met negen bijlagen
  9. verklaring van mevrouw [C.] ondertekend door mevrouw [V.D.] met drie bijlagen;
  10. verklaring van de heer Ribbens met twee bijlagen waaronder de brief van raadslid Neys
  11. verklaring van de heer Ribbens inzake de aankoop van materiaal
  12. verklaring van de heer Ribbens inzake het ter beschikking stellen van zijn portable PC XII-4923-4\14
  13. Verklaring klusjesman”. 2.
  14. Na verzoeker te hebben gehoord, besluit de raad voor maatschappelijk welzijn op 13 augustus 2001 om verzoeker voor negen van de 24 hem in het tuchtverslag ten laste gelegde tuchtfeiten bij tuchtmaatregel het ontslag van ambtswege op te leggen, met uitwerking vanaf de betekening van dit besluit. Na gunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van Kalmthout, keurt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 11 oktober 2001 dit tuchtbesluit goed. Op 6 mei 2002 willigt echter de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid het beroep van verzoeker tegen het goedkeuringsbesluit van de deputatie in. De minister is vooreerst van oordeel dat drie van de in aanmerking genomen tuchtfeiten onvoldoende steun vinden in het tuchtdossier en dat de tuchtoverheid te dezen niet voldoende zorgvuldig is geweest bij de feitenvinding. Hij meent voorts dat zelfs indien alle aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten bewezen zouden zijn, ze niet zodanig zwaarwichtig zijn dat ze het ontslag van ambtswege van verzoeker kunnen rechtvaardigen. De minister merkt op dat hij, gelet op de vele tuchtfeiten die in een zeer korte periode bij verzoeker zijn vastgesteld, zich niet van de indruk kan ontdoen dat betrokkene door de tuchtoverheid wordt gezocht. XII-4923-5\14 2.
  15. Tijdens de raadsvergadering van 16 mei 2002 “distantiëren” de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn zich van de hiervoor vermelde opmerking van de minister. De raad besluit de tuchtprocedure tegen verzoeker te hernemen, “rekening houdend met het ministeriële besluit”. Met een aangetekende brief van 17 mei 2002 roepen de voorzitter en de plaatsvervangende secretaris van het OCMW verzoeker op om op 7 juni 2002 opnieuw door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord. Voor wat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten betreft, verwijzen zij wederom naar het tuchtverslag van 6 juni 2001 van de voorzitter. Op 7 juni 2002 wordt de raadsman van verzoeker, door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Verzoeker zelf is afwezig wegens ziekte. 2.
  16. Op 20 juni 2002 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn het thans bestreden besluit om verzoeker de tuchtmaatregel van inhouding van 20% van zijn wedde gedurende drie maanden met ingang van 1 juli 2002 op te leggen. Dit besluit steunt, benevens op de aanhaling van de toepasselijke wetgeving en de procedurele voorgaanden, onder meer op de volgende motivering : “[...] Ten gronde. Enkel de feiten die hierna expliciet worden aangehaald zijn tuchtfeiten die door de raad bewezen werden geacht. De in deze beslissing niet vermelde feiten worden niet als tuchtfeit in aanmerking genomen. Vooraf: inzake de verjaring van een aantal feiten Betrokkene werpt de verjaring op van een aantal feiten. De verjaring van welbepaalde concrete feiten zal hierna worden behandeld; voorafgaand hieraan moet evenwel het volgende worden verduidelijkt. De rechtspraak van de Raad van State houdt in dat feiten maar als ‘vastgesteld’ worden beschouwd ‘op het ogenblik dat de tuchtoverheid daarover voldoende nauwkeurige bewijskrachtige gegevens verzameld heeft’ (R.v.St., De Boeck, nr. 56.589, 4 december 1995). De verjaring begint dus maar te lopen op het ogenblik dat de feiten bekend zijn aan de tuchtoverheid en deze over voldoende nauwkeurige bewijskrachtige gegevens beschikt om de feiten te kunnen appreciëren als mogelijke tuchtfeiten. De oproeping voor de hoorzitting werd verstuurd op 6.06.
  17. Deze oproeping stuit de verjaring, zodat de vraag of de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige bewijskrachtige gegevens beschikte, moet worden beoordeeld op datum van 07.12.
  18. [...]
  19. Het tegenwerken van de dienst schuldbemiddeling Wat de secretaris hier wordt verweten is een algemene houding ten aanzien van de dienst schuldbemiddeling, veeleer dan enkele individuele tenlasteleggingen. Van in het begin heeft de secretaris nooit enige bereidwilligheid aan de dag gelegd om de opstart van deze nieuwe dienst in goede banen te leiden. Hij kan zich niet voortdurend verschuilen achter zijn langdurige afwezigheid om na zijn XII-4923-6\14 terugkeer in de dienst te ontsnappen aan zijn essentiële beroepsplichten om de administratie te leiden en de goede werking ervan te verzekeren. Wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn beslist - ook al is dit tijdens de afwezigheid van de secretaris - om een dienst schuldbemiddeling uit te bouwen, wat een bijzonder belangrijke nieuwe dienstverlening is voor het O.C.M.W., dan is het één van de eerste opdrachten van de secretaris om na zijn terugkeer zich maximaal in te spannen opdat deze nieuwe dienst vlot van start zou kunnen gaan en vlot zou kunnen werken. Dat in de beginfase nog allerlei praktische zaken moeten worden geregeld is niet abnormaal; dit wordt de secretaris ook niet ten kwade geduid. Wat hem wel kwalijk wordt genomen is dat hij zich niet onvoorwaardelijk heeft ingezet om voor al deze praktische problemen een snelle oplossing te zoeken, ook al impliceert dit dat hij bepaalde zaken moet vragen aan de voorzitter of voorleggen aan de raad. Integendeel, de secretaris heeft de zaken maar op hun beloop gelaten, geen initiatieven genomen om problemen op te lossen, maar daarentegen zich soms zelfs verzet tegen bepaalde voorgestelde oplossingen en niet onder stoelen of banken gestoken dat hij niet opgezet was met deze nieuwe dienst schuldbemiddeling. Deze houding van de secretaris wordt aangetoond door de stukken 31 tot en met 36 van het tuchtdossier. Hieruit blijken ontegensprekelijk een aantal feiten die deze algemene houding illustreren, zoals het feit dat de secretaris niets deed om de praktische uitrusting van de werkruimte van de dienst te verzekeren; het enige wat hij wel deed was voortdurend redenen zoeken waarom iets niet kon, veeleer dan oplossingen te zoeken hoe het probleem wél kon verholpen worden. Hierbij werden oplossingen soms zelfs tegengewerkt door de secretaris, zoals het tegenhouden van de klusjesman toen die een helpende hand wou bieden, het verhinderen dat een tweede PC ter beschikking wordt gesteld, hoewel hiervoor meer dan één alternatief voorhanden was (de laptop van de voorzitter, de PC van een langdurig ziek en ontslagnemend personeelslid waarvoor nog geen vervanger was aangeworven). Zijn negatieve ingesteldheid ten aanzien van de dienst schuldbemiddeling blijkt o.m. uit zijn verklaring dat hij de oprichting van zo’n dienst ‘een banaliteit’ noemt, dat hij met allerlei verklaringen en insinuaties mevrouw [V.D.] het leven zuur maakt door te laten uitschijnen dat ze het wel niet lang meer vol zal houden, door het feit dat nog aan bepaalde administratieve formaliteiten moet worden voldaan op te blazen tot een groot probleem. In zijn verweer draait de secretaris een aantal onderdelen van deze betichting om. Zo ontkent hij dat de voorzitter hem toelating heeft gegeven om de laptop te gebruiken, terwijl de voorzitter enkel verklaart dat hij dat niet heeft verboden, wat door de secretaris werd beweerd. Zo verklaart hij dat de PC beneden wel mocht worden gebruikt doch niet verplaatst, wat in casu op hetzelfde neerkomt daar de twee personeelsleden in een kantoorruimte op de eerste verdieping werkten en uiteraard daar over de PC moesten kunnen beschikken. Zo stelt de secretaris dat niet hij het overlegcomité kan bijeenroepen, wat formeel juist is, doch niet belet dat hij als secretaris dit onder de aandacht kan brengen zodat dit wel gebeurt. Tevens gaat hij hierbij voorbij aan zijn laatdunkende opmerkingen over de dienst die maar een ‘banaliteit’ is, ... Dit feit is niet verjaard, daar het slechts volledig aan het licht is gekomen als tuchtfeit in de loop van het door de voorzitter gevoerd onderzoek, met uitzondering van het incident op 08.11.00 waarvan raadslid Neys getuige was en dat dan ook niet in aanmerking wordt genomen”. Met een aangetekende brief van 21 juni 2002 betekenen de voorzitter en de plaatsvervangende secretaris dit besluit aan verzoeker. XII-4923-7\14 De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen
  20. Verzoeker voert aan, onder meer, dat de in aanmerking genomen tuchtfeiten zijn verjaard, overeenkomstig artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, vermits de tuchtoverheid meer dan zes maanden vóór het instellen van de tuchtprocedure van deze feiten kennis had. Hij betoogt dat bijna systematisch wordt voorbijgegaan aan het feit dat de voorzitter en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het vast bureau meer dan zes maanden voordat het tuchtverslag van 6 juni 2001 van de voorzitter hem werd betekend, reeds kennis hadden van de hem ten laste gelegde tuchtfeiten, dat het bestuur zijn standpunt dat het volstaat dat een lid van de tuchtoverheid kennis heeft van de tuchtfeiten, opdat de tuchtoverheid als zodanig geacht moet worden kennis van die feiten te hebben en de verjaringstermijn van zes maanden begint te lopen, niet weerlegt, dat de kennis van de voorzitter en de raadsleden een voldoende nauwkeurige kennis was, dat het bestuur niet aantoont welke bijkomende, essentiële informatie over de in aanmerking genomen feiten, later nog werd verworven en de opstelling van het tuchtverslag en de samenstelling van het tuchtdossier mogelijk heeft gemaakt, dat wanneer een tuchtstraf gebaseerd is op “feiten van meer en minder dan 6 maanden” de hogere overheid en de Raad van State niet kunnen beoordelen of de opgelegde straf gerechtvaardigd wordt door de niet verjaarde feiten alleen. Met betrekking tot de verjaring van het derde hem ten laste gelegde tuchtfeit, namelijk het “tegenwerken van de dienst schuldbemiddeling”, argumenteert verzoeker in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring dat het vast bureau en de raad voor maatschappelijk welzijn kennis hadden op verschillende tijdstippen van de problemen die hem worden verweten. Hij refereert aan punt 4.
  21. van de vergadering van 8 december 2000, punt 7.
  22. van de vergadering van 21 september 2000, punt 4.
  23. van de vergadering van 27 september 2000, punt 4.
  24. van de vergadering van 11 oktober 2000 en punt 4.
  25. van de vergadering van 8 november
  26. Hij stelt alsdan vast dat deze feiten hem niet langer als tuchtfeiten kunnen worden aangerekend omdat deze ondertussen verjaard zijn en dat geen enkel van die feiten nog te ontdekken was na 7 december 2000 zodat het onjuist is dat een onderzoek “wat dan ook meer zou hebben bijgebracht na 7-12”. XII-4923-8\14
  27. De verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord naar hetgeen in het bestreden tuchtbesluit met betrekking tot de verjaring van de tuchtfeiten wordt overwogen, namelijk dat volgens de rechtspraak van de Raad van State tuchtfeiten slechts als vastgesteld kunnen worden beschouwd op het ogenblik dat de tuchtoverheid over die feiten voldoende bewijskrachtige gegevens heeft verzameld en dat in casu de oproeping voor de hoorzitting aan verzoeker werd betekend op 6 juni 2001, zodat de vraag of de tuchtoverheid over voldoende bewijskrachtige gegevens beschikte, moet worden beoordeeld op 7 december
  28. Specifiek met betrekking tot het derde in aanmerking genomen tuchtfeit laat de verwerende partij voorts gelden dat dit feit niet is verjaard “daar het slechts volledig aan het licht is gekomen als tuchtfeit in de loop van het door de voorzitter gevoerd onderzoek, met uitzondering van het incident op 08.11.00 waarvan raadslid Neys getuige was en dat dan ook niet in aanmerking wordt genomen”.
  29. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het antwoord van de verwerende partij loutere beweringen bevat, die niet worden aangetoond aan de hand van concrete feiten, welke hij zou kunnen onderzoeken en bestrijden.
  30. Verwerende partij dupliceert in haar laatste memorie dat het incident van 8 november 2000, waarvan de toenmalige voorzitter getuige was, aanleiding vormde om de houding van de secretaris ten aanzien van de dienst schuldbemiddeling verder te onderzoeken en dat de verklaring van de toenmalige voorzitter (stuk nr. 33) geenszins de basis biedt om dit tuchtfeit in al zijn aspecten te bevatten, laat staan om het bewezen te verklaren. Zij verwijst naar de meer omstandige verklaring van S. V. D., medewerkster van de dienst schuldbemiddeling, die veel later is opgesteld. Dit geldt des te meer, zo stelt verwerende partij, omdat de toenmalige voorzitter geen deel uitmaakte van de tuchtoverheid op het ogenblik dat die zich over het dossier heeft gebogen na de verkiezing en nieuwe samenstelling van de raad voor maatschappelijk welzijn en de verjaring onmogelijk kan beginnen lopen door een zekere kennis, dan nog fragmentarisch, in hoofde van iemand die geen deel meer uitmaakt van de tuchtoverheid op het ogenblik dat het tuchtverslag wordt opgesteld. Verder wijst de verwerende partij er op dat met het derde tuchtfeit een algemene houding aan verzoeker wordt verweten, dat het tuchtfeit dan blijft bestaan, zolang die houding aanhoudt en dat wanneer de XII-4923-9\14 tuchtoverheid een algemene houding wil bestraffen het aanhalen van oudere feiten ter illustratie, naast meer recente voorvallen, dit niet leidt tot de onregelmatigheid van de tuchtstraf. Beoordeling
  31. Artikel 317 van de nieuwe gemeentewet luidt : “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt. Wanneer het besluit van de tuchtoverheid wordt vernietigd door de Raad van State dan wel wordt vernietigd of niet wordt goedgekeurd door de toezichthoudende overheid, kan de tuchtoverheid vanaf de kennisgeving van het arrest van de Raad van State of van het besluit van de toezichthoudende overheid, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in het eerste lid bedoelde termijn dat overbleef bij het instellen van die vervolging”. Artikel 317 van de nieuwe gemeentewet is krachtens artikel 52 van de OCMW-wet van overeenkomstige toepassing op de vast benoemde personeelsleden van de OCMW.
  32. Zoals de Raad van State reeds nader heeft toegelicht in onder meer het arrest nr. 63.857, Van Rompuy, van 8 januari 1997, vangt die verjaringstermijn aan van zodra enig orgaan waaraan de wet de bevoegdheid heeft opgedragen een tuchtstraf aan betrokkene op te leggen, de tuchtrechtelijk strafbare misdraging vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld. Aangenomen wordt dat het alleszins volstaat dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, die tevens voorzitter is van het vast bureau, kennis neemt van de tuchtfeiten opdat de verjaringstermijn zou aanvangen. Dat ondertussen de voorzitter is opgevolgd door een nieuwe voorzitter, vormt in principe geen beletsel voor de toepassing van deze regel aangezien deze laatste de functie van de eerste voortzet, zoals de Raad in een vergelijkbaar geval ook al eerder heeft aangenomen bij arrest nr. 147.653, Maes, van 14 juli
  33. De tuchtvordering moet als ingesteld worden beschouwd op het ogenblik dat de bevoegde overheid duidelijk de intentie laat blijken dat betrokkene XII-4923-10\14 zich voor de tuchtoverheid moet verantwoorden met het oog op het nemen van een tuchtsanctie.
  34. De verwerende partij wijst terecht op de rechtspraak van de Raad van State, luidens dewelke feiten die kunnen wijzen op een tekortkoming van een personeelslid aan zijn beroepsplichten, door de tuchtoverheid slechts nuttig in een tuchtprocedure tegen dat personeelslid kunnen worden aangewend, zodra zij over voldoende bewijskrachtige gegevens met betrekking tot die feiten beschikt. Pas dan kunnen die feiten geacht worden ter kennis te zijn van de tuchtoverheid of door de tuchtoverheid te zijn vastgesteld, zodat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet kan ingaan. Aldus wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens, een tuchtprocedure wordt aangevat. Verwerende partij betwist niet dat de tuchtvervolging tegen verzoeker werd ingesteld bij aangetekende brief van 6 juni 2001 van de voorzitter en de plaatsvervangende secretaris, waarmee verzoeker werd opgeroepen voor verhoor door de raad voor maatschappelijk welzijn over de feiten in het bijgevoegde tuchtverslag van dezelfde datum van de voorzitter en dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten derhalve alleszins verjaard zijn indien de tuchtoverheid méér dan zes maanden voordien reeds kennis ervan had of ze had vastgesteld.
  35. Wat het derde aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeit betreft, blijkt uit stuk 33 van het tuchtdossier ontegensprekelijk dat de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn reeds op 8 november 2000 een voldoende kennis had van de tegenwerking die de dienst schuldbemiddeling vanwege verzoeker ondervond. Blijkens het voormelde stuk verklaart de voorzitter dienaangaande : “Op 8 november 2000 omstreeks 10u30 kwam Raadslid Patrick Neys op het OCMW toe. Hij vroeg aan mevrouw [M. K.] naar de secretaris. Ik was in de omgeving en heb aan [M. K.] gezegd: de secretaris zit op de dienst schuldbemiddeling. Mevrouw [K.] nam contact op met het bureel van mevrouw [V. D.] en mevrouw [C.] van de dienst schuldbemiddeling. Als de telefoon aan de andere kant opgenomen werd, hoorden we door de telefoon gebrul en geroep. Ook zag ik medewerkers die in het oude gedeelte van het gebouw zaten verschrikt opkijken van het geroep en het getier van de secretaris die op het bureel van de dienst schuldbemiddeling was. Mevrouw [V. D.] kwam heel aangedaan beneden en vroeg eerst aan Patrick Neys en dan aan mij (ik bevond XII-4923-11\14 me een paar meter verder), om alstublieft dringend mee te komen naar boven, omdat ze zegde: ‘De secretaris verwijt, beschuldigt en dreigt mij op een wijze die niet meer normaal is’. Ik ben samen met Patrick Neys en mevrouw [S. V. D.] naar het bureel boven gegaan. We troffen daar de secretaris aan op het bureel met mevrouw [N.C.]. Mevrouw [C.] was ook zeer aangedaan. Wij hebben gevraagd wat er aan de hand was. [S. V. D.] was nog maar een vijftal weken in dienst. De secretaris had haar niet willen helpen door een bureau, een computer en een telefoon te geven. Zelf een blocnote ruitjespapier (van ongeveer 30 fr) kon niet. Volgens de secretaris had de voorzitter gezegd dat daar geen geld voor was. Ik had een paar weken vroeger voordat [S. V. D.] in dienst was tegen [N. C.] gezegd ‘Ge kunt voorlopig samen met [S. V. D.] op mijn bureel gaan zitten en ook mijn laptop gebruiken.’ Trouwens zie in bijlage uittreksel van de notulen van het vast bureau van 11 oktober 2000 waarin staat dat deze ruimte over de nodige nutsvoorzieningen beschikt. De secretaris legt woorden in mijn mond die ik totaal niet gezegd heb, zaken waar ik met hem zelfs niet over gesproken heb. Nog erger, waar ik vroeger tegen de mensen het tegenovergestelde gezegd heb. De secretaris is niet opgezet met deze dienst. Als de RMW beslist heeft om een dienst schuldbemiddeling op te starten, dan moet de secretaris dat initiatief ondersteunen en niet op allerlei manieren dit tegenwerken. Er heeft daarna een discussie plaatsgevonden tussen mij en de secretaris. Een uur later ben ik naar het bureel van de secretaris gegaan en heb hem opdracht gegeven om onmiddellijk de computer van [A. A.] (die de eerste vier weken in verlof is, en vanaf 1 december 2000 gecontingenteerd verlof aangevraagd heeft, wat haar toegestaan is en in haar vervanging is nog niet voorzien) naar het bureel van [S. V. D.] te laten brengen. Het is met tegenzin dat de secretaris dit laten doen heeft. De secretaris is mee uit zijn bureel gekomen, en heeft daar luid gezegd tegen [K. V. A. en M. S.] : ‘Nu moet ik van de voorzitter de computer van [A. A.] naar [S. V. D.] brengen, en dan hebben 2 halftijdse boven evenveel computers als hier beneden 4 voltijdsen.’ Hetzelfde heeft hij nog eens gezegd bij aanvang van het vast bureau in de namiddag. Moet een voorzitter zich gaan inlaten met de dagdagelijkse dingen. De secretaris moet probleemoplossend werken en moet het personeel met raad en daad bijstaan. Hij doet hier juist het tegenovergestelde. Hij tracht de raadsbeslissingen te laten mislukken en het personeel te demotiveren”. Uit de overige stukken van het tuchtdossier die de desbetreffende tenlastelegging beogen te staven, blijkt niet dat na 6 december 2000 nog wezenlijk nieuwe gegevens met betrekking tot deze tenlastelegging aan het licht zijn gekomen die de tuchtoverheid pas dan in de mogelijkheid zouden hebben gesteld verzoeker tuchtrechtelijk te vervolgen. De stukken 31, 32, 34, 35 en 36 van het tuchtdossier die de desbetreffende tenlastelegging mede beogen te staven, voegen niets wezenlijks toe aan de “tegenwerking” van verzoeker, die blijkens het hiervoor geciteerde op 8 november 2000 aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn reeds voldoende duidelijk was geworden. Hoogstens wordt die tegenwerking door de voormelde stukken nader geïllustreerd, maar de negatieve en laakbare houding van verzoeker als zodanig, was reeds op 8 november 2000 apert, waardoor de tuchtoverheid haar toen al tot voorwerp van een tuchtprocedure had kunnen maken. De niet-gedateerde verklaringen van S. V. D. (stuk 31 tuchtdossier) XII-4923-12\14 en N. C. (stuk 32 tuchtdossier) houden overigens ook op met het relaas van het voorval van 8 november
  36. Er zijn in het tuchtdossier geen stukken opgenomen betreffende de tegenwerking van verzoeker ná 8 november 2000, die bovendien dermate belangrijk zouden zijn dat het aannemelijk is dat de tuchtoverheid pas bij de kennisneming van die wezenlijke gegevens, welke dan na 6 december 2000 gebeurd zou moeten zijn, tot de tuchtrechtelijke vervolging van de tegenwerking door verzoeker heeft kunnen besluiten. Daarmee vervalt ook de premisse van verwerende partij, dat zij de genoemde feiten zou mogen aanhalen “ter illustratie”, “naast meer recente voorvallen”. Meer recente voorvallen worden immers in het tuchtbesluit niet gepreciseerd. Het vierde middel is derhalve alvast gegrond, voorzover het de verjaring aanvoert van het derde in aanmerking genomen tuchtfeit.
  37. Het bestreden tuchtbesluit overweegt dat het derde tuchtfeit een bijzonder zwaarwichtig feit betreft en dat “het geheel van tuchtfeiten” een zware tuchtstraf wettigt. Dat derde tuchtfeit is aldus medebepalend geweest voor de opgelegde tuchtstraf van inhouding van 20% van de wedde van verzoeker gedurende drie maanden. De verjaring van dat tuchtfeit dient dan ook tot de nietigverklaring van die tuchtstraf te leiden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  38. Vernietigd wordt het besluit van 20 juni 2002 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Kalmthout, waarbij aan Etienne Foets de tuchtmaatregel van inhouding van 20% van zijn wedde gedurende drie maanden met ingang van 1 juli 2002 wordt opgelegd. Artikel
  39. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-4923-13\14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4923-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.945 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.