← België

Arrest 180946 - Reglementen (onderwijs en cultuur) - 13/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.946 Rolnummer: A. 100537/XII-4780 Zaak: Arrest 180946 - Reglementen (onderwijs en cultuur) - 13/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.946 van 13 maart 2008 Onderwijs en cultuur - Reglementen (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.946 van 13 maart 2008 in de zaak A. 100.537/XII-

  1. In zake : de VLAAMSE VERENIGING VOOR INDUSTRIELE ARCHEOLOGIE-VLAANDEREN-BRUSSEL VZW, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Dejaegher, kantoor houdende te Poperinge, Beluikstraat 1 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat G. Lambert, kantoor houdende te Oostende, Elisabethlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie-Vlaanderen-Brussel op 16 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 december 2000 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking waarbij zij niet erkend wordt als een organisatie voor volkscultuur in de zin van het decreet van 27 oktober 1998 houdende erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur; Gelet op het arrest nr. 167.108 van 25 januari 2007 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 20 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-4780-1\9 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Durnez, die loco advocaat Chr. Dejaegher verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. Lambert, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. De verzoekende partij werd als vereniging zonder winstoogmerk opgericht in
  4. Volgens de statuten heeft de vereniging tot doel : “- Het promoveren der industriële archeologie, en van het wetenschappelijk onderzoek in dit verband; - Het zich inzetten voor het behoud van industrieel-archeologische relikten”. In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat de vereniging evolueerde van een typische ledenvereniging naar een federatie waarbij plaatselijke en thematische organisaties die zich bezighouden met industriële archeologie zich hebben aangesloten. De statuten van de vereniging werden ingevolge die evolutie aangepast. 1.
  5. In een brief van 3 december 1997 schrijft het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de verzoekende partij : XII-4780-2\9 “Zoals u wellicht weet is het nog steeds de bedoeling van de minister van Cultuur om voor de sector van de volkscultuur een geëigende decretale regeling tot stand te brengen. Hiertoe werden reeds vele stappen gezet o.m. in overleg met het werkveld. De ontwerptekst die aldus totstandkwam voorziet o.m. de industriële archeologie als een domein van de volkscultuur. Vervolgens opteert het beleid per gedefinieerd domein van de subsidiëring van één enkele organisatie of samenwerkingsverband van organisaties. Aangezien op dit ogenblik ook de Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed op het terrein actief is moeten in het kader van de uitgetekende beleidslijnen gesprekken worden gevoerd tussen beide organisaties, zo zij voor erkenning en subsidiëring in aanmerking willen komen. [...]”. Een gelijkaardige brief wordt gericht aan de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed. 1.
  6. Op 6 november 1997 richt de Vlaamse minister van Cultuur een nota aan de afdeling Volksontwikkeling en Openbaar Bibliotheekwerk waarin het volgende wordt gesteld : “[...] Voor het domein van de industriële archeologie voorzie ik een subsidiëring van 500.000 BEF. Wetende dat er minstens twee organisaties in dat domein in Vlaanderen werkzaam zijn en rekening houdende met de vooropgestelde uitgangspunten van de ontwerpregeling voor volkscultuur -met name 1 organisatie of samenwerkingsverband- verzoek ik de administratie de betrokken organisaties samen te brengen met het oog op een optimale besteding van dit budget binnen het voormelde perspectief. [...]”. 1.
  7. Met een brief van 15 juli 1998 deelt de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken aan de verzoekende partij mee dat beslist werd haar voor het jaar 1998 een toelage voor experimenteel vormingswerk toe te kennen van 250.000 frank. Er wordt ook medegedeeld dat die subsidie tot 500.000 frank opgetrokken zou worden indien de vereniging een samenwerkingsverband aangaat met de Stichting Industrieel Erfgoed, die bedrijvig is op hetzelfde domein. 1.
  8. Op 1 januari 1999 treedt het decreet van 27 oktober 1998 houdende erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (hierna “decreet Volkscultuur”) in werking. Artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur luidt : “§
  9. In de domeinen van de familiekunde, de heemkunde, de algemene volkskunde en de industriële archeologie kan slechts één organisatie of XII-4780-3\9 samenwerkingsverband van organisaties erkend worden. In het domein van de gethematiseerde volkskunde kan per thema slechts één organisatie of samenwerkingsverband van organisaties erkend worden”. Artikel 14 van hetzelfde decreet bevat een overgangsbepaling die luidt : “Art. 14 §
  10. De organisaties die op het ogenblik van de datum van inwerkingtreding van dit decreet een werking ontplooien in het domein van de volkscultuur, en hiervoor door de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken gesubsidieerd worden, zijn verplicht naar de regeling van dit decreet over te stappen en worden automatisch erkend. Het betreft organisaties die een experimentele werkingssubsidie ontvangen of gesubsidieerd worden in het kader van : 1/ het decreet van 19 april 1995 houdende de subsidieregeling voor verenigingen voor volksontwikkelingswerk; 2/ het decreet van 19 april 1995 houdende een subsidieregeling voor diensten voor sociaal-cultureel werk voor volwassenen en houdende een wijziging van het decreet van 2 januari 1976 tot erkenning en subsidiëring van de Nederlandstalige koepelorganisaties voor beleidsvoorbereidend overleg in de sector van het sociaal-cultureel werk voor volwassenen. §
  11. De regeling van artikel 5, § 2, van dit decreet geldt eveneens voor de toepassing van § 1 van dit artikel”. 1.
  12. Bij brief van 18 januari 1999 deelt het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken aan de verzoekende partij mede dat haar op basis van het decreet Volkscultuur voor het werkjaar 1999 een eerste subsidievoorschot van 22,5 % wordt verleend. In de brief wordt gesteld dat de verzoekende partij volgens het decreet een beheersovereenkomst met de overheid moet sluiten en dat daartoe in de loop van de maand februari besprekingen zullen worden gevoerd. 1.
  13. Met een nota van 26 juli 2000 geeft de Vlaamse minister van Cultuur aan de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken opdracht “de procedure tot erkenning van een organisatie voor Industriële Archeologie (in het kader van het decreet Volksontwikkeling) op te starten. De betrokken organisaties kunnen worden aangeschreven met de vraag een gezamenlijk erkenningsdossier toe te sturen. Indien ze dat niet kunnen realiseren, zal de meest representatieve organisatie worden erkend”. 1.
  14. Bij brieven van 5 oktober 2000 vraagt het afdelingshoofd van de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken aan de verzoekende partij en de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed (hierna ook: SIWE) om op basis XII-4780-4\9 van artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur een gezamenlijk erkenningsdossier in te dienen. Er wordt ook medegedeeld dat, indien het onmogelijk zou blijken een gezamenlijk dossier samen te stellen, een apart erkenningsdossier kan worden voorgelegd, waarbij dan de minister zal beslissen welke organisatie het best het domein “industriële archeologie” vertegenwoordigt en bijgevolg erkend wordt. 1.
  15. Aangezien de verzoekende partij en de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed er niet toe komen een samenwerkingsverband te sluiten, dienen beide verenigingen een afzonderlijk erkenningsdossier in. 1.
  16. Met een nota van 1 december 2000 stelt de afdeling Volks- ontwikkeling en Bibliotheekwerk aan de minister voor om de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed te erkennen en dit om de volgende reden : “Uit het dossier zou men kunnen besluiten dat SIWE te klein is maar de verslagen wijzen wel op een voortdurende groei. Uit de verslagen en uit het hele dossier lijkt een heel doordachte en ernstige werking naar voor te komen die heel praktisch gericht is. De activiteiten zoals door het decreet voorgeschreven, zijn evenwichtig verdeeld. VVIA lijkt mij heel erg wetenschappelijk gericht, niet alle activiteiten worden ingevuld. Hun eigenlijke werking moet blijkbaar nog beginnen (in de zin van het decreet). De herstructurering met bijhorende statuten zijn zo ambitieus dat ze twijfels oproepen”. 1.
  17. Bij ministeriële besluiten van 18 december 2000 wordt beslist de vzw Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed te erkennen en de verzoekende partij niet te erkennen. Bij brief van 21 december 2000 wordt het bestreden ministerieel besluit houdende de niet-erkenning van de verzoekende partij aan die vereniging ter kennis gebracht. De gegrondheid van het beroep Stelling van de partijen
  18. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van artikel 14, § 1, van het decreet Volkscultuur van 27 oktober
  19. Zij stelt dat zij krachtens die bepaling automatisch erkend moest worden, zonder dat de minister over een appreciatiebevoegdheid beschikt. De minister had ook geen keuze te XII-4780-5\9 maken tussen twee organisaties, aangezien niet blijkt dat SIWE voorheen door de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken gesubsidieerd werd, SIWE bijgevolg geen aanspraak kon maken op de automatische erkenning met toepassing van artikel 14, § 1 en verzoekster derhalve de enige was die op het domein van de industriële archeologie op de automatische erkenning aanspraak kon maken. In de memorie van wederantwoord herinnert zij er nog aan dat haar op 18 januari 1999 was medegedeeld dat haar op basis van het decreet Volkscultuur voor het werkjaar 1999 een subsidievoorschot werd toegekend en dat zij volgens het decreet een beheersovereenkomst met de overheid moest afsluiten.
  20. De verwerende partij antwoordt dat overeenkomstig artikel 5, § 2, van het decreet Volkscultuur slechts één organisatie of samenwerkingsverband erkend kan worden. Aan de verzoekende partij werd medegedeeld dat twee organisaties voor erkenning in aanmerking kwamen. De verzoekende partij slaagde er echter niet in om een samenwerkingsverband op te zetten, zodat de minister diende na te gaan welke van de bestaande organisaties het best beantwoordde aan het decreet. Aangezien er maar één organisatie of samenwerkingsverband erkend kan worden, was er geen automatische erkenning mogelijk. In de laatste memorie stelt verwerende partij nog dat de subsidies die verzoekster weliswaar heeft ontvangen in 1997 en 1998 betrekking hadden op haar werking “die viel onder een oud decreet en dus helemaal niet op basis van het decreet volkscultuur” zodat zij niet voldeed aan de voorwaarden bepaald in de overgangsregeling van artikel 14 en, bijgevolg, wel in concurrentie kwam met SIWE. Bovendien blijft verwerende partij van oordeel dat overeenkomstig artikel 5, § 2, van het decreet geen automatische erkenning meer kan gebeuren wanneer er meerdere organisaties in het betreffende thema een erkenning vragen. Beoordeling
  21. Artikel 14, § 1, van het decreet Volkscultuur bepaalt dat de organisaties die op het ogenblik van de datum van inwerkingtreding van dit decreet een werking ontplooien in het domein van de volkscultuur, en hiervoor door de afdeling Volksontwikkeling en Bibliotheken gesubsidieerd worden, verplicht zijn naar de regeling van dit decreet over te stappen en automatisch erkend worden. Het betreft organisaties die een experimentele werkingssubsidie ontvangen of XII-4780-6\9 gesubsidieerd worden in het kader van een van de in artikel genoemde decreten van 19 april
  22. Zoals reeds in het tussenarrest van 25 januari 2007 werd opgemerkt heeft verwerende partij -tot vóór het indienen van de laatste memorie- nooit betwist dat verzoekende partij aan de in artikel 14 van het decreet gestelde voorwaarden voor erkenning voldeed. De ommekeer in de laatste memorie is niet alleen plots en laat, maar vooral onterecht. Bij de parlementaire voorbereiding van het decreet Volkscultuur werd de verzoekende partij vermeld als organisatie die op het domein van de volkscultuur actief is (Parl. St. 1997-1998, nr. 1071/3, blz. 54). Vóór de inwerkingtreding van het decreet Volkscultuur werd zij blijkens de stukken 7 en 11 van het administratief dossier als experimenteel vormingswerk gesubsidieerd. Verzoekster verwijst terecht nog naar de brief van 18 januari
  23. De verwerende partij is evenwel uitgegaan van de opvatting dat zij niet tot de “automatische” erkenning van verzoekende partij op grond van artikel 14, § 1, van het decreet Volkscultuur kon overgaan, omdat de Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed die bedrijvig is op hetzelfde domein, eveneens haar erkenning had gevraagd en overeenkomstig artikel 5, § 2, van het decreet slechts één organisatie kan erkend worden. De Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed blijkt evenwel niet aan de voorwaarden te voldoen om op grond van de overgangsregeling van artikel 14, § 1, van het decreet Volkscultuur erkend te worden. Er blijkt immers niet -en tot in de laatste memorie wordt zelfs niet beweerd- dat die organisatie vóór de inwerkingtreding van het decreet Volkscultuur een experimentele werkings- subsidie heeft ontvangen of gesubsidieerd werd in het kader van een van de in artikel 14 genoemde decreten van 19 april
  24. Zij kwam derhalve hoe dan ook niet voor de “automatische” erkenning in aanmerking. In het arrest nr. 167.108 van 25 januari 2007 oordeelde de Raad van State reeds dat indien twee of meer organisaties voor de toepassing van de “automatische” erkenning in aanmerking komen, de overheid inderdaad verplicht is om artikel 5, § 2 van het decreet Volkscultuur toe te passen ingevolge het bepaalde in artikel 14, § 2, van het decreet. De Raad stelde evenwel : “Anders is echter de situatie wanneer slechts één organisatie onder de overgangsregeling valt. Zelfs indien andere organisaties een erkenning aanvragen, staat artikel 14 van het XII-4780-7\9 decreet er aan in de weg dat zij met die andere aanvragers in concurrentie moet komen.” Wanneer derhalve slechts één organisatie aan de voorwaarden van artikel 14, § 1, voldoet, kan die organisatie aanspraak maken op automatische erkenning, zonder dat een keuze moet worden gedaan tussen verschillende organisaties die om erkenning hebben gevraagd. Aangezien verzoekende partij als enige organisatie op het domein van de industriële archeologie aan de voorwaarden van de overgangsregeling van artikel 14 voldeed, kwam zij op grond van die bepalingen voor automatische erkenning in aanmerking, zonder dat zij met de Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed in concurrentie moest komen. In het kader van de overgangsregeling was er derhalve geen reden om artikel 5, § 2, toe te passen en een keuze te maken tussen de organisaties die om erkenning hadden gevraagd. Het middel is gegrond. XII-4780-8\9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Vernietigd wordt het besluit van 18 december 2000 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking waarbij de vzw Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie-Vlaanderen-Brussel niet erkend wordt als een organisatie voor volkscultuur in de zin van het decreet van 27 oktober 1998 houdende erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur. Artikel
  26. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4780-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.946 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.