← België

Arrest 180948 - Apothekers en apotheken - 13/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.948 Rolnummer: A. 133623/VII-36960 Zaak: Arrest 180948 - Apothekers en apotheken - 13/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-21 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.948 van 13 maart 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.948 van 13 maart 2008 in de zaak A. 133.623/VII-36.960. In zake : Anne Marie GOORMACHTIGH, die woonplaats kiest te BEERNEM, Bloemendalestraat 108 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat 123. tussenkomende partij : de n.v. APOTHEEK BAERT, die woonplaats kiest bij advocaat R. ASCRAWAT, kantoor houdende te VEURNE, Kaaiplaats 10. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Anne Marie GOORMACHTIGH op 3 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van Volksgezondheid van 30 oktober 2002 waarbij aan de n.v. APOTHEEK BAERT de vergunning wordt verleend voor het overbrengen van een voor het publiek opengestelde apotheek te Brugge, Wollestraat 23, naar Beernem, H. d’Ydewallestraat 100-102; Gelet op het arrest nr. 120.626 van 16 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoekster; VII-36.960-1/16 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 8 augustus 2003; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2003 die de tussenkomst van de n.v. APOTHEEK BAERT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd G. JACOBS; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 januari 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 7 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DE MEULENAER, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat P. EECLOO die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat R. ASCRAWAT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-36.960-2/16 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De procedure 1.1.1. Met een schrijven van 2 april 2004 vraagt verzoekster de voeging van deze zaak met de zaak gekend onder A.138.567/VII-36.830. Zij is van oordeel dat beide dossiers onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Voornoemde zaak betreft het verzoek vanwege Anne Marie GOORMACHTIGH en Dirck CABOOR tot nietigverklaring van de beslissing genomen op 8 mei 2003 door de minister van Volksgezondheid in de mate die beslissing hen de inzage en de mededeling in afschrift weigert van het vergunningsdossier van de n.v. APOTHEEK BAERT, gekend op het secretariaat van de vestigingscommissie onder het nummer 2126/DS/86. 1.1.2. Er is te dezen echter geen reden om de zaken in één arrest te behandelen. Het loutere feit dat deze zaak wordt ingeleid door verzoekster en betrekking heeft op het dossier van de vergunde uitbating rechtvaardigt op zich de samenvoeging niet. De partijen in beide zaken zijn overigens niet dezelfde. De beschouwingen die verzoekster in haar laatste memorie wijdt aan de beweerde samenhang overtuigen niet. 1.2.1. De tussenkomende partij betwist verzoeksters belang omdat zij "nooit een procedure heeft ingesteld tegen de oorspronkelijke vergunning van de BVBA APOTHEEK BAERT zodat zij nu ook geen belang heeft om de apotheek, die reeds gevestigd is sedert 29 juli 1994, te betwisten". 1.2.2. Gevestigde apotheken hebben er in beginsel belang bij dat geen nieuwe apotheek in hun omgeving wordt gevestigd. Verzoekster kan dus een belang laten gelden, terwijl de tussenkomende partij geen elementen aanreikt die tot het besluit moeten leiden dat dit belang niet langer actueel is. De tussenkomende partij is blijkbaar van oordeel dat verzoekster thans het vereiste belang ontbeert omdat zij geen beroep heeft ingesteld tegen de "oorspronkelijke vergunning". VII-36.960-3/16 Het al dan niet gebruikmaken door derden van de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen tijdens de voorafgaande administratieve procedure of een beroep in stellen tegen een andere beslissing heeft in beginsel geen invloed op het belang bij het indienen van een annulatieberoep. De opgeworpen exceptie dient dus verworpen te worden. 1.3.1. De tussenkomende partij voert aan dat de vordering laattijdig werd ingesteld omdat verzoekster reeds op 24 december 2002 door de Algemene Farmaceutische Inspectie in kennis werd gesteld van de thans bestreden beslissing. Verder is de tussenkomende partij nog van oordeel dat het beroep laattijdig is ingesteld omdat zij na het bekomen van de vergunning op 2 november 2002 de apotheek, die gesloten was, opnieuw heeft geopend zodat verzoekster wel degelijk op de hoogte moest zijn geweest van het feit dat er een nieuwe vergunning was afgeleverd. 1.3.2. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat met een ter post aangete- kend verzonden schrijven van 24 december 2002 de bestreden beslissing en het advies van de vestigingscommissie aan verzoekster werden overgemaakt en dat dit schrijven in ontvangst werd genomen op 6 januari 2003. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de op 3 maart 2003 ter post aangetekend verzonden vordering tijdig werd ingesteld. De bewijslast omtrent het werkelijk kennis hebben van het bestreden besluit rust op degene die aanvoert dat verzoekster meer dan zestig dagen voor het indienen van het annulatieberoep van dat besluit kennis had. De verwijzing naar het loutere gegeven dat een apotheek heropend werd bewijst niet dat verzoekster op dat ogenblik een voldoende en zekere kennis had van het bestaan van de bestreden beslissing terwijl bezwaarlijk kan worden gesteld dat verzoekster, die met een ter post aangetekend verzonden schrijven op 8 november 2002 bij de verwerende partij om inlichtingen vroeg, haar vraag niet binnen een redelijk aanvaardbare termijn zou hebben gesteld. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de exceptie wegens laattijdigheid niet opgaat. VII-36.960-4/16 2. De feiten 2.1. Op 10 januari 1986 dient de b.v.b.a. LIEVEN BAERT een aanvraag in voor het verkrijgen van een vergunning tot overbrenging van een apotheek gevestigd te Brugge, Wollestraat 23, naar Beernem, H. d’Ydewallestraat 100-102. In een brief van 24 juli 1986 wordt dit adres gewijzigd in H. d’Ydewallestraat, eerste afdeling, sectie G, nr. 121/2K2. 2.2. Op 24 april 1986 en 2 juni 1986 wordt er namens enkele apothekers uit de omgeving - waaronder verzoekster - een aantal documenten, zoals een plan opgemaakt door landmeter MESSENS en een stratenlijst met vermelding van het aantal inwoners, toegestuurd aan de vestigingscommissie. Deze documenten moeten aantonen dat aan de voorwaarden van artikel 1, § 5, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken niet werd voldaan. Als invloedssfeer van de bestaande apotheek DESSEIN, die bij het station gelegen is, wordt onder meer een deel van Beernem aan de overzijde van de spoorweg aangemerkt. Langs die kant zou ook de over te brengen apotheek gelocaliseerd worden. 2.3. Op 18 juli 1986 bepaalt landmeter-expert Gerard D'HALLUIN op verzoek van de b.v.b.a. LIEVEN BAERT de invloedssfeer van de vestiging te Beernem. Volgens dat verslag zouden 2.419 inwoners aangewezen zijn op de overgebrachte apotheek. Bij de bepaling van de afstanden tot de bestaande en de nieuwe apotheek wordt geen rekening gehouden met de voetgangerstunnel onder de spoorweg, "daar hij niet toegankelijk is voor verkeer per auto". Aldus worden alle straten ten zuiden van de spoorweg geacht tot de invloedssfeer van de nieuwe vestiging te behoren. 2.4. Op 1 augustus 1986 brengt de farmaceutische inspecteur een gunstig advies uit over de aanvraag, gemotiveerd doordat Beernem en Brugge aanpalende gemeenten zijn, de afstand tot de dichtstbijgelegen apotheek circa 1 km bedraagt, er meer dan 1.250 inwoners binnen de invloedssfeer van de geplande vestiging zijn en, wegens de dichte concentratie van apotheken rond de Wolle- straat 23 te Brugge, er sprake kan zijn van een overbrenging met deconcentratie. VII-36.960-5/16 De inspecteur-generaal besluit echter in zijn verslag van 25 augustus 1986, onder verwijzing naar het verslag van landmeter MESSENS, dat aan de voorwaarden van artikel 1, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 september 1974 niet is voldaan, te weten het wonen van 1.250 inwoners binnen de invloedssfeer van de geplande vestiging. 2.5. In haar advies van 6 oktober 1986 oordeelt de vestigingscommis- sie dat de aanvraag tot overbrenging niet ontvankelijk is omdat de officina, waarvoor de transfer wordt aangevraagd, gesloten is sedert 1 januari 1983. De Commissie van beroep is in haar advies van 19 januari 1988 dezelfde mening toegedaan. De staatssecretaris voor Volksgezondheid deelt dan met een brief van 8 maart 1988 aan de tussenkomende partij mede dat hij zich bij de motivering van het advies van de Commissie van beroep aansluit en de aangevraagde vergunning weigert. 2.6. Ingevolge het annulatieberoep dat de b.v.b.a. LIEVEN BAERT tegen de weigeringsbeslissing instelt bij de Raad van State, wordt deze vernietigd bij arrest nr. 45.561 van 30 december 1993. In dat arrest wordt geoordeeld dat de overheid ten onrechte had aangenomen dat het om de overbrenging van een definitief gesloten apotheek ging, doch dat zij de toestand in aanmerking had moeten nemen welke bestond op het tijdstip dat initieel om de overbrenging was gevraagd. 2.7. Daarop verleent de minister, zich aansluitend bij het advies van de vestigingscommissie, op 29 juli 1994 de gevraagde vergunning. 2.8. Ingevolge het annulatieberoep tegen voormelde beslissing, ingesteld door de n.v. Apotheek DESSEIN en cons., wordt deze beslissing bij arrest nr. 104.568 van 11 maart 2002 vernietigd. In dit arrest wordt geoordeeld dat uit de bestreden beslissing "niet blijkt hoe de verwerende partij tot haar conclusie is gekomen dat aan de voorwaarde van de vereiste dekking van de behoeften van 1.250 inwoners voldaan is". 2.9. Ingevolge deze vernietiging wordt de aanvraag tot overbrenging van de apotheek (gewijzigd met een schrijven van 15 mei 2002 in H. d'Ydewallestraat, nr. 100-102 (kadaster sectie G ex nr. 132 L 2)), hernomen door de vestigingscommissie op respectievelijk 27 mei 2002, 24 juni 2002 en 5 augustus 2002. VII-36.960-6/16 2.10. Tijdens deze zittingen van de vestigingscommissie legt de aanvrager, thans de tussenkomende partij, onder meer conclusies neer evenals een verslag en een aanvullend verslag van landmeter-expert Dany PAPE. 2.11. Op 24 mei 2002 deelt de farmaceutische inspecteur zijn bevindingen mee aan de vestigingscommissie. Hij besluit als volgt: "De totale invloedssfeer van de apotheek Baert NV bedraagt aldus volgens de invloedssfeerbepaling van landmeter Pape 1.603 inwoners wat beduidend meer is dan de vereiste 1.250 (zijnde de helft van 2.500) voor een overplaatsing van een apotheek naar een aangrenzende gemeente (Brugge naar Beernem)". 2.12. De aanvullende conclusie van de apotheker-directeur van 20 juni 2002 is eveneens gunstig en luidt als volgt : "Aangezien de dichtstbijzijnde apotheek zich op ongeveer 1300 m bevindt van de geplande apotheek en aangezien die laatste blijkbaar de behoeften dekt van 1634 inwoners, is voldaan aan de criteria, bepaald in artikel 1, § 5,

  1. b)van het Koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken.(...)". 2.13. Op 2 september 2002 brengt de vestigingscommissie een gunstig advies uit dat onder meer luidt als volgt : "(...) Op grond van deze vaststellingen en opmetingen ter plaatse van landmeter PAPE en die van farmaceutisch inspecteur DESCHUTTER, mede het gunstig advies van de Inspecteur-Generaal, hierboven aangehaald, neemt de Vestigings- commissie aan dat de aanvraag volledig beantwoordt aan de bepalingen van artikel 1, § 5 littera
  2. b)van het hoger vermeld K.B.. De twee voorwaarden van afstand 1 km (1,350
  3. km)en invloedssfeer 1.250 (1.634 inwoners) zijn immers vervuld. Op de bepalingen van littera
  4. a)van dit artikel, met name de deconcentratie te Brugge, ten gevolge van de overbrenging, door aanvraagster ingeroepen, meent de Commissie niet te moeten ingaan". 2.14. Op 30 oktober 2002 neemt de minister van Volksgezondheid de thans bestreden beslissing. Deze beslissing luidt als volgt : "Ingevolge uw aanvraag ingediend op 10/01/1986 met het oog op het verkrijgen van een vergunning voor de overbrenging van een voor het publiek opengestelde officina te 8000 Brugge, Wollestraat 23 naar 8730 Beernem, de H. d'Ydewallestraat eerste afdeling Sectie G. nr. 121/2K2, nadien gewijzigd met brief van 15 mei 2002 in H. d’Ydewallestraat 100- 102 (Kadaster sectie G ex nummer 132L2); VII-36.960-7/16 gelet op het arrest van de Raad van State nr. 104.568 d.d.11/03/2002 waarbij 'vernietigd wordt het besluit van 29 juli 1994 van de Minister van Maatschappe- lijke Integratie, Volksgezondheid en Leefmilieu, waarbij aan de BVBA Lieven Baert de vergunning wordt verleend om een voor het publiek opengestelde officina over te brengen van Brugge, Wollestraat 23, naar Beernem, H. d'Ydewallestraat, eerste afdeling, sectie G, nr. 121/2K2'; en na kennis genomen te hebben van het gunstig advies van de Vestigings- commissie d.d. 2/09/2002, waarvan een afschrift in bijlage, heb ik de eer u mede te delen dat ik beslist heb mij bij de motivering van dit advies aan te sluiten, en u bijgevolg de aangevraagde vergunning te verlenen". 3. De beoordeling 3.1.1. In een eerste middel voert verzoekster aan dat de bestreden vergunning werd verleend met schending van artikel 1, § 5, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Zij meent dat deze bepalingen en beginselen geschonden werden omdat de bestreden vergunning tot overbrenging van de apotheek verleend werd in strijd met de voorwaarden vermeld in artikel 1, § 5, van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974. Zij betoogt dat de bestreden beslissing op dit punt niet steunt op afdoende in rechte en in feite aanvaardbare motieven. 3.1.1.1. In een eerste onderdeel van haar middel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing ten onrechte steunt op recente gegevens. Zij ondersteunt haar betoog met een verwijzing naar het arrest van de Raad van State nr. 45.561 van 30 december 1993. In concreto verwijt zij de vergunningverlenende overheid dat zij zich - om tot het besluit te komen dat de geplande apotheek voldoet aan de afstandsvoorwaarde van ongeveer 1 km tot de dichtstbijgelegen apotheek en de voorwaarde van een behoeftedekking van 1.250 inwoners (zijnde de helft van 2.500 inwoners), zoals bepaald in artikel 1, § 5, van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974 - ten onrechte gesteund heeft op nieuwe feitelijke gegevens. Verzoekster, die van oordeel is dat enkel rekening mocht worden gehouden met gegevens die dateren uit de periode van het indienen van de aanvraag tot over- brenging van de apotheek, verwijst in dit verband naar het feit dat het advies van de vestigingscommissie, en derhalve ook de bestreden beslissing die ernaar verwijst, is gesteund op nieuwe gegevens vervat in het schrijven van de aanvrager van 15 mei 2002, de verslagen van landmeter Dany PAPE van respectievelijk 26 april 2002 en VII-36.960-8/16 16 mei 2002, het nieuw verslag van de farmaceutische inspecteur van 20 juni 2002 (lees 24 mei 2002), de aanvullende conclusie van de apotheker-directeur van 20 juni 2002 en de brief van de burgemeester van Beernem van 5 juni 2001 in verband met de karakteristieken van de voetgangerstunnel onder de spoorweg. 3.1.1.2. In een tweede onderdeel van haar middel voert verzoekster aan dat bij de afbakening van de invloedssfeer van de nieuwe apotheek onvoldoende rekening gehouden is met de gevestigde apotheken en dat de verschillende invloedssferen niet met elkaar zijn vergeleken. Verzoekster stelt dat "bij de afbakening van de invloedssfeer van een nieuwe officina overeenkomstig het koninklijk besluit van 25 september 1974 (...) op een deugdelijke en aanvaardbare manier rekening (moet) worden gehouden met de bestaande en reële invloedssfeer van de reeds gevestigde officinae" (met voetnoot verwijzend naar het arrest van de Raad van State nr 38.935 van 5 maart 1992) en dat "de bestreden beslissing (...) dan ook niet (
  5. is)gesteund op een vergelijking van de invloedssferen van de bestaande apotheken enerzijds en van de over te plaatsen officina anderzijds". 3.1.1.3. In een derde onderdeel van haar middel stelt verzoekster nog dat de bestreden beslissing ten onrechte geen rekening houdt met vroegere afwijkende documenten en verslagen. Zij verwijt de vergunningverlenende overheid dat zij - om tot het besluit te komen dat de geplande apotheek voldoet aan de afstandsvoorwaarde van ongeveer 1 km tot de dichtstbijgelegen apotheek en de voorwaarde van een behoeftedekking van 1.250 inwoners (zijnde de helft van 2.500 inwoners), zoals bepaald in artikel 1, § 5, van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974 - ten onrechte geen rekening houdt met vroegere afwijkende documenten en verslagen. Verzoekster, die hierbij verwijst naar het verslag van 24 april 1986 van landmeter MESSENS, het verslag van 18 juli 1986 van landmeter- expert D’HALLUIN en het verslag van 25 augustus 1986 van de inspecteur-generaal stelt dat zij "uit het administratief dossier (zoals zij het kon nagaan) niet (kan) afleiden dat deze documenten en opvattingen werden opgenomen in de belangenafweging die tot de bestreden beslissing heeft geleid". Uit de uiteenzetting van verzoekster blijkt dat zij van oordeel is dat de verwerende partij, verwijzend naar het advies van de vestigingscommissie - dat op zijn beurt verwees naar de argumenten van de aanvrager, het verslag van landmeter Dany PAPE en het plaatsbezoek van de farmaceutische inspecteur - ten onrechte van oordeel was dat de spoorlijn Brugge-Gent als een natuurlijke grens voor fietsers kon worden beschouwd, gelet op enerzijds de vrij hoge brug over de spoorweg en anderzijds de tunnel onder de spoorweg die uitsluitend door voetgangers kan worden gebruikt. VII-36.960-9/16 3.1.2. Artikel 1, § 5, b), van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974 luidt als volgt : "§ 5. Overbrenging kan toegestaan worden, zelfs indien de criteria bepaald in de §§ 2 en 3 niet nageleefd zijn, op voorwaarde dat:
  6. a)(...);
  7. b)hetzij één van de voorwaarden bedoeld in a, b of c van § 3 volledig nageleefd wordt, en aan de andere voorwaarde bedoeld in hetzelfde littera, voor ten minste de helft is voldaan". Artikel 1, § 3, van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974 bepaalt het volgende : "§ 3. In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan:
  8. a)indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 1 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2.500 inwoners;
  9. b)(...);
  10. c)(...)". De bestuurshandelingen moeten krachtens de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd en die motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Bovendien moet zij afdoende zijn. 3.1.2.1. De bestreden beslissing verwijst uitdrukkelijk naar het gunstig advies van de vestigingscommissie dat als bijlage bij de beslissing is gevoegd, zodat dit advies geacht wordt de motieven van de bestreden beslissing te bevatten. Bij de beoordeling van de invloedssfeer van de geplande apotheek moet de minister rekening houden met de actuele en dus meest recente cijfers en gegevens. In het arrest nr. 45.561 van 30 december 1993, waarnaar verzoekster verwijst, oordeelt de Raad van State dat de minister, bij de beoordeling van de vraag of het om een definitief gesloten apotheek ging, zich had moeten stellen op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot overbrenging, met het oog op een effectief rechtsherstel gelet op de intussen verstreken termijn. De feitelijke situatie die in dat arrest aan de orde was verschilt van de huidige. In deze omstandigheid kan verzoekster in dit arrest geen steun vinden voor haar stelling. 3.1.2.2. In een geval als het huidige moet concreet worden nagegaan welke inwoners zich voor hun geneesmiddelenvoorziening het gemakkelijkst tot de nieuwe officina zullen wenden en welke inwoners daarentegen nog aangewezen VII-36.960-10/16 zullen zijn op de bestaande officina's. Het is in die zin dat die bestaande officina's bij de beoordeling betrokken dienen te worden. Het begrip "spreiding van de apotheken" moet zo worden opgevat dat het in overeenstemming is met de eisen van de volksgezondheid, inzonderheid met het oog op het op een doeltreffende wijze uitoefenen van de artsenijbereidkunde, hetgeen in concreto betekent dat de organisatie en de inplanting van de apotheken dient te worden georganiseerd in het licht van een doeltreffende aflevering van de geneesmiddelen aan de bevolking. Verzoekster stelt dus ten onrechte dat de beslissing gesteund moet zijn op een vergelijking van de invloedssferen van de bestaande apotheken enerzijds en van de over te plaatsen apotheek anderzijds. Er moet enkel worden nagegaan welke inwoners zich voor hun geneesmiddelenvoorziening het gemakkelijkst tot de nieuwe apotheek zullen wenden en welke inwoners daarentegen nog aangewezen blijven op de bestaande apotheken. Het is in die zin dat bestaande apotheken bij de beoordeling betrokken moeten worden. Verzoeksters betoog, dat zich beperkt tot de mogelijke weerslag die de beslissing zou hebben op de invloedssfeer van de omliggende apotheken, komt er in feite op neer dat zij de overheid verwijt geen rekening gehouden te hebben met de commerciële belangen van de omliggende apotheken. De eventuele weerslag op de concurrentiële positie van de omliggende apotheken kan evenwel geen grond opleveren voor de nietigverklaring van de bestreden beslissing, aangezien dergelijk motief vreemd is aan de reglementering die, zoals hierboven reeds gesteld, uitsluitend met het oog op de volksgezondheid, een betere organisatie van de farmaceutische sector beoogt. 3.1.2.3. De motiveringsplicht, opgelegd aan het actief bestuur waartoe de Commissie van beroep ter zake behoort, betekent dat uitdrukkelijk in het advies zelf de redenen moeten worden opgegeven waarop het steunt. Het is zaak van de daartoe bevoegde overheid om in elk geval dat haar wordt voorgelegd te oordelen of de door de aanvrager geplande apotheek voldoet aan de vastgelegde criteria. De Raad van State is niet bevoegd om zich bij dit oordeel in de plaats van deze overheid te stellen. De Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet evenwel nagaan of de overheid deze beoordeling op redelijke en in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund. VII-36.960-11/16 Het loutere feit dat er verslagen en metingen van landmeters bestaan die tot een verschillend besluit komen wat betreft het voldaan zijn aan de voorwaarden bepaald in artikel 1, § 5, van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974, impliceert niet noodzakelijk dat de overheid redelijkerwijze niet tot het besluit zou kunnen komen dat aan deze voorwaarden zou zijn voldaan, terwijl noch de Commissie van beroep noch de verwerende partij gehouden zijn in hun motivering deze verslagen uitdrukkelijk tegen elkaar af te wegen. In tegenstelling tot hetgeen verzoekster betoogt, zijn de door de aanvrager naar voren gebrachte gegevens en elementen wel degelijk het voorwerp geweest van een onderzoek ter plaatse, terwijl uit de vaststellingen van de farmaceutische inspecteur bezwaarlijk kan worden afgeleid dat de beoordeling van de vergunningverlenende overheid op dit punt kennelijk onredelijk zou zijn geweest. De in artikel 1, § 3, a), van het eerdergenoemd koninklijk besluit van 25 september 1974 bepaalde voorwaarde dat de apotheek moet voorzien in de behoeften van 2.500 inwoners moet, wil zij enig nut blijven hebben, redelijkerwijze aldus begrepen worden dat op zijn minst 2.500 personen door de vestiging van de nieuwe apotheek de mogelijkheid krijgen om daar het gemakkelijkst inkopen te doen, zonder dat hoeft te worden aangetoond - wat onmogelijk is - dat zij allemaal noodzakelijkerwijze alleen daar inkopen zullen doen. De overheid kan voorts in redelijkheid aannemen dat de afstand tussen de apotheken zo moet worden beoordeeld dat de klanten van de apotheken kunnen kiezen met welke middelen zij er zich, zowel bij dag als bij nacht, veilig heen begeven en dat die mogelijkheid enkel bestaat bij berijdbare wegen. Het komt de Raad van State niet toe zich, wat die beoordeling betreft, in de plaats te stellen van de vergunnende overheid. Verzoekster beperkt zich er toe de beoordeling van de vergunningverlenende overheid te betwisten op het punt dat de spoorlijn een hindernis zou vormen, hetgeen impliciet betekent dat zij van oordeel is dat de inwoners aan de overzijde van de spoorweg aangewezen zullen blijven op de bestaande apotheken. Uit het loutere gegeven dat de verwerende partij er op dit punt een andere mening op nahoudt dan verzoekster, kan bezwaarlijk worden afgeleid dat het oordeel van de verwerende partij kennelijk onredelijk zou zijn. Het eerste middel is niet gegrond. VII-36.960-12/16 3.2.1. In een tweede middel voert verzoekster aan dat de bestreden vergunning werd verleend met schending van hoofdstuk III van het eerdergenoemd koninklijk besluit van 25 september 1974, het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht. Zij meent dat deze bepalingen geschonden worden omdat de "procedure en het onderzoek slechts gedeeltelijk werd hernomen na het vernietigingsarrest 104.568 van de Raad van State". "Enkel de Farmaceutische Inspecteur werd om een nieuw advies gevraagd. De overige in artikel 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 bedoelde instanties (Provinciegouverneur, Geneeskundige Commissie van het ambtsgebied en de meest representatieve farmaceutische beroepsorganisaties) werden buiten beschouwing gelaten", aldus nog verzoekster die verder nog betoogt dat zijzelf evenmin als de overige "belanghebbende actoren" de kans heeft gekregen "om haar visie op de nieuwe feitelijke elementen naar voren te brengen; een kans die haar moest worden geboden overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 september 1974". Verzoekster stelt dat naar aanleiding van de aangifte van de adreswijziging van de vestigingsplaats ook nieuwe gegevens werden gemeld, die vereisten dat opnieuw alle reglementair voorgeschreven adviezen werden gevraagd en kennisgevingen werden verricht. Zij is van oordeel dat de bestreden beslissing haar belangen "op een ernstige en moeilijk te herstellen manier kan aantasten" zodat ook het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht geschonden zouden zijn. Zij gaat er van uit dat na het vernietigingsarrest nr. 104.568 van 11 maart 2002 twee hypotheses mogelijk waren. "Ofwel herleeft de vergunningsaanvraag van 10 januari 1986" en diende de procedure overeenkomstig het vernietigingsarrest nr. 45.561 van 30 december 1993 ab initio hernomen te worden "ofwel is er sprake van een nieuwe vergunningsaanvraag", aldus verzoekster. Hieromtrent ontwikkelt zij in een "tweede onderdeel" van het middel een aantal argumenten. 3.2.2. Na de nietigverklaring bij arrest van de Raad van State nr. 104.568 van 11 maart 2002 van de vergunning, op grond van de initiële aanvraag van 10 januari 1986, verleend op 29 juli 1994, wordt het nieuwe thans bestreden besluit genomen na een nieuw advies van de vestigingscommissie. Verzoekster betwist dat dit volstond en beweert dat de hele adviesprocedure bepaald in artikel 7 van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974 moest worden overgedaan. In de regel dient - wanneer een administratieve rechtshandeling is nietigverklaard en het noodzakelijke rechtsherstel vereist dat zij wordt overgedaan - de administratieve procedure hernomen te worden vanaf het punt waar de vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Te dezen heeft het arrest VII-36.960-13/16 nr. 104.568 van 11 maart 2002 de eerste vergunning vernietigd wegens verkeerde toepassing door de minister van artikel 1, § 5, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 in de mate dat hij, het advies van de vestigingscommissie bijvallend, de vergunning had verleend op grond van een motivering waaruit niet kon worden afgeleid hoe de vergunningverlenende overheid tot haar conclusie was gekomen dat aan de voorwaarde van de vereiste dekking van de behoeften van 1.250 inwoners voldaan was. De door het arrest beteugelde onregelmatigheid heeft zich aldus voorgedaan in het stadium van de adviesverlening door de vestigingscommissie. Om aan de wettelijke vereisten te voldoen diende de administratieve procedure dan ook in principe vanaf dat punt hernomen te worden, zonder dat het nodig was de hele vergunningsprocedure van voren af aan opnieuw te voeren aangezien nog steeds beschikt diende te worden over de oorspronkelijke aanvraag. De beoordeling van de actualiteit van de gegevens op grond van dewelke een beslissing wordt genomen is zaak van de vergunningverlenende overheid en het komt de Raad van State niet toe zich bij deze beoordeling in de plaats te stellen van de overheid. De Raad kan deze beslissing alleen dan op grond van een verkeerde appreciatie vernietigen wanneer deze beoordeling kennelijk onjuist of onredelijk is. Het komt aan verzoekster toe dit aan te tonen. Te dezen toont zij evenwel niet concreet en specifiek aan waarom de Commissie van beroep, en desgevallend de minister, niet op basis van het geactualiseerd dossier, zoals voorgelegd door de aanvrager en waarover de farmaceutische inspecteur advies gaf, met kennis van zaken en aan de hand van actuele gegevens hebben kunnen oordelen of aan de voorwaarden van artikel 1, § 5, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 voldaan was. Inzonderheid toont zij niet aan dat gesteund werd op onvolledige of onjuiste gegevens over de plaatselijke toestand. Verzoekster toont niet aan dat de "nieuwe gegevens", die de aanvrager nadien zou hebben aangebracht, de aard van de aanvraag in die mate wijzigden dat de kennisgevings- en adviesprocedure van de artikelen 6 en 7 van voornoemd koninklijk besluit van 25 september 1974 moest worden overgedaan. De aanvraag voor opmerkingen of advies wordt, op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 september 1974, meegedeeld aan de in de artikelen 6 en 7 bedoelde personen en instanties, en die procedure is ter zake nageleefd. Verzoekster toont niet aan waarom de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur aan die reglementaire bepalingen een verdergaande inhoud zou VII-36.960-14/16 geven dan hoger beschreven. De opmerking van verzoekster dat het een handeling betreft die haar belangen op een ernstige en moeilijk te herstellen manier kan aantasten kan derhalve niet tot de conclusie nopen dat de ingeroepen hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur ter zake geldt. Het eveneens ingeroepen zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en dient te steunen op een correcte feitenvinding. Het blijkt niet dat verzoekster de beweerde schending van dit beginsel van behoorlijk bestuur daarbij een andere inhoud geeft dan de beweerde schending van de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 25 september 1974. Het is volkomen terecht dat de verwerende partij de vergunningsprocedure, na het annulatiearrest van de Raad van State, heeft behandeld op grond van de initiële aanvraag, zodat de beschouwingen van verzoekster omtrent de nieuw te volgen procedure, zoals zij die uiteenzet in hetgeen zij het "tweede onderdeel" van haar middel noemt, niet terzake dienend zijn. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, zowel wat betreft de vordering tot schorsing als het annulatieberoep, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-36.960-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.960-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.948 Gerelateerde publicatie(
  11. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.