← België

Arrest 180952 - Milieuvergunningen - 13/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.952 Rolnummer: A. 96762/VII-23071 Zaak: Arrest 180952 - Milieuvergunningen - 13/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.952 van 13 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.952 van 13 maart 2008 in de zaak A. 96.762/VII-23.071. In zake : Alexandra MEYSKENS, die woonplaats kiest bij advocaat L. LOOS, kantoor houdende te AALST, Esplanadeplein 10 tegen : de deputatie van de provincie ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alexandra MEYSKENS op 24 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 3 augustus 2000 waarbij haar beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen van 15 februari 2000, houdende weigering van de vergunning om een paardenfokkerij, gelegen aan de Moststraat te Hombeek, te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 8 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 18 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 februari 2008; VII-23.071-1/16 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HENDRICKX, die loco advocaat L. LOOS verschijnt voor verzoekster, en van bestuurssecretaris M. MICHIELS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 9 december 1999 vraagt verzoekster een klasse 2-vergunning aan voor de exploitatie van een paardenfokkerij gelegen aan de Moststraat te Hombeek. De aanvraag heeft betrekking op het stallen van maximum 30 paarden, de opslag van ± 150 m³ dierlijke mest en het lozen van huishoudelijk afvalwater in een gracht. Tijdens het openbaar onderzoek van 22 december 1999 tot 20 januari 2000 worden geen bezwaren ingediend. 1.2. Op 20 januari 2000 geeft de Vlaamse Landmaatschappij een ongunstig advies over de aanvraag. 1.3. Op 15 februari 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen de gevraagde vergunning. 1.4. Op 21 maart 2000 ontvangt de verwerende partij het administratief beroep van verzoekster tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot weigering van de vergunning. De argumenten van het beroepschrift luiden als volgt : "(...) U argumenteert dat er vroeger 0 kg P2O5 geproduceerd werd. Dit is niet juist. Er was wel degelijk een productie, doch voor minder dan 20 paarden diende dit niet te worden aangegeven en dus niet herleid te worden tot nul kg P2O5. VII-23.071-2/16 (...) Volgens berekening heb ik wel grond voldoende voor afzet : 4,5 x 7,31 ha = 32,8 paarden. Aanvraag is 30 paarden. Zelfs indien niet juist is er nog altijd de mogelijkheid paarden te verminderen of grond te vermeerderen. (...) In 1997 vroeg Mechelen een regularisatie aan voor de bestaande toestand. (2 hangaars en 10 stallingen) Deze werd toen geweigerd omdat het geen volwaardig bedrijf was. (...) Nu wil ik een volwaardig bedrijf maken, doch dat mag ook niet (...)". 1.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : (

  1. a)Op 7 juni 2000 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij het beroep te verwerpen en de vergunning te weigeren. In dit advies wordt het volgende gesteld : "Aangezien : - sedert 30/03/2000 de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/,
  2. c)van het Mestdecreet van kracht zijn - het beroep volledig en ontvankelijk verklaard werd op 2 juni 2000 - de inrichting NIET voldoet aan Art. 5.9.3.1., §1. van Afdeling 5.9.3. volgens VLAREM -TITEL II - deze inrichting geen vergunde mestproductie heeft - de vergunningsaanvraag de bedoeling heeft om te komen tot een vergunde mestproductie van 1.950 kg N en 900 kg P2O5, heeft de aanvraag betrekking op een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie - niet voldaan wordt aan alle criteria van het Mestdecreet aangezien: - de inrichting geen bestaande veeteeltinrichting is - de vergunningsaanvraag een stijging van de vergunde mestproductie beoogt"; (
  3. b)Op 30 juni 2000 adviseert de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL het beroep te verwerpen en de vergunning te weigeren. In dit advies wordt het volgende gesteld : "Overwegende dat exploitant een vergunning aanvraagt voor een paardenfokkerij met stallingen voor in het totaal 30 paarden; dat 10 paarden gestald worden in een bestaand gedeelte, waarvoor blijkbaar geen bouwvergunning kan worden voorgelegd; 20 andere paarden zullen gestald worden in een nieuw op te richten gedeelte, dat ook nog een rijpiste en een privéwoning zou omvatten; dat het geheel als nieuwe inrichting dient beschouwd; dat nieuwe inrichtingen zowel in het vorige als in het huidige Mestdecreet niet langer kunnen worden uitgebaat; dat de vergunde mestproductie inderdaad nul is, en de aanvraag dus neerkomt op een stijging. Overwegende dat overeenkomstig de wijzigingen van het Milieuvergunningsdecreet en het nieuwe Mestdecreet er een 'amnestiemaatregel' werd ingevoerd voor bestaande paardenfokkerijen, die met de nodige documenten kunnen aantonen dat zij in 1996-1999 in uitbating waren; dat deze maatregel op deze inrichting geenszins kan worden toegepast: het gedeelte met 20 paarden is nog niet gebouwd: er is geen bouw- en milieuvergunning voor; dit gedeelte kan dan ook niet geregulariseerd worden. Het reeds bestaande gedeelte omvat slechts 10 paarden, en is dus niet ingedeeld VII-23.071-3/16 volgens het Vlarem. De lozing en de mestopslag zijn slechts meldingsplichtig, zodat de inrichting casu quo slechts klasse III is; een koppeling melding-bouwvergunning is er niet. De beroepsargumenten zijn ongegrond: er is geen vergunde mestproductie; aangifte- en vergunningsplicht zijn niet hetzelfde; het beroep is blijkbaar gericht aan VLM; dat hun advisering bindend zou zijn, is niet meer dan een zienswijze, die overigens niet gevolgd wordt; dat illo tempore de bouwvergunning (regularisatie) voor een reeds gebouwde stal werd geweigerd omdat het bedrijf niet leefbaar was duidt enkel aan wat de gevolgen kunnen zijn wanneer men illegale constructies opricht; dit als pro-argument gebruiken is niet geheel duidelijk. Het Mestdecreet laat en liet niet toe dat bedrijven nog worden uitgebreid, zelfs wanneer dat de landbouwkundige onleefbaarheid met zich meebrengt. Het beroep is ongegrond"; (
  4. c)Op 4 juli 2000 beslist de Provinciale Milieuvergunningscommissie het volgende : "De bespreking van dit dossier wordt verdaagd naar de zitting van 12 juli 2000. De procedure van dit dossier werd laattijdig gestart. Het dossier wordt op 6 juli 2000 aan de bestendige deputatie voorgelegd voor termijnverlenging. De vertegenwoordigers van de AMV en de AROHM, die volgende week niet aanwezig zullen zijn wegens vakantie, wensen er nu reeds op te wijzen dat het geen regularisatiedossier betreft, ook al wordt dit in het dossier gesteld. De AROHM legt ter zitting reeds kopie van haar advies neer". 1.6. Op 6 juli 2000 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de behandelingstermijn éénmalig te verlengen met één maand, overeenkomstig artikel 23bis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) "teneinde het dossier alsnog voor advies te kunnen voorleggen aan de PMVC". In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Door een administratieve fout is het dossier 2 maanden te laat in behandeling genomen en werd het dossier niet voorgelegd aan de PMVC. Van rechtswege is hierdoor het advies van de PMVC stilzwijgend gunstig. De dienst stelt voor termijnverlenging te beslissen, teneinde het dossier alsnog voor advies te kunnen voorleggen aan de PMVC". 1.7. Na verzoekster te hebben gehoord, adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie op 12 juli 2000 het beroep te verwerpen en de vergunning te weigeren. In dit advies wordt het volgende gesteld : "(...) De AROHM merkt op dat op 4 september 1992 het bouwen van paardenstallen met schuur geweigerd werd(
  5. en)wegens het ongunstig advies van de afdeling Land. Op 20 december 1993 werd dit nogmaals geweigerd. Op 24 augustus worden de werken in uitvoering gesteld. Op 23 maart 1998 wordt het ongunstig advies bevestigd. Op 20 april 1998 werd een PV van vaststelling opgemaakt. VII-23.071-4/16 VII-23.071-5/16 Er kan dus besloten worden dat er voor niets een bouwvergunning is. (...) De PMVC volgt de ongunstige adviezen. Het beroep is ongegrond". 1.8. Op 3 augustus 2000 wordt het bestreden besluit genomen. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Gelet op het feit dat door een administratieve vergetelheid, zoals hiervoor reeds gemeld, het dossier pas later in behandeling werd genomen en niet tijdig kon voorgelegd worden aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC); Gelet op het feit dat de bestendige deputatie op 6 juli 2000 besliste de behandelingstermijn éénmalig te verlengen met één maand, overeenkomstig art. 23bis van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, teneinde het dossier alsnog voor advies aan de PMVC te kunnen voorleggen; Gelet op het horen van mevrouw Alexandra Meyskens, exploitant, en de heer Arthur Meyskens, door de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) d.d. 12 juli 2000; De exploitant stelt dat er in 1991 een bouwvergunning werd aangevraagd. Er was geen milieuvergunning vereist. De bouwvergunning werd niet verkregen, omdat het geen volwaardig bedrijf betrof. Om tot de norm van een volwaardig bedrijf te komen werd thans een vergunning gevraagd voor het houden van 30 paarden. Voor de mestafzet is er geen probleem, omdat het bedrijf over gronden beschikt voor de mestafzet van 32 paarden. De VLM stelt dat er moet geoordeeld worden op basis van het nieuwe mestdecreet. 10 standplaatsen voor paarden zijn niet vergunningsplichtig en voor 30 paarden kan geen vergunning meer verkregen worden gelet op de regelgeving van MAP II. De AROHM merkt op dat er gebouwen opgericht zijn niettegenstaande er geen bouwvergunning was. Volgens de exploitant werd door de stad medegedeeld dat de bouwvergunning in orde was. Hij heeft er weet van dat er PV werd opgesteld wegens bouwovertreding. De exploitant vraagt ermee rekening te houden dat door zijn toedoen de vergunning niet stilzwijgend werd verleend; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) ; op volgende elementen uit het laattijdig ongunstig advies dd. 12 juli 2000 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) ; De AROHM merkt op dat op 4 september 1992 het bouwen van paardenstallen met schuur geweigerd werd(...) wegens het ongunstig advies van de afdeling Land. Op 20 december 1993 werd dit nogmaals geweigerd. Op 24 augustus worden de werken in uitvoering gesteld. Op 23 maart 1998 wordt het ongunstig advies bevestigd. Op 20 april 1998 werd een PV van vaststelling opgemaakt. Er kan dus besloten worden dat er voor niets een bouwvergunning is. De PMVC volgt de ongunstige adviezen. Het beroep is ongegrond; Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Mechelen, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: agrarisch gebied; Overwegende dat de stallen en de schuur van de betrokken inrichting illegaal werden opgericht, zoals men in de adviezen van de AMV en de AROHM kan lezen; dat op 20 april 1998 hiervoor door de bouwdienst van de stad Mechelen VII-23.071-6/16 een proces-verbaal van bouwovertreding werd opgesteld lastens de heer Arthur Meyskens, vader van mevrouw Alexandra Meyskens; Overwegende dat unaniem uit de vooralsnog gevraagde adviezen van de AMV, de AROHM, de VLM en de PMVC blijkt dat in geen geval een vergunning (regularisatie) kan verleend worden; dat voor het stallen van 10 paarden in een bestaand gedeelte geen bouwvergunning kan voorgelegd worden; dat de 20 andere paarden zullen gestald worden in een nieuw op te richten gedeelte, dat ook nog een rijpiste en een privéwoning zou omvatten; Overwegende dat het bijgevolg een nieuwe inrichting betreft die volgens de bepalingen van zowel het vorige als het huidige Mestdecreet niet langer uitgebaat kunnen worden; dat de vergunde mestproductie immers nul is en de milieuvergunningsaanvraag bijgevolg neerkomt op een stijging van de vergunde mestproductie; Overwegende dat in het gewijzigde Milieuvergunningsdecreet en het nieuwe Mestdecreet een amnestiemaatregel werd ingevoerd voor bestaande paardenfokkerijen op voorwaarde dat zij met de nodige documenten kunnen aantonen dat zij in 1996-1999 in uitbating waren; dat deze amnestiemaatregel geenszins op deze inrichting kan worden toegepast aangezien de stallen voor 20 paarden nog niet gebouwd zijn en er dus geen bouw- en milieuvergunning is en aangezien het reeds bestaande gedeelte, dat in overtreding werd opgericht, slechts 10 paarden omvat en dus niet is ingedeeld volgens het Vlarem; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het bestreden collegebesluit volledig te bevestigen". Met een aangetekend schrijven van 29 augustus 2000 geeft de verwerende partij aan verzoekster kennis van het bestreden besluit. 1.9. Op 21 september 2000 stuurt verzoekster volgende brief aan de verwerende partij : "(...) Geachte Heren, Hiermede vraag ik uw akkoord voor een stilzwijgende vergunning van 20 jaar met rede dat volgens de verjaring (zie art. 50 par. 5) de normale door de wet voorziene procedure deze mogelijkheid voorzien is. De indiening van het beroep was 20 maart 2000 doch uw antwoord van 29 augustus 2000 dat uw beslissing viel op 03 augustus 2000 staaft onze motivering. De 4 maanden zijn ruimschoots overschreden zonder een verlenging van max. 1 maand te hebben aan ons geworden. Het zou ons in tijd geweldig bevoordelen mocht u positief antwoord geven. In de hoop uw antwoord binnen de 8 dagen te ontvangen om ons alsnog de tijd te geven beroep aan te tekenen bij de Raad van State verblijf ik hoogachtend". VII-23.071-7/16 1.10. Op 3 oktober 2000 antwoordt de verwerende partij hierop als volgt: "Mevrouw, (...) Wij ontvingen uw brief d.d. 21 september 2000 in goede orde op 26 september 2000. Na onderzoek van uw dossier is gebleken dat de beslissing tot termijnverlenging inzake de beroepsprocedure inderdaad niet aan u is ter kennis gegeven met aangetekend schrijven zoals voorzien in artikel 50, 3/,
  6. a)van Vlarem I. Wel werd u ons inziens voldoende geïnformeerd op de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie dd. 12 juli 2000 waarop u werd gehoord. Het is dan ook zeer de vraag of hier sprake is van een stilzwijgende vergunning. Het staat u uiteraard vrij uitspraak hierover te vragen aan de Raad van State. Ongeacht deze uitspraak merken wij nog op dat dergelijke stilzwijgende vergunning als vervallen dient beschouwd te worden ingeval van een definitieve weigering van de bouwvergunning"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende exceptie aanvoert met betrekking tot het belang van verzoekster : "Op grond van artikel 19, eerste lid, R.v.St.-wet dient de verzoeker een belang te hebben bij het annulatieverzoek. Zo moet de verzoekende partij ondermeer een direct en persoonlijk voordeel kunnen halen uit de nietigverklaring van de aangevochten beslissing. Wanneer de verzoeker geen belang heeft of kan hebben bij het annulatieverzoek dient het beroep onontvankelijk verklaard te worden. In casu werd het administratieve beroep van mevrouw Alexandra Meyskens door het provinciebestuur ontvangen op 21 maart 2000, maar pas laa(t)tijdig behandeld door een administratieve vergetelheid. De bestendige deputatie besliste op 6 juli 2000 tot termijnverlenging om alsnog de bevoegde adviesinstanties en de Provinciale Milieuvergunningscommissie te laten adviseren. Helaas werd de exploitant van deze termijnverlenging niet op de hoogte gebracht. Aangezien het beroep op 21 maart 2000 werd ontvangen diende het besluit uiterlijk op 31 juli 2000 betekend te worden aan de exploitant. In dit geval werd het besluit echter pas op 29 augustus 2000 betekend. Dit heeft tot gevolg dat de exploitant op grond van artikel 25 §1 van het Milieuvergunningsdecreet beschikt over een stilzwijgend verkregen vergunning. Overeenkomstig artikel 5 §2 van het Milieuvergunningsdecreet is de milieuvergunning wel gekoppeld aan eventueel nog te verkrijgen bouwvergunning(en). Wanneer een vergunningverlenende overheid buiten de redelijke termijn over het beroep tegen de weigeringsbeslissing uitspraak heeft gedaan, wordt in principe de beslissing in beroep vernietigd. De in eerste aanleg genomen beslissing wordt definitief en de beroepsprocedure mag niet meer hernomen worden. VII-23.071-8/16 Hieruit volgt dat de verzoeker die een weigeringsbesluit aanvecht geen belang heeft bij het middel van de schending van de redelijke termijn, nu vernietiging zou leiden tot het definitief worden van de in eerste aanleg uitgesproken weigeringsbeslissing. Men kan redelijkerwijze aannemen dat dit niet de bedoeling is van de verzoeker"; 2.2. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord hierop het volgende repliceert : "De verzoeker geeft duidelijk blijk van de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang, aangezien de verzoeker de paardenfokkerij wenst uit te baten. De verzoeker is de indiener van de milieuvergunningsaanvraag en het beroep. Daarom heeft de verzoeker het nodige belang om de beslissing van de Bestendige Deputatie te bestrijden. De Bestendige Deputatie betwist in haar Memorie van Antwoord het belang van de verzoeker doch de aangehaalde redenering (
  7. in)haar memorie doet niets ter zake. Artikel 25, § 1, van het milieuvergunningsdecreet stelt een strenge sanctie voor op het niet tijdig beschikken op een door de vergunningsaanvrager tegen een weigeringsbeslissing ingediend beroep. Het is duidelijk dat de bedoeling is van de decreetgever om de aanvrager binnen een relatief korte termijn zekerheid te geven over het lot van zijn aanvraag, en wel in positieve zin. Er kan niet worden betwist dat de in artikel 23, § 1, van het decreet gestelde termijn van vier maanden om op het beroep te beschikken, in het geval bedoeld in artikel 25, § 1, van het decreet, als een vervaltermijn moet worden beschouwd. Er kan bovendien ook niet worden betwist dat, rekening gehouden met de bedoeling die aan de bepaling van artikel 25, § 1, ten grondslag ligt, de in artikel 50, 4/, a), van Vlarem I gestelde termijn van tien kalenderdagen om de in beroep genomen beslissing ter kennis te brengen van de exploitant, eveneens als een vervaltermijn moet worden beschouwd. Artikel 25, § 1 geeft een rechtszekerheid dat de beslissing in beroep tijdig wordt genomen, maar ook dat ze tijdig ter kennis van de aanvrager wordt gebracht. Het voorstaan van een andere oplossing zou leiden tot een volledige uitholling van de door de decreetgever nagestreefde rechtszekerheid. Om deze redenen aangenomen dient te worden dat bij ontstentenis van verzending van een beslissing binnen een termijn van vier maanden en tien kalenderdagen na de ontvangst van het beroep, de vergunning moet worden geacht stilzwijgend te zijn verkregen. Het feit dat er in eerste aanleg een weigering werd afgeleverd doet hierbij niets terzake. De verzoeker heeft in casu een duidelijk belang. Om al deze redenen besluit de verzoeker dat de beslissing over het beroep van de milieuvergunning d.d. 3 augustus 2000 ten onrechte werd genomen"; 2.3. Overwegende dat het onderzoek van de aangevoerde exceptie samenvalt met het onderzoek van de gegrondheid van de middelen; dat de exceptie bijgevolg samen met de gegrondheid van het annulatieverzoek zal worden beoordeeld; VII-23.071-9/16 3. De gegrondheid 3.1. Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift het volgende stelt : "Bij de weigering van de milieuvergunning in beroep werden een aantal fundamentele fouten begaan waardoor de rechten van de verzoeker fundamenteel geschaad werden. Verzoeker voert in haar beroep tot nietigverklaring volgende ernstige middelen aan : D.1. Schending van artikel 50.3.a. : termijnverlenging Artikel 50.3.a. zegt : 'de bestendige deputatie van de provincie kan bij gemotiveerd besluit de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen eenmaal verlengen met maximum één maand; de bestendige deputatie van de provincie of de gemachtigde ambtenaar, bedoeld in 1/, a), deelt deze beslissing voor het verstrijken van de vastgestelde termijn bij ter post aangetekende zending mee aan de aanvrager alsmede aan de indiener van het beroep;' Voor een termijnverlenging zijn 2 essentiële elementen nodig : • een gemotiveerd besluit; • een ter post aangetekende zending aan de indiener van het beroep. Binnen het raam van het tegen de eindbeslissing gericht annulatieberoep, wordt de onwettigheid van de termijnverlenging als voorbereidende handeling aangevoerd. D.1.1. Schending van de formele motiveringsplicht inzake de termijnverlenging Er is een schending van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen d.d. 27 juli 1991 art. 2 en 3 : 'Artikel 2 : De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 : De opgelegde motivatie moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen' De schending van de motiveringsplicht wordt ook aangezien als beginsel van behoorlijk bestuur zoals neergelegd in de hierboven vermelde wet. Artikel 3 van deze wet voorziet dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen De Bestendige Deputatie gaf geen degelijke motivering inzake de termijnverlenging vermits ze nauwelijks of geen juridische en/of feitelijke overwegingen bevat (...) : 'Gelet op het feit dat de bestendige deputatie op 6 juli 2000 besliste de behandelingstermijn éénmalig te verlengen met één maand, overeenkomstig art. 23bis van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, teneinde het dossier alsnog voor advies aan de PMVC te kunnen voorleggen'; In onderhavig geval is (het) besluit in het overwegend gedeelte van de weigering van de milieuvergunning noch met relevante redenen omkleed noch degelijk gemotiveerd. Het is een vorm van behoorlijk bestuur de aanvragen binnen het decreet gestelde termijn af te werken. Het feit is dat deze overweging vaag en algemeen is en inhoudelijk niets met het dossier te maken heeft. Er is zodoende een schending van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen d.d. 27 juli 1991 art. 2 en 3 inzake de termijnverlenging. VII-23.071-10/16 D.1.2. Onbehoorlijk bestuur De beginselen van behoorlijk bestuur met verplichting tot redelijke belangenafweging en zorgvuldigheid, rechtszekerheids-, continuïteits- en vertrouwensbeginsel worden geschonden. Uit het dossier blijkt dat door een administratieve vergetelheid het dossier niet tijdig kon behandeld worden. Men kan moeilijk de verzoeker de schuld leggen dat er een administratieve vergetelheid gebeurde (weliswaar ten voordele van de verzoeker). Op grond hiervan werd een termijnverlenging toegekend. Dit is een duidelijke vorm van ONBEHOORLIJK bestuur. D.1.3. Aangetekend schrijven De verzoeker heeft binnen de gestelde termijn (voor het verstrijken van de vastgestelde termijn, d.i. 4 maand na ontvangst van het beroep) geen aangetekend schrijven ontvangen. Dit werd bevestigd in een schrijven van de Bestendige Deputatie d.d. 3 oktober 2000 (...). In het decreet is nergens sprake dat op de hoorzitting beroeper geïnformeerd wordt aangaande beslissingen. De PMVC geeft immers een advies aan de Bestendige Deputatie en deze laatste beslist. De PMVC heeft formeel geen beslissingsbevoegdheid. Dit is een substantiële schending van artikel 50.3.a. Er kan besloten worden dat het kwestieus besluit een schending inhoudt van artikel 50.3.a. De Bestendige Deputatie heeft in haar besluit onterecht een termijnverlenging toegekend. Door deze schending blijft de termijn van beslissing op 4 maand en NIET op 5 maand. D.2. Schending van artikel 50.5.a.: stilzwijgende vergunning Indien binnen een termijn van 4 maand geen beslissing werd genomen inzake het beroep dan wordt de aangevraagde vergunning geacht te zijn verkregen voor een termijn van 20 jaar. Door het feit dat de PMVC een advies diende te geven voor 19 juni 2000 en dit niet gebeurde daar ze geen dossier hadden. Dit houdt dan ook in dat conform artikel 23 §4 dit advies gunstig is. De Bestendige Deputatie heeft op 21 maart 2000 het beroep ontvangen. Dit betekent dat er een beslissing diende genomen te worden voor 21 juli 2000. De Bestendige Deputatie nam een beslissing op 3 augustus 2000. Dit is na het verstrijken van de termijn van 4 maand. Dit betekent ook dat de Bestendige Deputatie zelfs geen beslissing kon nemen daar de vergunning op dat moment stilzwijgend vergund was. De betekening gebeurde op 29 augustus 2000. Dit is meer dan 4 maand en tien kalenderdagen. De vergunning is zodoende stilzwijgend verleend. Op 21 september 2000 vroeg de verzoeker aan de Bestendige Deputatie alsnog de bevestiging van deze stilzwijgende vergunning (stuk 8). Hierop werd negatief geantwoord (...). In het decreet is nergens sprake dat op de hoorzitting beroeper geïnformeerd wordt aangaande beslissingen. De PMVC geeft immers een advies aan de Bestendige Deputatie en deze laatste beslist. De PMVC heeft formeel geen beslissingsbevoegdheid. Door het afleveren van de weigering van de milieuvergunning werd artikel 50 van VLAREM geschonden. Dit houdt heden in dat de vergunning stilzwijgend verleend werd. D.3. Onbehoorlijk bestuur De beginselen van behoorlijk bestuur met verplichting tot redelijke belangenafweging en zorgvuldigheid, rechtszekerheids-, continuïteits- en vertrouwensbeginsel worden geschonden. Uit het dossier blijkt dat door een administratieve vergetelheid het dossier niet tijdig kon behandeld worden. Men kan moeilijk de verzoeker de schuld leggen dat er een administratieve vergetelheid gebeurde (weliswaar ten voordele van de verzoeker). Het afleveren van een besluit waarbij het beroep door de Bestendige Deputatie ongegrond werd verklaard en het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Mechelen werd bevestigd VII-23.071-11/16 buiten de in VLAREM gestelde termijnen, nl. 4 maand na ontvangst van het beroep, is een duidelijke vorm van ONBEHOORLIJK bestuur. Hierdoor werden de beginselen van behoorlijk bestuur met verplichting tot redelijke belangenafweging en zorgvuldigheid, rechtszekerheids-, continuïteits- en vertrouwensbeginsel geschonden. Om al deze redenen besluit de verzoeker dat de beslissing over het beroep van de milieuvergunning d.d. 3 augustus 2000 ten onrechte werd genomen"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, met betrekking tot de middelen, verwijst naar de door haar aangevoerde exceptie, "vermits alle middelen van verzoeker verband houden met het buiten de redelijke termijn uitspraak doen door de bestendige deputatie"; 3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord het volgende stelt : "In het verzoekschrift werden twee middelen naar voor gebracht. 1. Termijnverlen(g)ing De Bestendige Deputatie betwist niet dat er onterecht een termijnverlenging is toegekend. In haar Memorie van Antwoord. Ze bevestigt enkel dat de exploitant niet op de hoogte werd gebracht. Nochtans is het een essentieel element, artikel 50.3.a van VLAREM, dat de aanvrager hiervan aange(te)kend in kennis wordt gesteld. De Bestendige Deputatie heeft dus in haar besluit onterecht een termijnverlenging toegekend. Hierdoor blijft de termijn van beslissing op 4 maand en NIET op 5 maand. (...) 2. Stilzwijgende vergunning Het feitenrelaas in de Memorie van Antwoord van de Bestendige Deputatie bevestigt enkel dat de exploitant laattijdig (verstrijken van de termijn van 4 maand) in kennis werd gesteld van het Besluit. Er kan zeker besloten worden dat de vergunning stilzwijgend is verleend. Door het afleveren van de weigering van de milieuvergunning werd artikel 50 van VLAREM duidelijk geschonden"; 3.4. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie het volgende betoogt : "Het feit dat de verzoeker gehoord werd op de zitting van de PMVC, moet niet nalaten door de vergunningverlenende overheid (in casu Bestendige Deputatie) de vigerende wetgeving en de formele handelingen die in die wetgeving gestipuleerd te zijn, na te leven. Aangaande de termijnverlen(g)ing worden in de wetgeving (artikel 50. 3/
  8. a)) twee formele (essentiële) elementen voorgeschreven : • een gemotiveerd besluit; • een ter post aangetekende zending aan de indiener van het beroep voor het verstrijken van de vastgestelde termijn. (Deze vastgestelde termijn bedraagt 4 maand). Formeel kreeg de aanvrager geen ter post aangetekende zending voor het verstrijken van de vastgestelde termijn. Hiervoor had de Bestendige Deputatie tijd tot 21 juli 2000 (terwijl de beslissing genomen werd op 6 juli 2000). VII-23.071-12/16 In artikel 50. 3/
  9. a)wordt niet gesteld dat een hoorzitting op de PMVC gelijk staat met de formele kennisname van de termijnverlen(g)ing (= een aangetekende zending). De verwerende partij betwist bovendien niet dat er GEEN aangetekend schrijven is verstuurd. Bovendien dient een hoorzitting van de PMVC om de inhoud van (het) beroep nader toe te lichten, niet om de interne procedure en handelingen binnen de vergunningverlenende overheden in vraag te stellen. Er is een duidelijke schending van artikel 50. 3/
  10. a)van VLAREM. (...) Er is een schending van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen d.d. 27 juli 1991 art. 2 en 3 : 'Artikel 2 : De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 : De opgelegde motivatie moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen'. De Bestendige Deputatie gaf geen degelijke motivering inzake de termijnverlenging vermits ze nauwelijks of geen juridische en/of feitelijke overwegingen bevat (...) : 'Gelet op het feit dat de bestendige deputatie op 6 juli 2000 besliste de behandelingstermijn éénmalig te verlengen met één maand, overeenkomstig art. 23bis van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, teneinde het dossier alsnog voor advies aan de PMVC te kunnen voorleggen'. In onderhavig geval is het besluit over de termijnverlen(g)ing in het overwegend gedeelte van de weigering van de milieuvergunning noch met relevante redenen omkleed noch degelijk gemotiveerd. Het feit is dat deze overweging vaag en algemeen is en inhoudelijk niets met het dossier te maken heeft. Er is een duidelijke schending van artikel 50. 3/
  11. a)van VLAREM en de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. (...) Daar de termijnverlen(g)ing niet formeel werd betekend aan de verzoekers, diende de uitspraak te gebeuren binnen een termijn van vier maanden zoals artikel 50 5/
  12. a)stipuleert. De beslissing door de Bestendige Deputatie werd genomen op 3 augustus 2000, dus 4 maanden en 13 dagen na ontvangst van het beroep. Het werd betekend aan de verzoekers op 29 augustus 2000. Dus de beslissing omtrent het beroep werd te laat genomen door de Bestendige Deputatie. Om deze reden is er dan ook een stilzwijgende vergunning. Artikel 50 5/
  13. a)van VLAREM stelt heel duidelijk : 'Als binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroep of, in voorkomend geval, voor het verstrijken van de verlengde termijn, door de bestendige deputatie van de provincieraad geen uitspraak is gedaan, wordt : - indien de vergunning in eerste aanleg werd geweigerd of er in eerste aanleg geen uitspraak werd gedaan binnen de vastgestelde of verlengde termijn : de aangevraagde vergunning geacht te zijn verkregen voor een termijn van twintig jaar, tenzij het gaat om een verandering in welk geval een termijn gelijk verstrijkend met de lopende milieuvergunning geldt; de termijn van ingebruikneming alsmede de aanvangsdatum en de einddatum van de vergunningstermijn zijn deze bepaald in artikel 30; ...'. Bovendien stelt het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (en latere wijzigingen - tot augustus 2000) in artikel 25 § 1 VII-23.071-13/16 dat wanneer binnen de vastgestelde of verlengde termijn geen uitspraak is gedaan, de vergunning wordt geacht te zijn bekomen. In eerste instantie gaat het hem in casu over het tijdstip van de beslissing en niet over de betekening van deze beslissing aan de verzoekers. Bovendien stelt VLAREM een duidelijke sanctie voorop indien binnen de termijn geen beslissing wordt genomen!. Het is inderdaad zo dat bij art.2 B.Vl. Reg. dd. 14 juli 2004 (B.S. 4 augustus 2004) artikel 50 5/
  14. a)van VLAREM geschrapt werd. Maar toen de kwestieuze weigering werd afgeleverd bestond deze wetgeving nog en dient de zaak getoetst te worden aan de toengeldende vigerende wetgeving. Door het afleveren van de weigering van de milieuvergunning werd artikel 50 van VLAREM en artikel 25 § 1 van het decreet betreffende de milieuvergunning geschonden. Dit houdt heden in dat de vergunning stilzwijgend verleend werd"; 3.5.1. Overwegende dat de verwerende partij de termijn waarbinnen zij uitspraak moest doen, rechtsgeldig heeft verlengd met één maand; dat verzoekster daar tijdig kennis van heeft gekregen; dat het besluit tot verlenging van de beslissingstermijn slechts een louter voorbereidende handeling is, voorafgaand aan de eindbeslissing over verzoeksters aanvraag, die op zichzelf verzoekster geenszins grieft, aangezien dit besluit geen enkele invloed heeft op de inhoud van de uiteindelijke uitspraak over haar beroep; dat het feit dat een aanvrager in plaats van vier maanden, vijf maanden op de beslissing moet wachten, geenszins het rechtszekerheidsbeginsel schaadt, aangezien hij immers weet dat de regelgeving dergelijke korte termijnen voorschrijft; dat de door het milieuvergunningsdecreet ingestelde mogelijkheid tot verlenging van de termijnen "een meer verantwoorde, betere besluitvorming" beoogt, hetgeen in beginsel in het belang is, zowel van de aanvrager van een vergunning, als van de bescherming van mens en leefmilieu; dat de eisen die men aan de motivering van een beslissing oplegt, moeten worden gerelateerd aan het belang van die beslissing, en aan de snelheid waarmee ze moet worden genomen; dat in dit verband er rekening mee moet worden gehouden dat de overheid snel, binnen de decretaal bepaalde termijnen, moet beslissen om een stilzwijgende vergunning te voorkomen; dat het absurd zou zijn te eisen dat het besluit tot verlenging met -amper- één maand van de beslissingstermijn dermate uitgebreid zou moeten worden gemotiveerd; dat daardoor een groot deel van die beslissingstermijn verloren zou gaan aan een weinig beduidende tussenstap in de vergunningsprocedure; dat, in dit licht bekeken, de motivering van de beslissing tot termijnverlenging afdoende is; VII-23.071-14/16 3.5.2. Overwegende dat artikel 23bis van het milieuvergunningsdecreet het volgende bepaalt : "Bij gemotiveerd besluit kan de bevoegde overheid de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen eenmaal verlengen met maximum één maand. Zij deelt deze beslissing mee aan de aanvrager en aan de indiener van het beroep voor het verstrijken van de vastgestelde termijn"; dat artikel 50, 3/, a), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning ( hierna : Vlarem I) als volgt luidt : "de bestendige deputatie van de provincie kan bij gemotiveerd besluit de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen eenmaal verlengen met maximum één maand; de bestendige deputatie van de provincie of de gemachtigde ambtenaar, bedoeld in 1/, a), deelt deze beslissing voor het verstrijken van de vastgestelde termijn bij ter post aangetekende zending mee aan de aanvrager alsmede aan de indiener van het beroep"; Overwegende dat noch in het milieuvergunningsdecreet, noch in Vlarem I gevolgen worden vastgeknoopt aan een gebrekkige kennisgeving van een beslissing tot verlenging van de termijn met één maand; dat ook nergens wordt bepaald dat een gebrekkige kennisgeving van dergelijke beslissing, het verkrijgen van een stilzwijgende vergunning tot gevolg heeft; dat dit laatste een gewichtige aangelegenheid is, zeker in milieuzaken waarvan de economische, sociale en ecologische impact niet mag worden onderschat; dat noch het milieuvergunningsdecreet, noch de voorbereidende werkzaamheden ervan, enige aanwijzing bevatten dat de decreetgever de rechtsgeldigheid van een, conform artikel 23, § 1, van het milieuvergunningsdecreet genomen, beslissing en meteen de rechtstoestand van de vergunningsaanvrager wenste te laten afhangen van de betekening van de beslissing tot termijnverlenging waardoor een tijdige en expliciet negatieve beslissing van een orgaan, dat door hem speciaal met een beslissingsbevoegdheid is bekleed en dat zijn beslissing slechts neemt na een procedure die moet toelaten de in het geding zijnde belangen zo optimaal mogelijk te verzoenen, wordt omgezet in een stilzwijgende positieve beslissing, tegen de wil in van dit orgaan en mogelijk in strijd met de normering op het vlak van het leefmilieu en de ruimtelijke ordening; dat dit hoe dan ook niet kan worden aangenomen wanneer de aanvrager tijdig in kennis is gesteld van de beslissing tot termijnverlenging, zij het dat dit niet is gebeurd met een aangetekend schrijven; dat zulks geen afbreuk doet aan de rechtszekerheid van de exploitant; dat verzoekster op 12 juli 2000 aanwezig was op de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, alwaar zij heeft vernomen dat de verwerende partij VII-23.071-15/16 op 6 juli 2000 tot een termijnverlenging met één maand heeft beslist; dat uit wat voorafgaat volgt dat de middelen niet gegrond zijn, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-23.071-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.952 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.