← België

Arrest 180985 - Diploma’s - 13/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.985 Rolnummer: A. 185638/XII-5256 Zaak: Arrest 180985 - Diploma's - 13/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-28 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:47 Fiche Arrest nr 180.985 van 13 maart 2008 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 180.985 van 13 maart 2008 in de zaak A. 185.638/XII-

  1. In zake : Chloé CALLEBAUT, woonplaats kiezend bij advocaat B. Van Den Bergh, kantoor houdende te Dilsen-Stokkem, A. Sauwenlaan 3 tegen : de VZW ONDERWIJSINRICHTINGEN ZUSTERS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN WEST-BRABANT. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Chloé Callebaut op 29 oktober 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 31 augustus 2007 van de over haar delibererende klassenraad van het Immaculata-Maria Instituut te Roosdaal die haar een oriënteringsattest C toekent en impliciet weigert om haar een diploma secundair onderwijs uit te reiken; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Stevens, die loco advocaat B. Van Den Berghe verschijnt voor verzoekster, en van advocaat Ch. Vangeel, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-5256-1\20 Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak
  2. Verzoekster volgt tijdens het schooljaar 2005-2006 het eerste jaar van de derde graad, richting wetenschappen-wiskunde, aan het Immaculata Maria- Instituut te Roosdaal. Op 29 juni 2006 deelt de directeur van de school aan haar ouders mee dat verzoekster geslaagd is, maar dat de delibererende klassenraad evenwel heeft beslist om haar een officiële waarschuwing te geven voor het vak wiskunde omdat zij voor dit vak een ernstige achterstand heeft die een permanente extra inzet vergt tijdens het volgende schooljaar om deze achterstand en ook de nieuwe leerstof op een gepaste wijze te verwerken. Met deze waarschuwing “krijgt [verzoekster] een jaar respijt om het tekort op te halen”, zo luidt het, en voorts : “zij is geslaagd overeenkomstig het oriënteringsattest dat op het rapport staat vermeld. Indien er tijdens het volgende schooljaar geen aanzienlijke evolutie merkbaar is waardoor er op het jaargemiddelde nog steeds een tekort voorkomt voor dit vak, zal de nieuwe delibererende klassenraad niet licht over dit tekort heen kunnen stappen. Eventueel kan dit leiden tot een B- of C-attest op het einde van dat jaar”. De delibererende klassenraad van het tweede jaar van de derde graad, richting wetenschappen-wiskunde, kent verzoekster op het einde van het schooljaar 2006-2007 een oriënteringsattest C toe. De notulen van de delibererende klassenraad refereren aan het vak “wiskunde 6”, waarvoor verzoekster 44/100 behaalt met een evolutie doorheen het jaar “van 38 naar 51”. Op 3 juli 2007 heeft het overleg plaats, voorgeschreven bij artikel 68 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatiebesluit). Dit overleg leidt niet tot een nieuwe samenroeping van de delibererende klassenraad en verzoekster tekent op 10 juli 2007 beroep aan bij de beroepscommissie, dit overeenkomstig artikel 72 van voormeld organisatiebesluit. In haar bezwaar vermeldt zij haar inzet voor het vak wiskunde tijdens het jaar. Zij zet de XII-5256-2\20 omstandigheden uiteen -het plotse overlijden van haar grootvader- die tot de mindere resultaten voor wiskunde hebben geleid in het vorige schooljaar en betreurt geen “herkansingsexamen” gekregen te hebben, zij wijst op het lage klasgemiddelde voor het vak wiskunde en haar jaartotaal voor alle vakken samen (61,5%). Zij beklaagt er zich over geen of onvoldoende hulp van de school te hebben gekregen voor de begeleiding en remediëring. Op 29 augustus 2007 adviseert de beroepscommissie de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. De beroepscommissie “is van oordeel dat de beslissing van de klassenraad onvoldoende coherent gemotiveerd werd, zodat er aanleiding bestaat om de klassenraad opnieuw te doen samenkomen om de elementen die hebben geleid tot de beslissing in hoofde van de leerlinge op een duidelijke en begrijpbare wijze weer te geven”. Blijkbaar volgt het schoolbestuur dit advies, want met de thans bestreden beslissing besluit de delibererende klassenraad op 31 augustus 2007 opnieuw tot een C-attest. De kennisgeving van die beslissing bevat ook de notulen van de delibererende klassenraad : “Motivering Resultaat van de stemming : 12 voor, 0 tegen Relevante informatie van vorig schooljaar : Chloé had gekozen voor deze richting omdat ze vastbesloten was architectuur te doen. In december 2005 legde ze een zwak examen af voor wiskunde (52 % trimestertotaal tegenover een klasgemiddelde van 60 %). Daaruit leidde de begeleidende klassenraad af dat de richting wellicht te zwaar was om in een vijfde én zesde jaar te kunnen slagen. Chloé kreeg het advies om voor 15 januari 2006 van studierichting te veranderen. Op het rapport werd verwezen naar een begeleidende brief waarin o.a. stond dat de klassenraad oordeelde dat een overstap voor Chloé de beste kansen inhield om dat jaar of het volgende jaar te slagen. De klasleraar heeft dit met de ouders besproken tijdens het oudercontact van 23 december
  3. Nadien heeft Chloé hierover met haar ouders nagedacht en tijdens de kerstvakantie de klasleraar telefonisch laten weten dat ze niet van richting wenste te veranderen omdat ze een brede wiskundige basis nodig had voor de richting architectuur die ze later wilde volgen. De klasleraar heeft hen gewaarschuwd dat het onderdeel wiskunde in deze richting wetenschappen-wiskunde veel te zwaar zou worden. In juni legde Chloé een examen wiskunde af dat onvoldoende was over heel de lijn (39 %). Ze behaalde een jaartotaal van 48 % voor wiskunde tegenover een klasgemiddelde van 61 %. De klassenraad besliste om haar een officiële waarschuwing te geven voor wiskunde. De ouders kregen tijdens het oudercontact van 29 juni een brief mee waarin ze nogmaals gewezen werden op het belang van een waarschuwing : “Indien een leerling het jaar nadien opnieuw een tekort heeft voor dit vak zal de klassenraad hier niet licht over heen kunnen stappen. Eventueel zal dit kunnen leiden tot een B- of C-attest op het einde van het jaar”. De klassenraad heeft haar gewezen op de extra inspanning die nodig XII-5256-3\20 was om de achterstand voor wiskunde op te kunnen halen. Tijdens het oudercontact heeft de klasleraar de ouders hierop gewezen en hen een blad met oefeningen meegegeven opdat Chloé de leerstof die ze als basiskennis nodig had voor het zesde jaar zou kunnen herhalen. Deze oefeningen heeft Chloé nooit afgegeven ter verbetering. Remediëring doorheen het jaar : De ouders lieten de achterstand die Chloé had voor wiskunde van bij het begin van het schooljaar bijwerken door een privéleerkracht. Haar resultaten op haar dagelijks werk waren telkens voldoende tot goed zodat er geen aanleiding was voor bijkomende remediëring door de vakleerkracht. Chloé had een zwaar tekort op het examen van Kerstmis (34 %). Toen bood de vakleerkracht via het schoolrapport remediëring aan. Ook daarbuiten bezorgde de vakleerkracht regelmatig extra oefeningen die Chloé zelden heeft afgegeven om te laten verbeteren. Tijdens het tweede semester waren haar resultaten voor dagelijks werk voldoende zodat er opnieuw geen aanleiding was voor bijkomende remediëring door haar vakleerkracht. Vakken waarvoor onvoldoende werd gepresteerd : wiskunde Eindresultaat : 44/100 Evolutie doorheen het jaar : Chloé behaalt een voldoende resultaat op haar dagelijks werk tijdens het jaar maar scoort zeer zwak op de examens : Tijdens de begeleidende klassenraad van december stelt de klassenraad vast dat Chloé de leerstof vooral memoriseert. Daardoor heeft ze problemen met inzichtsvragen en met het verwerken van grotere gehelen. Dit komt in verschillende vakken en vooral in wiskunde tot uiting waar ze met Kerstmis op het examen 34 % behaalt (tegen een klasgemiddelde van 45 %). In juni behaalt ze op het examen wiskunde 49 % tegen een klasgemiddelde van 57 %. Op het jaartotaal behaalt ze 44 % tegenover een klasgemiddelde van 60 %. Dit is een zwaar tekort dat te wijten is aan het onvoldoende beheersen van drie van de vier grote leerstofonderdelen van het zesde jaar wetenschappen- wiskunde, namelijk : - analyse (precalculus en afgeleiden) - ruimtemeetkunde - analyse (integralen) waarvoor Chloé in het totaal 79,5/225 behaalt of 35 %. Haar resultaat op het vierde onderdeel, nl. stochastiek (discrete wiskunde/telproblemen, statistiek, kansrekenen) is met 55 % onvoldoende om samen met haar dagelijks werk dit zware tekort op te halen”. De schorsingsvoorwaarden
  4. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5256-4\20 Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde 3.
  5. Verzoekster voert als eerste middel de schending aan van het schoolreglement en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de vakleraar wiskunde deel uitmaakte van de delibererende klassenraad, terwijl hij aan verzoekster schriftelijk cursus heeft gegeven via het internet. Verzoekster wijst er op dat het schoolreglement verbiedt dat een leerkracht deelneemt aan de bespreking van een leerling “waaraan hij privaatlessen of een schriftelijke cursus heeft gegeven”. 3.
  6. De bedoelde regel uit het schoolreglement is een overname van het bepaalde in artikel 5, § 4, van het organisatiebesluit : “Geen enkel lid van de delibererende klassenraad mag deelnemen aan enige beslissing betreffende een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad of betreffende een leerling aan wie hij privaatlessen of een schriftelijke cursus heeft gegeven”. 3.
  7. Verzoekster laat na in het inleidend verzoekschrift enige precisering te geven van de door haar genoten “schriftelijke cursus via internet”. De Raad valt vooralsnog verwerende partij bij in de vaststelling dat het de gebruikelijke remediëring en begeleiding betrof die een leraar ook nog buiten zijn strikte klasuren geeft aan de leerlingen van zijn klas die daaraan behoefte hebben, welke begeleidende leeractiviteiten ook door middel van de computer of het internet kunnen gebeuren. Verzoekster ziet het zelf ook niet anders, zo lijkt, in haar parallel gevoerde procedure in kortgeding, waar zij immers in haar dagvaarding schrijft dat de remediëring die verwerende partij bood “louter bestond uit het toezenden via het internet door de leerkracht wiskunde aan alle studenten van het 6e jaar W W van een aantal oefeningen uit de klassieke oefenboeken” waarover de leerlingen “bij het begin van iedere, nieuwe les kort de leerkracht om uitleg [konden] vragen”, dat dit “niets anders was dan schriftelijk afstandsonderwijs bestaande uit oefeningen die men normaliter in de klas had dienen te maken” en dat “in werkelijkheid deze oefeningen door hem aan alle (!) leerlingen van 6 WW werden gegeven via e-mail”. Het middel is niet ernstig. XII-5256-5\20 4.
  8. Het tweede middel is geput uit de schending van artikel 5, §§ 5 en 8 en van de artikelen 37, 38 en 57 van het organisatiebesluit, van het materieel motiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster verwoordt het middel als volgt : “DOORDAT Eerste onderdeel, de bestreden beslissing niet toelaat te besluiten dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging de concrete gegevens van het dossier van verzoekster (anders dan het cijfermatig -onvoldoende- resultaat voor het vak wiskunde), en in het bijzonder haar studieresultaten voor de andere proeven, toetsen of examens of haar globale jaarresultaten, heeft afgewogen tegenover dit éné tekort voor het vak wiskunde. De bestreden beslissing veeleer de indruk geeft dat de delibererende klassenraad na vaststelling van die onvoldoende (44/100 voor wiskunde) afstand heeft gedaan van zijn taak om autonoom te beraadslagen over het geheel van de relevante gegevens. De delibererende klassenraad in casu van verzoekster lijkt te eisen dat zij in voldoende mate voor alle vakken de doelstellingen die in het leerplan opgenomen zijn moet bereiken, hetgeen evenwel ingaat tegen het organisatiebesluit, dat nergens de voorwaarde bepaalt dat de leerling in kwestie voor alle vakken de doelstellingen bereikt moet hebben, c.q. op geen enkel vak enig cijfermatig tekort mag vertonen. De delibererende klassenraad zijn beoordeling enkel gemotiveerd heeft vanuit het toegekende resultaat op het vak wiskunde zodat het oriënteringsattest C -kennelijk- enkel werd toegekend na een beoordeling voor de resultaten op het vak wiskunde en niet na een beoordeling of verzoekster de leerplandoelstellingen voor het geheel van de vorming van het betreffende leerjaar heeft bereikt. Als grondslag voor de conclusie dat verzoekster voor het geheel van de vorming niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt, de in de bestreden beslissing aangehaalde gegevens niet overtuigen. Ofschoon zulks in de concrete omstandigheden van deze zaak van de delibererende klassenraad mag worden gevergd, de bestreden beslissing enige band met die leerplannen niet veruitwendigt noch duiding geeft over de op grond van de aangevoerde gegevens beweerd niet bereikte doelstellingen. De delibererende klassenraad te dezen, gelet op haar motivering, de indruk geeft een blinde toepassing te maken van een ‘regel’ waarbij het niet slagen voor 1 enkel vak, weze het een belangrijk vak of een hoofdvak, quasi automatisch leidt tot de toekenning van een C-attest, wat precies op gespannen voet staat met het organisatiebesluit (o.a. artikel 57). Het resultaat van verzoekster voor wat betreft het vak wiskunde slechts één element van het dossier betreft; dat echter uit niets tot het besluit kan worden gekomen dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier van verzoekster, en in het bijzonder haar studieresultaten voor de andere proeven, toetsen. of examens of haar globale jaarresultaten (en zeker haar positieve evolutie tijdens het 2de semester), heeft afgewogen tegenover dit cijfermatig tekort voor het vak wiskunde; dat de delibererende klassenraad zich kennelijk zonder meer heeft gefixeerd op het tekort voor wiskunde. De (enkele) onvoldoende op het vak wiskunde overigens in zekere mate dient te worden gerelativeerd, omdat het klasgemiddelde zelf aan de lage kant ligt XII-5256-6\20 (klasgemiddelde van 45 % met Kerstmis 2006 en klasgemiddelde van 57 % in juni 2007), zoals blijkt ult de notulen van de deliberatievergadering van 31 augustus
  9. Uit een horizontale analyse van de uitslagen van verzoekster voor het vak wiskunde (positieve evolutie van eerste naar tweede semester), rekening houdend met de gegevens over het hele jaar en met het feit dat het klasgemiddelde over de ganse lijn toch als ‘verzwakt’ moet worden beschouwd, zou blijken dat overeenkomstig de eigen richtlijnen van de school aan verzoekster een A-attest moest worden toegekend, nu het schoolreglement (blz. 41) bepaalt dat de delibererende klassenraad een verantwoorde eindbeslissing moet nemen, rekening houdend met de evolutie (positief, negatief of status-quo) Terwijl Vooreerst dient gewezen te worden op artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit dat preciseert : ‘De delibererende klassenraad zal zich bij zijn beslissingen laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dit dossier bevat, in voorkomend geval : - resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; - de resultaten van de geïntegreerde proef - de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad’; De delibererende klassenraad zich bij zijn beslissing over het al dan niet slagen van verzoekster overeenkomstig artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit moet laten leiden door de concrete gegevens in het dossier van de leerling, dat niet enkel de resultaten bevat van de examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen, maar onder meer ook van de beslissingen, adviezen en vaststellingen van de begeleidende klassenraad. De delibererende klassenraad dan, met die gegevens voor ogen, zich dient te beraden over de vraag of de leerling op voldoende wijze de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt, en aldus heeft voldaan voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar, om al dan niet te kunnen overgaan naar het volgend leerjaar; dat beslissingen van de delibererende klassenraad luidens artikel 5, § 8, van het organisatiebesluit ‘steeds gemotiveerd [moeten] zijn’, zulks vanuit de optiek van artikel 5, § 5 van het gezegde organisatiebesluit. Het reeds aangehaalde artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit er duidelijk op wijst dat het niet slagen op een examen niet zonder meer voldoende is als motief om een C-attest af te geven. Uit de vermelde bepalingen volgt dat de delibererende klassenraad op grond van zijn opdracht en werking over een autonome en ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de leerling, maar dat hij zich hierbij wel dient te steunen op alle relevante concrete gegevens van het dossier waarbij, onder meer, de volledige resultaten van alle proeven, toetsen of examens en de evolutie zoals die door alle leerkrachten als begeleidende klassenraad gedurende een volledig schooljaar is ervaren; dat de resultaten behaald voor andere vakken bijgevolg niet buiten beschouwing mogen blijven. De beslissing van 31 augustus 2007 echter niet toelaat te besluiten dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier van verzoekster, en in het bijzonder haar studieresultaten voor de andere proeven, toetsen of examens of haar globale jaarresultaten, heeft afgewogen tegenover dit tekort voor het vak wiskunde (44/100). De bestreden beslissing veeleer de indruk geeft dat de delibererende klassenraad na vaststelling van die onvoldoende (44/100 voor wiskunde) XII-5256-7\20 afstand heeft gedaan van zijn taak om autonoom te beraadslagen over het geheel van de relevante gegevens. - Met verwijzing naar de artikelen 37 en 38 van het organisatiebesluit, dient gesteld dat de delibererende klassenraad zich niet heeft gekweten van zijn taak om te beoordelen of verzoekster het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en bekwaam is om hoger onderwijs aan te vatten. Artikel 37 van het organisatiebesluit als volgt luidt : §
  10. De beslissingen van de delibererende klassenraad voorzien twee mogelijkheden : 1/ de leerling wordt beschouwd het leerjaar met vrucht te hebben beëindigd; 2/ de leerling wordt beschouwd het leerjaar niet met vrucht te hebben beëindigd. §
  11. De in § 1 bedoelde beslissingen worden in beginsel genomen uiterlijk op 30 juni van het betrokken schooljaar, doch deze termijn kan voor individuele gevallen worden verlengd tot uiterlijk de eerste schooldag van het daaropvolgend schooljaar. Artikel 38 van het organisatiebesluit voorts bepaalt, althans in zijn ten aanzien van verzoekster relevante passages : Een leerling beëindigt met vrucht : 1/ het eerste en tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar; 2/ het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs; De delibererende klassenraad in casu van verzoekster evenwel lijkt te eisen dat zij in voldoende mate voor alle vakken de doelstellingen die in het leerplan opgenomen zijn moet bereiken; dat zulks evenwel ingaat tegen het organisatiebesluit, dat nergens de voorwaarde bepaalt dat de leerling in kwestie voor alle vakken de doelstellingen bereikt moet hebben, c.q. op geen enkel vak enig cijfermatig tekort mag vertonen. De delibererende klassenraad zijn beoordeling enkel gemotiveerd heeft vanuit het toegekende resultaat op het vak wiskunde zodat het oriënteringsattest C enkel werd toegekend na een beoordeling voor de resultaten op het vak wiskunde en niet na een beoordeling of verzoekster de leerplandoelstellingen voor het geheel van de vorming van het betreffende leerjaar heeft bereikt. De term ‘geheel’ - cfr. ‘geheel van de vorming...’, zoals gehanteerd in artikel 38,3/ van het aangehaalde organisatiebesluit - betekent dat de klassenraad de globale situatie van de leerling moet onderzoeken rekening houdende met de resultaten behaald tijdens het hele schooljaar; dat dit betekent dat een motivering die enkel gestoeld is op het resultaat van één vak - zoals in casu -op zich reeds ontoereikend is. XII-5256-8\20 - De delibererende klassenraad, wat het gewoon secundair onderwijs betreft, zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959; dat die bepaling hem aanwijst ‘als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn’ en voorts preciseert dat hij ‘oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert’. De delibererende klassenraad luidens het vorengeciteerde artikel 37,§ 1, van het organisatiebesluit beslist of de leerling het leerjaar al dan met ‘met vrucht’ heeft beëindigd. Meer bepaald een leerling van het tweede jaar van de derde graad ASO luidens het vorengeciteerde artikel 38, 3/, van het organisatiebesluit het leerjaar met vrucht beëindigt ‘indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs’; dat nergens blijkt uit de bestreden beslissing dat deze overweging werd gemaakt De wet of het organisatiebesluit niet vereist dat de betrokken leerling voor alle of welbepaalde (hoofd)vakken voldaan moet hebben, of een minimaal percentage voor het geheel van de vakken behaald moet hebben. - Artikel 57 van het organisatiebesluit bepaalt : ‘Onverminderd de bepalingen van artikel 56, is het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming’. Voornoemd artikel 57 van het organisatiebesluit bijgevolg leert dat, in tegenstelling tot hetgeen de delibererende klassenraad ten aanzien van verzoekster schijnt te hebben gedaan, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, ‘het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming’. In de thans bestreden beslissing door de delibererende klassenraad met de inspanning lijkt te zijn geleverd om het presteren van verzoekster voor alle vakken en voor het geheel van de vorming uitdrukkelijk te toetsen aan de leerplannen en, indien de daaruit resulterende beslissing (opnieuw net als in de beslissing dd. 26 juni 2007) een C-attest moest zijn, om zulks dan ook in de motivering aantoonbaar, accuraat en gefundeerd met de leerplannen te verbinden. Als grondslag voor de conclusie dat verzoekster voor het geheel van de vorming niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt, de in de bestreden beslissing aangehaalde gegevens niet overtuigen. Ofschoon zulks in de concrete omstandigheden van deze zaak van de delibererende klassenraad mag worden gevergd, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing enige band met die leerplannen niet veruitwendigt noch XII-5256-9\20 duiding geeft over de op grond van de aangevoerde gegevens beweerd niet bereikte doelstellingen. Te dezen de delibererende klassenraad, gelet op haar motivering, daarentegen de indruk geeft een blinde toepassing te maken van een ‘regel’ waarbij het niet slagen voor 1 enkel vak, weze het een belangrijk vak of een hoofdvak, quasi automatisch leidt tot de toekenning van een C-attest, wat precies op gespannen voet staat met genoemd artikel 57 van het organisatiebesluit. Een delibererende klassenraad ten aanzien van een leerling slechts één beslissing neemt en wel aan de hand van alle gegevens van het dossier van de betrokkene en dus niet een beslissing gebaseerd op de cijfers van één welbepaald vak, weze het één van de hoofdvakken. (R.v.St., Meulenijzer, nr. 132.028 3 juni 2004); van deze deliberatietechniek echter niets terug te vinden is in de bestreden beslissing. Verzoekster te dezen slechts voor één enkel vak een globaal onvoldoende behaalt; dat het dan volstaat artikel 57 van het organisatiebesluit in herinnering te brengen; dat luidens dit artikel, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, ‘het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming’; dat die bepaling volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State leert dat een klassenraad toch wel specifieke redenen moet hebben om een C-attest af te leveren aan een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet. (Vgl. : R.v.St., nr. 152.126, Vanlook, 1 december 2005 ; R.v.St., nr. 167.732, Van Montfort, van 13 februari 2007) Verzoekster voor alle vakken behalve wiskunde voldoende tot goede cijfers behaalt (bvb. Frans 75,65%; Spaans : 79,35 %; Wetenschappelijk tekenen : 74 %) en dus de facto, behalve voor wiskunde, vak per vak geslaagd moet worden verklaard, conform het bepaalde op blz. 41 van het schoolreglement (‘wie 50% heeft op het jaartotaal van elk vak is geslaagd’). Het resultaat van verzoekster voor wat betreft het vak wiskunde slechts één element van het dossier betreft; dat echter uit niets tot het besluit kan worden gekomen dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier van verzoekster, en in het bijzonder haar studieresultaten voor de andere proeven, toetsen of examens of haar globale jaarresultaten (en zeker haar positieve evolutie tijdens het 2de semester), heeft afgewogen tegenover dit cijfermatig tekort voor het vak wiskunde; dat de delibererende klassenraad zich kennelijk zonder meer heeft gefixeerd op het tekort voor wiskunde. De (enkele) onvoldoende op het vak wiskunde overigens in zekere mate dient te worden gerelativeerd, omdat het klasgemiddelde zelf aan de lage kant ligt (klasgemiddelde van 45 % met Kerstmis 2006 en klasgemiddelde van 57 % in juni 2007), zoals blijkt uit de notulen van de deliberatievergadering van 31 augustus
  12. Uit een horizontale analyse van haar uitslagen voor het vak wiskunde (positieve evolutie van eerste naar tweede semester), rekening houdend met de gegevens over het hele jaar en met het feit dat het klasgemiddelde over de ganse lijn toch als ‘verzwakt’ moet worden beschouwd, zou blijken dat overeenkomstig de eigen richtlijnen van de school aan verzoekster een A-attest moest worden toegekend, nu het schoolreglement (blz. 41) bepaalt dat de delibererende XII-5256-10\20 klassenraad een verantwoorde eindbeslissing moet nemen, rekening houdend met de evolutie (positief, negatief of status-quo) En doordat Tweede onderdeel, de bestreden beslissing genomen is op basis van een gebrekkige motivering, niet zorgvuldig werd genomen en er geen redelijke verhouding bestaat tussen de feiten en de beslissing. - Als grondslag voor de conclusie dat verzoekster voor het geheel van de vorming niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt, de door de klassenraad aangereikte motieven (in essentie vaststelling van het cijfermatig tekort voor het vak ‘wiskunde’) niet overtuigen. Rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden, in geval de delibererende klassenraad verzoekster als niet-geslaagd wenste te beschouwen, zij bijzondere motieven had moeten te kennen geven, op grond waarvan zij opteerde voor de voor verzoekster negatieve en niet voor de voor haar positieve beslissing. In de bewuste motivering niets te lezen valt dat rechtstreeks in verband te brengen is met de door verzoekster aangebrachte grieven; de -interne- beroepsprocedure de klassenraad er anderzijds toe verplicht een eventueel onrechtstreeks of impliciet verband te expliciteren in zijn nieuwe beslissing (R.v.St., nr. 162.923, Parmentier, 28 september 2006), hetgeen kennelijk niet of nauwelijks is gebeurd. Bovendien na het bezwaar van verzoekster en haar raadsman aandacht besteed had moeten worden aan de door hen ontwikkelde argumenten ten gunste van een herbeoordeling van haar prestaties, zoals onder meer uiteengezet in haar aangetekend schrijven (‘beroepsschrift’) dd. 10 juli 2007 - verstuurd onder briefhoofd van Mr. Theo Stevens, raadsman van verzoekster -waarin op uitvoerige wijze (7 blz.) de redenen/grieven werden uiteengezet. (stuk 5) Besluitend, moet worden aangenomen dat de veruitwendigde motieven niet volstaan en dat, zo er volgens de klassenraad nog andere motieven waren, deze nagelaten heeft die kenbaar te maken. De vereiste bijzondere motieven in het geheel ontbreken en alleszins niet afdoende zijn, c.q. niet volstaan om de bestreden beslissing - erin bestaande dat aan verzoekster een C-attest wordt toegekend - te schragen. - De delibererende klassenraad in diens notulen van de deliberatie gehouden op 31 augustus 2007 (individueel syntheseblad) nagenoeg de volledige -eerste- bladzijde spendeert aan de ‘relevante informatie van vorig schooljaar’. (stuk 1) De klassenraad in essentie verwijst naar de officiële waarschuwing die voor wiskunde werd gegeven op het einde van het schooljaar 2005-2006 (voorlaatste jaar). Deze motivatie echter geenszins afdoende is, dat verzoekster in haar voorlaatste jaar een A-attest kreeg uitgereikt; dat wanneer aan een leerling een A-attest is uitgereikt het afgeleverde attest niet meer in vraag kan worden gesteld (R.v.St., nr. 124.078, De Brouwer, van 9 oktober 2003) XII-5256-11\20 Een oriënteringsattest A overigens inhoudt : dat men zonder beperkingen toegelaten wordt tot het volgende leerjaar (blz. 42 schoolreglement). De klassenraad zich in zijn bestreden beslissing bovendien moet laten leiden niet door de waarschuwing gegeven in het voorlaatste jaar, maar wél door : * het resultaat van de globale evaluatie (die betrekking heeft op alle vakken binnen het pakket van 32 uur) * beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad doorheen het schooljaar * mogelijkheden i.v.m. verdere studies (Zie terzake letterlijk : blz. 41 schoolreglement) De toetssteen zodoende het afgelopen schooljaar is en niet het schooljaar voordien (zeker niet indien, zoals in casu, hiervoor een A-attest werd afgeleverd). - De delibererende klassenraad bovendien feitelijke onjuiste motieven hanteert, waar zij stelt in diens notulen van de deliberatie gehouden op 31 augustus 2007 (individueel syntheseblad, blz. 2) dat de vakleerkracht oefeningen bezorgde aan verzoekster die zij ‘zelden heeft afgegeven om te laten verbeteren’. Verzoekster dit motief feitelijk betwist, c.q. formeel is dat zij wel degelijk alle haar bezorgde oefeningen heeft afgegeven ter verbetering. Nooit enige opmerking werd gegeven dat dit niet het geval zou zijn. Mocht verzoekster deze oefeningen ‘zelden’ hebben afgegeven - quod non - hiervan ongetwijfeld in de klasagenda nota’s zouden terug te vinden zijn dan wel in de commentaar van de vakleraar in de maandrapporten hetzij in de syntheserapporten. Het bovendien opvallend is dat in de beslissing dd. 26 juni 2007 van de delibererende klassenraad (uitgedoofd ingevolge de thans bestreden beslissing) geen spoor terug te vinden is van dit toch wél essentieel gegeven ... : meer nog, er wordt zelfs gesteld bij de rubriek ‘Remediëring doorheen het jaar’ : ‘Chloé spande zich in...’ Bij de individuele commentaren van de vakleraar op het syntheserapport juni bedankt de vakleraar voor wiskunde verzoekster zelfs ‘voor de fijne samenwerking dit schooljaar’. De interne beroepscommissie bovendien zelf verwees naar ‘het grote pakket oefeningen die door haar werden gemaakt’, waar de delibererende klassenraad anderzijds deze overweging (tevens feitelijke vaststelling) geenszins weerlegd of tegengesproken heeft in de thans bestreden beslissing. Ten overvloede, dient gesteld dat verzoekster haar betwisting dienaangaande reeds uiteenzette in een aangetekend schrijven dd. 08.09.2007 waarop geen enkele reactie of geen enkel antwoord werd ontvangen vanwege de school. (stuk 11) - De delibererende klassenraad, ter ondersteuning van haar beslissing, verwijst in diens notulen van de deliberatie gehouden op 31 augustus 2007 (individueel syntheseblad, blz. 1) naar de brief van 29 juni 2006 dewelke aan de ouders van verzoekster werd overhandigd door de directeur (in feite door de klastitularis, dhr. Helmut Vanderelst) ter gelegenheid van het XII-5256-12\20 oudercontact, waarin gesteld werd. ‘Indien er tijdens het volgende schooljaar geen aanzienlijke evolutie merkbaar is waardoor er op het jaargemiddelde nog steeds een tekort voorkomt op dit vak, zal de nieuwe delibererende klassenraad niet licht over dit tekort heen kunnen stappen’; waar echter moet worden gesteld dat deze brief niet uitgaat van de klassenraad zelf -zodat deze niet als auteur ervan te aanzien is en de inhoud van deze brief dus geenszins aan de klassenraad is toe te rekenen of toe te schrijven- terwijl het A-attest dat door de delibererende, klassenraad aan verzoekster werd overhandigd voor het schooljaar 2005-2006 (5 WE - studierichting Wetenschappen-Wiskunde) louter melding maakt van de ‘Officiële waarschuwing : wiskunde’. De directeur anderzijds trouwens geen bevoegdheid heeft om vooruit te lopen op beslissingen van de delibererende klassenraad voor het volgend schooljaar, laat staan om uitspraken te doen omtrent de inhoud of richting van toekomstige beslissingen van deze klassenraad. Terwijl - Het oordeel van de klassenraad om aan verzoekster in diens laatste jaar het diploma te ontzeggen een dermate gewichtige beslissing uitmaakt, dat evenredig eisen moeten worden gesteld aan de daartoe opgegeven motieven. In de voorliggende zaak de beslissing een leerling in het laatste jaar van het secundair onderwijs betreft; dat zulks betekent, eensdeels, dat de beslissing er om gaat aan verzoekster al dan niet een diploma uit te reiken, aangezien een zogenaamd B-attest met clausulering voor bepaalde richtingen niet tot de mogelijkheden behoort en, anderdeels, dat verzoekster blijkbaar er in geslaagd is de voorgaande vijf schooljaren met vrucht te beëindigen; dat die beide vaststellingen een klassenraad moeten aanzetten tot een uiterst zorgvuldige afweging, en om niet licht over te gaan tot het geven van een C-attest; dat, wanneer die klassenraad ten slotte reeds een eerste maal over verzoekster een beslissing heeft genomen waarvan de motiveringsgebreken werden aangehaald in het advies van de beroepscommissie, het de opdracht is van de klassenraad om de motieven die het resultaat van die afweging onderbouwen in de beslissing accuraat uiteen te zetten. De delibererende klassenraad, in een geval zoals hier voorligt waarin hij na advies van de beroepscommissie op vraag van het schoolbestuur opnieuw moet samenkomen nadat zijn oorspronkelijke beslissing binnen het raam van de in het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure is aangevochten, zorgvuldig in de veruitwendigde motieven van zijn eindbeslissing de door hem gemaakte afweging moet doen blijken; dat immers, wil zij enig nut hebben, de bij het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van een leerling te onderzoeken; dat verzoekster een antwoord op haar klachten diende te vinden in de beslissing van de delibererende klassenraad. Verzoekster in casu werkelijk in de situatie verkeert van wat als een ‘delibereerbaar’ student kan worden beschouwd. ‘Randgevallen’ zoals verzoekster echter juist het bestaan van klassenraden en hun deliberaties verantwoorden. XII-5256-13\20 In geval de van toepassing zijnde normering enkel zou toelaten dat cijfermatige gegevens een. uitslag bepalen, het bestaan van een delibererende klassenraad nutteloos en zelfs onrechtmatig zou zijn. - De thans bestreden beslissing genomen is ter beëindiging van de procedure die is vastgesteld in de artikelen 64 en volgende van het organisatiebesluit; dat in deze procedure is voorzien voor het geval een beslissing van de delibererende klassenraad wordt betwist, wat te dezen het geval was; dat die procedure een intern overleg en vervolgens een bezwaar bij en advies van een beroepscommissie inhoudt; dat vervolgens op advies van die beroepscommissie en na beslissing van het bevoegd gezag van de school de delibererende klassenraad de definitieve en desgevallend in rechte te bestrijden beslissing neemt; dat die procedure van overleg en bezwaar binnen de school geen zin lijkt te hebben zo ze niet minstens er toe strekt om de klassenraad er toe aan te zetten het gehele dossier van de leerling te herbekijken en daarbij ook rekening te houden met hetgeen tijdens die overleg- en bezwaarprocedure aan het dossier is toegevoegd; dat de delibererende klassenraad zijn oorspronkelijke argumenten bij gelegenheid van die heroverweging dienovereenkomstig dient te beoordelen; dat het resultaat daarvan, zo de klassenraad de grieven van de leerling niet inwilligt, niet beperkt lijkt te zijn tot het bevestigen van zijn oorspronkelijke argumenten, hetgeen in casu de facto is gebeurd. Nu de bestreden beslissing tot stand is gekomen als gevolg van de bij het organisatiebesluit voorgeschreven administratieve beroepsprocedure, de klassenraad bij het nemen van zijn definitieve beslissing niet mocht voorbijgaan aan de redenen waarom hij opnieuw werd samengeroepen, zodat verwacht mag worden dat hij ervan doet blijken dat de handhaving van het C-attest geen louter bevestigende beslissing is van eerder genomen beslissingen, maar het gevolg van een heroverweging op grond van de bezwaren/grieven vanwege de betrokken leerling en van het advies van de beroepscommissie; dat immers een beroepsprocedure, wil zij enig nut hebben, er in ieder geval op gericht lijkt te zijn de klachten en argumenten van een verzoekende partij te onderzoeken en dat deze een antwoord op zijn klachten/grieven moet vinden. Beslissingen van de delibererende klassenraad trouwens ook luidens artikel 5, § 8, van het organisatiebesluit ‘steeds gemotiveerd [moeten] zijn’. De motivering te dezen bovendien des te belangrijker diende te zijn, gelet op : --de meerdere elementen die verzoekster deed gelden, zoals onder meer uiteengezet in haar aangetekend schrijven (‘beroepsschrift’) dd. 10 juli 2007 -verstuurd onder briefhoofd van Mr. Theo Stevens, raadsman van verzoekster- waarin op uitvoerige wijze (7 blz.) de redenen/grieven werden uiteengezet (stuk 5) -- het gegeven dat verzoekster op haar dagelijks werk wél behoorlijk had gescoord en voor het vak wiskunde toch ook duidelijk vooruitgegaan was, zij het zonder de helft van de punten te behalen op haar globaal jaartotaal -- de (gunstige) evolutie op het jaareinde ten opzichte van het eerste semester, waar toch merkbare en aanzienlijke verbeteringen moesten worden vastgesteld voor het vak wiskunde XII-5256-14\20 -- de vaststelling in de bestreden beslissing zelf dat de resultaten van verzoekster op haar dagelijks werk ‘telkens voldoende tot goed’ waren -- de vermeldingen op de maandrapporten van verzoekster voor het vak wiskunde (stuk 14 a-d) : * oktober 2006 : ‘duidelijk geen probleem merkbaar. Goed zo. Chloé’ * december 2006 : ‘Een tandje bijsteken voor de examens, Chloé ? Lukt ongetwijfeld. Veel moed en succes met de examens’. * april 2007 : ‘volhouden, Chloé, je raakt er ongetwijfeld’ * juni 2007 : ‘Laat dit DW een aansporing zijn om ervoor te gaan, Chloé. Lukt je ongetwijfeld. Veel moed en doorzetting bij het studeren van de examens en alle succes bij het afleggen ervan’. Deze commentaren maken de eindbeslissing des te eigenaardiger, c.q. des te meer vatbaar voor kritiek, nu de school duidelijk de schijn wekte dat verzoekster zou slagen en geenszins een C-attest zou toebedeeld krijgen. -- de inspanningen vanwege verzoekster, zoals deze o.a. blijken uit het e-mailverkeer tussen haarzelf en haar vakleraar wiskunde en de op grond hiervan gemaakte oefeningen (stuk 15) - Een bestuurshandeling maar wettig is voorzover zij afdoende (materieel) gemotiveerd is. Een beslissing in het kader van een beroep, duidelijk en omstandig de redenen moet doen kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen al dan niet worden aangenomen. (R.v.St., 10 juni 1993, nr. 43.272) Het hiermee samenhangende zorgvuldigheidsbeginsel de verplichting impliceert in hoofde van de overheid tot zorgvuldige feiten- en informatiegaring tijdens de voorbereidende fase en tevens de plicht : om alle elementen, aspecten en belangen van een dossier in ogenschouw te nemen met het oog op een zorgvuldige besluitvorming (Lambrechts, W., ‘Het zorgvuldigheidsbeginsel’, Opdebeek I., Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer, 1993, 27, 31)”. 4.
  13. Al minstens de vele herhalingen in de geciteerde wijdlopige uiteenzetting zijn er aan debet dat het middel niet duidelijk gestructureerd is. Zeker in een schorsingsprocedure, waar de rechter het middel slechts aan een prima facie onderzoek onderwerpt, ware een geserreerd betoog te verkiezen. De Raad van State begrijpt dat verzoekster in essentie aanvoert dat uit de bestreden beslissing geen afweging blijkt van het globale jaarresultaat en van de andere studieresultaten tegenover de ene onvoldoende van 44% voor wiskunde zodat de delibererende klassenraad een blinde toepassing zou hebben gemaakt van een regel waarbij het niet slagen voor één vak, weze het een hoofdvak, quasi automatisch leidt tot een C- attest en dat de klassenraad eist dat verzoekster op alle vakken de doelstellingen van het leerplan moet bereiken ,wat zou ingaan tegen het organisatiebesluit. Volgens de XII-5256-15\20 grieven van verzoekster moest de klassenraad rekening houden met het klasgemiddelde en met haar positieve evolutie van eerste naar tweede semester en moest hij specifieke redenen hebben om haar met één onvoldoende een C-attest te geven. Nu verzoekster in het vijfde jaar een A-attest kreeg is de referentie aan de haar gegeven waarschuwing volgens haar niet afdoende. Ook is het volgens verzoekster niet juist dat zij zelden haar oefeningen bezorgde aan de vakleerkracht, integendeel. De klassenraad zou ook zijn voorbij gegaan aan de redenen waarom hij opnieuw werd samengeroepen. 4.
  14. De Raad van State stelt vooreerst vast dat verzoekster de haar toegekende punten voor het vak wiskunde zelf niet in vraag lijkt te stellen. Zij doet dat alleszins niet met concreet op haar examenresultaat gerichte kritiek. Terzijde gemaakte opmerkingen over een laag klasgemiddelde volstaan niet om aan te tonen dat zij zelf minder heeft gekregen dan zij zou hebben verdiend op grond van de door haar gegeven antwoorden op de gestelde vragen, of dat de gestelde vragen niet in te passen zijn in de aangeboden leerstof. De vraag of haar door de vakleerkracht in het bijzonder of de school in het algemeen voldoende begeleiding werd aangeboden -en of zij in die context al dan niet oefeningen heeft gemaakt of ingeleverd- wordt in het licht van die vaststelling dan ook niet meer relevant. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State en daargelaten de vraag of de grief in feite juist is -iets wat de verwerende partij tegenspreekt- faalt een dergelijk middel in rechte. Wat ter staving ervan wordt aangewend, kan mogelijk aantonen dat de verwerende partij mede aansprakelijk is voor verzoeksters minder gunstig resultaat, maar vermag niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Het is immers één zaak of een examinanda bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt; deze laatste kan diegene zijn die haar op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Verzoekster levert op het eerste gezicht geen argumenten die de Raad er toe zou moeten nopen van deze rechtspraak in het voorliggende geval af te wijken. Te dezen betekent zulks dat, indien verzoekster de verwerende partij terecht verwijt onvoldoende remediëringen te hebben voorgesteld en verwerende partij haar onterecht verwijt oefeningen niet te hebben ingeleverd, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de verwerende partij schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van verzoekster, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. Verzoekster heeft er bijgevolg ook geen XII-5256-16\20 belang bij om te horen vaststellen of de klassenraad al dan niet voldoende heeft gerepliceerd op deze grief in zijn eindbeslissing. 4.
  15. Verwerende partij betwist dat zij zich heeft gefixeerd op het loutere tekort voor wiskunde maar erkent dat het resultaat voor wiskunde “een bijzonder zwaarwichtig element” was bij de beoordeling over het al dan niet slagen van verzoekster. Zoals de Raad van State reeds eerder heeft uiteengezet, bij voorbeeld in het arrest nr. 153.126, Vanlook, van 22 december 2005, kan zelfs één tekort reden zijn om een leerling niet geslaagd te verklaren, als ten minste daarvoor specifieke redenen voorhanden zijn, waarbij de Raad overwoog en overweegt “dat die reden kan te vinden zijn in de aard van het vak zelf, bij voorbeeld wegens zijn aandeel in de totale studie, omwille van zijn belang voor de gekozen richting of omwille van de specifieke kunde die het bedoelde opleidingsonderdeel wil en moet uittesten; dat men bij wijze van voorbeeld kan denken aan opleidingsonderdelen zoals een stage, een thesis of voor de opleiding noodzakelijke praktische vaardigheden”. Ook de beroepscommissie lijkt het niet anders te hebben gezien, nu zij de beslissing van de klassenraad “onvoldoende coherent gemotiveerd” noemde en de nieuwe samenkomst van de klassenraad nodig vond om “de elementen die hebben geleid tot de beslissing in hoofde van de leerlinge op een duidelijke en begrijpbare wijze weer te geven”. Met verwerende partij stelt de Raad van State vooralsnog vast dat de delibererende klassenraad na zijn nieuwe deliberatie in de thans bestreden eindbeslissing geen “blinde toepassing” maakt van een regel maar er in concreto mee rekening houdt dat het vak wiskunde een profielbepalend vak is in de door verzoekster gekozen richting wiskunde-wetenschappen, dat verzoekster dit zelf erkent wanneer zij met het oog op haar verdere studiekeuze specifiek voor deze studierichting met een sterk wiskundige invulling opteert, dat verzoekster weliswaar een A-attest behaalde in het vijfde jaar maar door haar toenmalig tekort voor wiskunde met een handicap het zesde jaar aanving waarvoor ernstige inspanningen vereist werden, dat reeds de begeleidende klassenraad in december vaststelt dat verzoekster de leerstof vooral memoriseert maar problemen heeft met inzichtsvragen en met het verwerken van grotere gehelen, dat zij voor de examens steeds XII-5256-17\20 onvoldoende scoort en dus enkel dank zij dagelijks werk op het einde van het jaar net voldoende behaalt, dat het jaartotaal dan nog 44% is, dat dit een zwaar tekort is en dat verzoekster drie van de vier grote onderdelen van de leerstof onvoldoende beheerst. Het betoog van verzoekster toont vooralsnog niet aan dat die specifieke redenen in feite verkeerd of in rechte ondeugdelijk zijn. Verzoekster wil de Raad van State dan overtuigen dat zij, spijts dit zware tekort toch door de delibererende klassenraad als geslaagd moest zijn beschouwd gelet op het geheel van haar resultaten en zij verwijt de klassenraad geen globale beoordeling te hebben gedaan. De Raad stelt vooreerst vast dat de delibererende klassenraad vermeldt dat het probleem dat verzoekster heeft met het verwerken van grotere gehelen “in verschillende vakken” voorkomt, wat er op lijkt te wijzen dat wel rekening is gehouden met de andere studieresultaten. Wil verzoekster echter staande houden dat dit slechts een stijlformule is, dan valt het haar toe aan de Raad de concrete gegevens en precieze argumenten voor te leggen op grond waarvan de Raad die grief kan beoordelen. De Raad moet evenwel vaststellen dat verzoekster slechts allusie maakt op haar jaartotaal voor alle vakken van 61, 5% en, zonder dat duidelijk is of het om een jaartotaal of een examentotaal gaat, op goede cijfers voor drie vakken, Frans, Spaans en wetenschappelijk tekenen. Bij het verzoekschrift gaat kopie van de rapporten dagelijks werk van oktober, december, april en juni. Een afschrift van al de door haar behaalde cijfers of een afschrift van het gehele rapport van verzoekster wordt door haar niet voorgelegd. Het motief dat verzoekster ook voor de andere vakken moeite heeft met grotere studiegehelen blijft dus vooralsnog overeind. Opvallend is ook dat verwerende partij het evenmin nodig heeft gevonden om een overzicht te geven van al de door verzoekster behaalde cijfers of om een afschrift van het rapport te reproduceren. In haar nota maakt zij voor wat de andere vakken betreft evenwel melding van een tekort dagelijks werk biologie in december, van “minder goede” -maar niet: onvoldoende- examenresultaten op de kerstexamens voor biologie, fysica, Nederlands en godsdienst, van een tekort dagelijks werk geschiedenis in februari, een tekort voor biologie op het paasrapport, tekorten op de examens in juni voor fysica (27%), chemie (37%), geschiedenis (31%). 4.
  16. De Raad van State mag zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten of een diploma te behalen, vermits het alleen aan de delibererende XII-5256-18\20 klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoekster derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekster, in de huidige stand van de procedure, er niet in is geslaagd de Raad daarvan te overtuigen. De door de delibererende klassenraad op het eerste gezicht zorgvuldig gemaakte inschatting van de kennis en kunde van verzoekster, in het bijzonder de specifieke redenen om aan het tekort voor wiskunde een groot belang te hechten en het onvermogen van verzoekster om ook voor andere vakken grotere gehelen te verwerken, vermag in rechte en in feite, zo lijkt, een beslissing om haar het bestreden C-attest te geven verantwoorden. Op grond van de stukken waar de Raad thans kan acht slaan, komt het middel niet als ernstig voor.
  17. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-5256-19\20 Artikel
  19. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien maart 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5256-20\20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.985 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.