← België

Arrest 181027 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.027 Rolnummer: A. 187387/X-13683 Zaak: Arrest 181027 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 02:53 Fiche Arrest nr 181.027 van 14 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.027 van 14 maart 2008 in de zaak A. 187.387/X-13.683. In zake : de gemeente BRAKEL, die woonplaats kiest bij advocaten C. DE WOLF en K. BEKE, kantoor houdende te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5 tussenkomende partij : de n.v. FLUXYS, die woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en F. TULKENS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 117. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente BRAKEL op 7 maart 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 12 februari 2008 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan de n.v. FLUXYS de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een ondergrondse aardgasvervoerleiding DN 500 en toebehoren op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Lierde, Geraardsbergen, Ninove, Denderleeuw en Haaltert; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; X-13.683-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaten C. DE WOLF en K. BEKE, die verschijnen voor de verzoekende partij, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten P. PEETERS en Th. DREIER, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 12 maart 2008 heeft de n.v. FLUXYS gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 2. Over de thans voorliggende gegevens van de zaak 2.1. Het bestreden project voorziet in een nieuwe aardgasleiding tussen het ontspanningsstation in Opbrakel (Brakel) en het bestaande gasstation in Haaltert. Bij koninklijk besluit van 5 maart 2006 werd de oprichting van installaties voor het vervoer van aardgas door middel van leidingen, die private gronden bezetten op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Lierde, Geraardsbergen en Ninove van openbaar nut verklaard. Bij ministerieel besluit van 11 oktober 2006 werd een vervoersvergunning voor vervoer van aardgas door middel van leidingen verleend aan de n.v. FLUXYS. Beide besluiten zijn door de verzoekende partij aangevochten met een annulatieberoep, het eerste gekend onder het rolnummer 173.429/X-12.856, het tweede onder het rolnummer 179.572/IX-5515. 2.2. Op 20 maart 2007 dient de n.v. FLUXYS bij de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een aanvraag in tot stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van de nieuwe aardgasleiding. De aanvraag is vergezeld van een milieueffectrapportage (hierna MER genoemd), in het kader waarvan een zogenaamde “passende beoordeling” is gebeurd. X-13.683-2/7 2.3. Op 21 mei 2007 adviseert de verzoekende partij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning ongunstig op grond van de overweging dat het project de natuurlijke kenmerken van de SBZ “Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuid-Vlaamse bossen” op betekenisvolle wijze aantast. 2.4. Op 9 november 2007 brengt de cel MER advies uit over het inmiddels aan een openbaar onderzoek onderworpen ontwerp van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna GRUP genoemd) “Leidingstraat” dat het tracé van de aardgasleiding vaststelt en dit naar aanleiding van het bezwaar dat het MER en de passende beoordeling niet correct zijn uitgevoerd. Met betrekking tot de problematiek van de rivierdonderpad stelt de cel MER dat geen nieuw MER nodig is, maar dat het wel aangewezen is milderende maatregelen te nemen voor 4 beken in plaats van de 2 beken voorzien in het MER. 2.5. Bij besluit van 11 januari 2008 stelt de Vlaamse regering dan het GRUP “Leidingstraat” definitief vast, in uitvoering waarvan de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar op 12 februari 2008 de vergunning afgeeft. Dit laatste besluit is het bestreden besluit. 3. Over de ontvankelijkheid van de vordering De verwerende en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zijn. Dit is echter niet het geval in deze zaak, zoals hierna zal blijken. 4. Over de grondvoorwaarden voor de schorsing 4.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. X-13.683-3/7 4.2. Wat de voornoemde derde voorwaarde betreft, bepaalt artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten moet bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 16, § 2, 6/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, die werd ingesteld met een afzonderlijke akte, moet bevatten “een uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”. Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet moet aangeven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partij mag zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar moet concrete en precieze gegevens aanbrengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt. 4.3. Wat deze voorwaarde betreft, zet de verzoekende partij in het verzoekschrift uiteen dat deze schorsingsvoorwaarde “evident vervuld” is, dat zij “eigenaar (

  1. is)van een aantal percelen welke deel uitmaken van de actieradius van de Bestreden Beslissing”, dat zij “als zorgvuldig administratief bestuur, behept (
  2. is)met een toezichts- en/of controlefunctie van handelingen en/of werken die op haar grondgebied (zullen) plaatsvinden”, dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “implicaties (heeft) voor zowel de inwoners van Verzoekende Partij als voor Verzoekende Partij”, dat “Een gedeelte van het vooropgestelde tracé (ongeveer 900m) van de aardgasvervoerinstallatie, waarvoor de Bestreden Beslissing wordt verleend, (...) betrekking (heeft) op percelen gelegen binnen het SBZ ‘Bossen van de Vlaamse Ardennen en andere Zuid-Vlaamse bossen’, zoals vastgesteld bij Besluit van 24 mei 2002” en “de geplande aardgasvervoersleiding zowel natuurgebied als habitatrichtlijngebied (over een totale afstand van 940 m)” doorkruist, dat zij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “zal worden X-13.683-4/7 geconfronteerd met een ernstige aantasting van vanuit milieu- en natuuroogpunt waardevol en beschermd gebied (...) die noodzakelijkerwijze zowel de fauna als de flora in het betrokken gebied zal vernietigen, minstens, op ernstige wijze zal aantasten”, dat “een herstel in de oorspronkelijke toestand (...) onmogelijk” is, dat “dan ook evident” is dat zij “zowel als haar inwoners ernstig zullen worden geschaad bij de verdere tenuitvoerlegging van de Bestreden Beslissing”. 4.4. De verzoekende partij beroept zich in essentie op een beweerde ernstige en onherstelbare aantasting van de “betrokken fauna en flora” in het “betrokken waardevol en beschermd gebied”, waarmee zijzelf en haar inwoners zullen worden geconfronteerd. Zij beperkt zich in haar betoog tot vaagheden en algemeenheden. Zij geeft immers geen concrete en precieze aanduiding van de aard en de omvang van dat beweerde nadeel, hetzij als beweerde eigenaar van de twee door haar aangeduide percelen, hetzij als bestuur. 4.5. Mocht het al ernstig zijn, dan geeft de verzoekende partij in het verzoekschrift niet aan waarom het door haar aangevoerde nadeel moeilijk te herstellen zou zijn. Ten andere blijkt uit artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het stedenbouwmisdrijf bedoeld in artikel 146 van voornoemd decreet wordt uitgevoerd, de mogelijkheid heeft de herstelvordering in te leiden om de plaats te herstellen in de oorspronkelijke toestand. De verzoekende partij zet niet in concreto uiteen waarom deze in het voornoemd decreet van 18 mei 1999 voorziene mogelijkheid tot het vorderen van een herstel in de oorspronkelijke toestand, onmogelijk zou zijn en dus niet het adequate rechtsmiddel biedt om, in de hypothese dat de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning wordt vernietigd, het herstel in de oorspronkelijke toestand te verkrijgen en derwijze het aangevoerde nadeel ongedaan te maken. 4.6. In hoofde van een gemeentelijke overheid kan er slechts sprake zijn van een persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel indien de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid belast is, verhindert of in ernstige mate bemoeilijkt en indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van haar diensten dermate in het gedrang zou brengen dat zij haar taken als gemeente niet meer zou kunnen uitoefenen. Het nadeel van een gemeentelijke overheid kan dan ook niet worden gelijkgesteld met het nadeel dat haar inwoners lijden. De verzoekende partij maakt X-13.683-5/7 op geen enkele concrete wijze aannemelijk dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van haar diensten in het gedrang zou brengen of ingrijpende gevolgen zou hebben voor de uitoefening van haar beleid of de vervulling van haar taken. 4.7. Gelet op het voorgaande wordt vastgesteld dat de verzoekende partij onvoldoende aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er is dan ook niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. FLUXYS in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-13.683-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart 2008, door : de H. P. LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. P. LEFRANC. X-13.683-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.027 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.536 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.