← België

Arrest 181092 - Tucht (openbaar ambt) - 17/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.092 Rolnummer: A. 125943/IX-3466 Zaak: Arrest 181092 - Tucht (openbaar ambt) - 17/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:48 Fiche Arrest nr 181.092 van 17 maart 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.092 van 17 maart 2008 in de zaak A. 125.943/IX-

  1. In zake : Jean-Pierre STRICK, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN EECKHAUT, kantoor houdende te GENT, Recollettenlei 41 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie, Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd de BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Pierre STRICK op 23 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 20 augustus 2002 waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 115.054 van 27 januari 2003 waarbij de afstand van de vordering tot schorsing wordt ingewilligd; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 maart 2003 door de verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3466-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN EECKHAUT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  3. Verzoeker was commissaris van politie bij de federale politie. 1.
  4. Met een nota van 22 februari 2002 adieert de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie -de gewone tuchtoverheid van verzoeker- de minister van Binnenlandse Zaken -zijn hogere tuchtoverheid- met betrekking tot een lastens verzoeker samengesteld tuchtdossier, gebaseerd enerzijds op een gerechtelijk dossier dat op 18 december 2001 geseponeerd was en anderzijds op het feit dat verzoeker in mei 2001 tijdens de diensturen twee halve dagen zou hebben besteed aan activiteiten binnen de privésfeer. De directeur-generaal is van oordeel dat verzoeker een zware straf moet worden opgelegd. 1.
  5. De minister van Binnenlandse Zaken stelt op 22 februari 2002 een inleidend verslag op, waarin hij zijn voornemen kenbaar maakt om verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen. IX-3466-2/13 Dit verslag wordt ter kennis van verzoeker gebracht op 11 maart
  6. 1.
  7. Verzoeker dient op 9 april 2002 een verweerschrift in. Hij wordt op 18 april 2002 gehoord. 1.
  8. Op 22 april 2002 vraagt de minister van Binnenlandse Zaken aan de procureur des Konings te Dendermonde en aan de minister van Justitie om advies aangaande de voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Met brieven van 25 april 2002 verklaren de minister van Justitie en de procureur des Konings te Dendermonde zich akkoord met de voorgestelde tuchtstraf. 1.
  9. Op 30 april 2002 beslist de minister van Binnenlandse Zaken de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor te stellen. Deze beslissing wordt aan verzoeker ter kennis gebracht op 3 mei
  10. 1.
  11. Op 10 mei 2002 dient verzoeker bij de tuchtraad een verzoek in tot heroverweging van de voorgestelde tuchtstraf. 1.
  12. Op de hoorzitting van de tuchtraad op 4 juli 2002, verleent de inspecteur-generaal van de federale en de lokale politie zijn advies. Onder punt 1.3 -“Met betrekking tot het respecteren van de proceduretermijnen”- stelt hij: “- Gelet op de bepalingen van artikel 24 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; - Gelet op de adviezen van de Minister van Justitie en de Procureur des Konings van 26 april 2002 in uitvoering van artikel 24 van vermelde wet; - Gelet op de bepalingen van artikel 38sexies § 4 van de tuchtwet; - Overwegende dat het inleidend verslag betekend werd aan betrokkene op 11 maart 2002; - Overwegende dat betrokkene zijn verweer indiende binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag; - Overwegende dat de hogere tuchtoverheid haar beslissing dient mee te delen uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van dertig dagen; IX-3466-3/13 - Overwegende dat de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts kan meedelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen van de tuchtwet; - Dat in voorkomend geval de termijn van 15 dagen verlengd wordt met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid van de tuchtwet; - Gelet op de vraag van 22 april 2002 tot advies, krachtens artikel 24 van de tuchtwet, en het antwoord van de Minister van Justitie en de Procureur des Konings van 26 april 2002, die de termijn van vijftien dagen verlengde voor een periode van vijf dagen; - Overwegende dat de hogere tuchtoverheid, rekening houdend met de verlenging van de termijn van vijftien dagen met vijf dagen, het voorstel tot straf diende te betekenen aan betrokkene binnen een termijn van twintig dagen na het einde van de termijn van dertig dagen overeenkomstig artikel 37 van de tuchtwet en dit uiterlijk op 30 april 2002; - Dat het voorstel van tuchtstraf betekend werd aan betrokkene op 03 mei 2002, Om deze redenen, Is de Inspecteur-generaal van oordeel dat het voorstel van de hogere tuchtoverheid in strijd is met de bepalingen van het artikel 38sexies §4 van de tuchtwet.” Onder punt
  13. - “De voorgestelde straf”- stelt hij dat “Gelet op de beschouwingen vermeld sub 1.3, [...] de Inspecteur-generaal van oordeel [is] dat dient vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid geacht wordt af te zien van de vervolging voor de ten laste gelegde feiten” en adviseert hij “in ondergeschikte orde en voor zover voormeld standpunt niet wordt gedeeld”, het ontslag van ambtswege op te leggen. 1.
  14. Op 31 juli 2002 verstrekt de tuchtraad zijn advies. Onder punt C., “Het voorstel tot zware tuchtstraf”, van luik I., “De procedure”, stelt hij: “Het inleidend verslag van 22 februari 2002 werd aan betrokkene ter kennis gebracht op 11 maart 2002 (stuk 60). De samenlezing van de artikelen 38quater en 38sexies, eerste lid Tuchtwet leert dat de hogere tuchtoverheid principieel haar beslissing moest mededelen uiterlijk 25 april
  15. Bij toepassing van artikel 38sexies, vierde lid werd deze termijn verlengd met 20 dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid werd toegestuurd, zijnde in casu 22 april 2002 (stukken 114 en 117). Aangezien het voorstel tot straf op 3 mei 2002 werd ter kennis gebracht aan CP Strick, werd voldaan aan de vereiste van artikel 38sexies Tuchtwet.” IX-3466-4/13 Onder luik II, “Advies ten gronde”, stelt hij dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn, dat zij aan verzoeker kunnen worden toegerekend en dat zij een tuchtvergrijp uitmaken “in de zin van artikel 3 Tuchtwet” en adviseert hij om aan verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen. 1.
  16. Op 20 augustus 2002 beslist de minister van Binnenlandse Zaken om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. In die beslissing wordt “akte genomen van de vaststellingen in het advies van de tuchtraad met betrekking tot de procedure”, waaruit “blijkt dat de rechten van de verdediging niet geschonden werden op het vlak van de te respecteren termijnen”. De grond van de zaak
  17. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 38sexies, eerste en vierde lid van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet). Hij betoogt dat het bestreden besluit, in navolging van het advies van de tuchtraad, aanneemt dat de termijn waarbinnen de hogere tuchtoverheid hem in kennis moest stellen van een definitief strafvoorstel, wegens het inwinnen van het advies van de minister van Justitie en van de procureur des Konings verlengd was tot twintig dagen na de datum van de aanvraag van die adviezen, maar dat de minister daarmee artikel 38sexies, eerste lid van de tuchtwet niet correct toegepast heeft. Overeenkomstig artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet moet de beslissing van de tuchtoverheid aan de betrokkene medegedeeld worden uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van dertig dagen waarbinnen de ambtenaar zijn verweer kan formuleren tegen het inleidend verslag. Die termijn verstreek in zijn geval op 25 april 2002 en aangezien hij slechts op 3 mei 2002 kennis gekregen heeft van het definitief strafvoorstel van de minister, is de tuchtprocedure nietig. Het bepaalde in artikel 38sexies, vierde lid van de tuchtwet, waarbij de termijn voor het nemen van een beslissing verlengd wordt in geval het advies van de gerechtelijke overheden ingewonnen wordt, heeft geen invloed op de berekening van de termijn bedoeld in artikel 38sexies, eerste lid, aangezien er hem wel degelijk een voorstel van tuchtstraf ter kennis gebracht is. Artikel 24, derde lid, van de tuchtwet, waar gesteld is dat de gerechtelijke overheden hun advies moeten IX-3466-5/13 geven “vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt”, heeft slechts zin wanneer aangeno- men wordt dat de gerechtelijke overheden nog advies kunnen geven nadat de zaak reeds bij de tuchtraad aanhangig gemaakt is. Ook artikel 38sexies, derde lid van de tuchtwet gaat ervan uit dat de termijn bepaald in het eerste lid in ieder geval nageleefd moet worden en dat de adviezen ook nog na het treffen van het voorstel ter kennis van de tuchtoverheid gebracht kunnen worden. En ook de artikelen 51bis -termijn voor het vragen van een heroverweging- en 51ter -schorsing van het strafvoorstel van de hogere tuchtoverheid- van de tuchtwet verwijzen naar de in artikel 38sexies, eerste lid bedoelde kennisgeving, zonder rekening te houden met het vierde lid van die bepaling. Al die gegevens wijzen erop dat de verwijzing, in artikel 38sexies, vierde lid, naar de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid van de tuchtwet niet belet dat de tuchtoverheid, wanneer zij bij het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 38sexies, eerste lid, nog niet over de adviezen van de gerechtelijke overheden beschikt -wat te dezen het geval is-, toch reeds een voorstel van tuchtstraf ter kennis van de betrokkene kan brengen. De inspecteur-generaal van de federale en de lokale politie heeft in zijn advies aan de tuchtraad de stelling verdedigd dat de termijn bedoeld in artikel 38sexies, eerste lid, verlengd wordt met de termijn die de adviserende overheden in concreto hebben benut om advies te verlenen. Voor die interpretatie pleit de vaststelling dat artikel 38sexies, vierde lid “in algemene bewoordingen verwijst naar de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid” en niet “in concreto naar de maximum termijn van 20 dagen”. Toegepast op dit geval moet aldus rekening gehouden worden met een termijn van vijf dagen, te weten de periode tussen de toezending van het strafvoorstel aan de adviserende overheden op 22 april 2002 en de dag waarop de adviezen door de minister ontvangen werden, zijnde 26 april 2002, maar ook dan is de betekening op 3 mei 2002 van het tuchtstrafvoorstel laattijdig gebeurd.
  18. De verwerende partij antwoordt dat luidens artikel 24 van de tuchtwet de gerechtelijke overheden over twintig dagen beschikken om hun advies uit te brengen en dat de termijn bedoeld in artikel 38sexies in dat geval met twintig dagen verlengd wordt. Concreet in deze zaak hebben de gerechtelijke overheden hun advies eerder verleend, maar dat betekent nog niet dat de tuchtoverheid er onmiddellijk kennis van gekregen heeft en overigens hebben zij de mogelijkheid om hun advies nog te wijzigen. Uiteraard moet het advies uitgebracht worden vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt, want de wet zelf bepaalt dat het advies gevoegd wordt IX-3466-6/13 bij het voorstel van zware tuchtstraf dat aan het personeelslid ter kennis gebracht wordt. De redenering van verzoeker, dat artikel 38sexies, eerste lid duidelijk is, klopt niet. Die bepaling moet samen gelezen worden met artikel 38sexies, vierde lid en die bepaling verlengt de beslissingstermijn van de tuchtover- heid met twintig dagen. Het gaat bovendien om twintig “volle dagen” aangezien het niet gaat om een termijn van burgerlijke rechtspleging en de wettelijke vastgelegde termijnen eenduidig geïnterpreteerd moeten worden, waarbij vastgesteld wordt dat een tuchtrechtelijk vervolgd ambtenaar ingevolge artikel 38quater toch ook over dertig dagen beschikt om zijn verweer in te dienen en het bestuur pas na het verstrijken van die termijn de procedure kan voortzetten.
  19. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat artikel 38sexies van de tuchtwet kadert in de regeling van het verloop van de procedure, terwijl artikel 24 de bevoegdheden tussen de onderscheiden tuchtoverhe- den regelt. Artikel 24, derde lid van de tuchtwet laat de gerechtelijke overheden toe nog advies te verlenen nadat het tuchtstrafvoorstel aan de betrokkene ter kennis gebracht is, voor zover zulks gebeurt alvorens de tuchtraad zich uitspreekt. Op de naleving van die bepaling, die enkel een mogelijkheid instelt, staat geen sanctie en zij kan in ieder geval de gewone regeling van de tuchtprocedure -met name mededeling van een tuchtstrafvoorstel binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van verweer tegen het inleidend verslag- niet doorkruisen. Artikel 38sexies, vierde lid, verlengt aldus geenszins de termijn van kennisgeving, bepaald in artikel 38sexies, eerste lid, maar stelt enkel een sanctie in voor het niet naleven van de termijn bepaald in dat eerste lid, met name het vermoeden dat van tuchtver- volging afgezien wordt. Die redenering vindt steun in artikel 38sexies, derde lid, waarin bepaald is dat het definitief besluit slechts kan worden medegedeeld na de ontvangst van de adviezen en waaruit a contrario opgemaakt kan worden dat het strafvoorstel wel degelijk kan worden medegedeeld alvorens de adviezen uitgebracht zijn.
  20. In haar laatste memorie brengt de verwerende partij nog een aantal argumenten aan voor haar stelling dat artikel 38sexies, vierde lid van de tuchtwet betekent dat de termijn van 15 dagen waarbinnen de tuchtoverheid een strafvoorstel ter kennis van de betrokken ambtenaar moet brengen, met twintig volle dagen verlengd wordt wanneer het advies van de minister van Justitie en/of de procureur IX-3466-7/13 des Konings vereist is. Er bestaat geen enkel tekstargument om aan te nemen dat de termijn slechts verlengd zou worden met de periode die de adviserende overheden nodig gehad hebben om hun advies te geven; integendeel artikel 38sexies, vierde lid, stelt dat de termijn verlengd wordt met “de” termijn bedoeld in artikel 24, derde lid -dit is “een termijn van twintig dagen”- en die bepaling verwijst ook niet naar de “noodzakelijke” termijn die de wet wel invoert ten aanzien van een getuigenverhoor; bij gebrek aan interpretatiemogelijkheid is er ook geen reden om die bepaling in het voordeel van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid te interpreteren. Overigens blijkt uit de informatiebundel die de juridische dienst van de geïntegreerde politie opgesteld heeft en uit rechtsleer dat in de praktijk gewerkt wordt met een verlenging van de termijn met twintig volle dagen. Die stelling biedt de grootste rechtszeker- heid, want er wordt daarbij afstand genomen van steeds wisselende gegevens, zoals verzendings- en ontvangstdata. Zij is ook niet onredelijk en zelfs in het voordeel van de betrokkene aangezien het bestuur aldus over een redelijke termijn beschikt om alle gegevens van de zaak en de adviezen van de gerechtelijke overheden in zijn besluitvormingsproces te betrekken. Tenslotte gaat het niet om een termijn van burgerlijke rechtspleging, maar om twintig volle dagen, zoals ook voor de termijnen van het bestuur geldt.
  21. Artikel 24 van de tuchtwet bepaalt de gevallen waarin de tuchtoverheid, alvorens zij een lid van het politiepersoneel van ambtswege ontslaat, het advies moet inwinnen van de minister van Justitie en/of de procureur des Konings. Verzoeker betwist niet dat hij onder de toepassing van die bepaling valt. Artikel 24, derde en vierde lid, gewijzigd bij de wet van 31 mei 2001, luidt als volgt: “De (...) adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken. De (...) adviezen moeten eveneens aan het voorstel van zware tuchtstraf van de hogere tuchtoverheid toegevoegd worden.”
  22. De specifieke bepalingen die het opleggen van een tuchtstraf door de hogere tuchtoverheid regelen, zijn opgenomen in de artikelen 38 tot 38sexies van de tuchtwet. Die bepalingen, waarvan de essentie ingevoerd is door de wet van 31 mei 2001, lopen parallel met de artikelen 32 tot 37 van de tuchtwet waarin de procedure voor de gewone tuchtoverheid geregeld wordt. Voor de onderhavige zaak IX-3466-8/13 zijn de artikelen 38quater en 38sexies van belang. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, luidden die als volgt: “Art. 38quater. Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag. Na deze termijn wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen indienen.” “Art. 38sexies. Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangete- kend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraf- fen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 5lbis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 5lbis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. In de in artikel 24 bedoelde gevallen kan de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing slechts mededelen na kennis genomen te hebben van de in artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde adviezen of, bij ontstentenis, ten vroegste de dag na de periode waarin de betrokken overheid geacht wordt geen bijkomend advies te willen formuleren. Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste gelegd werden. De in het eerste lid bedoelde beslissingen en voorstellen van beslissingen van de hogere tuchtoverheid, worden formeel gemotiveerd.”
  23. Het eerste lid van artikel 38sexies bevat een regeling inzake het mededelen van de beslissing van de hogere tuchtoverheid. Het vierde lid van het artikel stelt het ogenblik vast waarop de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de tuchtoverheid vervalt. Zoals de Raad van State heeft uiteengezet in het arrest nr. 153.180 van 23 december 2005 inzake VAN DER SMESSEN -overweging 3.2.3- hangen beide bepalingen samen en moeten ze aldus gelezen worden dat de tuchtoverheid, op straffe van verval van de tuchtprocedure, binnen de termijn bepaald in artikel 38sexies, eerste lid een voorstel van zware tuchtstraf moet formuleren en ter kennis brengen van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid. IX-3466-9/13
  24. Krachtens artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet wordt de termijn van vijftien dagen, bedoeld in het eerste lid, verlengd wanneer voor het opleggen van de tuchtstraf het advies van de minister van Justitie of van de procureur des Konings vereist is. De duur van die verlenging is vastgesteld op “de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid (van de tuchtwet)”. Daarin is bepaald dat de procureur des Konings en de minister van Justitie hun advies verlenen binnen de twintig dagen na de verzending door de tuchtoverheid, van het voorstel van zware tuchtstraf.
  25. Op grond van artikel 38sexies, eerste lid, dient de hogere tuchtoverheid haar beslissing, te dezen de beslissing om een zware tuchtstraf voor te stellen, in beginsel binnen een termijn van vijftien dagen ter kennis te brengen van het betrokken personeelslid. Dit is een vervaltermijn. Op het overschrijden van die termijn volgt de sanctie bedoeld in artikel 38sexies, vierde lid: de hogere tuchtover- heid wordt in een dergelijk geval geacht af te zien van verdere vervolging van de betrokkene. Artikel 38sexies, derde lid, houdt een bijzondere regeling in, die van toepassing is telkens de hogere tuchtoverheid over haar voorstel tot straf de adviezen moet inwinnen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid. In die gevallen neemt de hogere tuchtoverheid eerst een voorlopig voorstel aan, en kan zij haar “definitieve beslissing”, d.w.z. haar definitief voorstel tot straf (in de Franse tekst “sa proposition de décision”), slechts ter kennis van de betrokkene brengen nadat zij kennis genomen heeft van de adviezen over haar voorlopig voorstel. In die gevallen is er dus, voor de kennisgeving van het definitieve voorstel, een wachttermijn. De duur van deze wachttermijn is voor een deel afhankelijk van de tijd die de adviesverlenende instanties in elk individueel geval nodig hebben voor het formuleren en het toesturen van hun advies, maar ze neemt in elk geval een einde op het ogenblik waarop de om advies gevraagde instanties geacht worden geen bijkomend advies te willen formuleren. Gelet op artikel 24, derde lid, verstrijkt de bedoelde wachttermijn dus in elk geval twintig dagen nadat de hogere tuchtoverheid haar voorstel tot straf aan de betrokken overheid of overheden heeft toegestuurd. In antwoord op een opwerping van verzoeker kan hierbij opgemerkt worden dat in artikel 24, derde lid, weliswaar sprake is van een verplichting voor de betrokken overheden om hun advies te geven “voordat de tuchtraad zich uitspreekt”, maar dat deze verplichting zinloos geworden is sinds de IX-3466-10/13 wijziging van artikel 24 bij de wet van 31 mei
  26. Oorspronkelijk werd het voorstel van tuchtstraf gelijktijdig aan de tuchtraad en aan de adviesverlenende instanties meegedeeld, en had het zin om te bepalen dat die instanties hun advies in elk geval moesten geven voordat de tuchtraad een advies gaf. Sinds de bedoelde wetswijziging dient de hogere tuchtoverheid het voorstel van tuchtstraf, samen met de ingewonnen adviezen (artikel 24, vierde lid), ter kennis van de betrokkene te brengen, waarna deze laatste eventueel bij de tuchtraad om een heroverweging van de voorgestelde straf kan verzoeken. Het is kennelijk bij vergetelheid dat de woorden “voordat de tuchtraad zich uitspreekt” niet geschrapt zijn. Artikel 38sexies, vierde lid, dat handelt over de sanctie in geval van het overschrijden van de vervaltermijn bedoeld in het eerste lid, bevat ook een bijzondere regeling voor het geval de bedoelde adviezen zijn ingewonnen. Het spreekt immers vanzelf dat de hogere tuchtoverheid haar definitief voorstel in veel gevallen niet binnen een termijn van vijftien dagen ter kennis van de betrokkene kan brengen, als zij eerst nog moet wachten op de ingewonnen adviezen of op het verstrijken van een wachttermijn van twintig dagen. De hogere tuchtoverheid moet overigens ook de nodige tijd krijgen om de adviezen te bestuderen en om, in het licht van die adviezen, haar voorlopig voorstel tot straf eventueel te wijzigen. De vervaltermijn van vijftien dagen wordt om die reden verlengd “met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid”. De termijn van vijftien dagen wordt aldus verlengd met twintig dagen, en bedraagt in de bedoelde gevallen dus 35 dagen. Verzoeker werpt op dat de artikelen 51bis en 51ter van de tuchtwet, waarin wordt voorzien in de mogelijkheid voor de betrokkene om de heroverweging van het voorstel van zware tuchtstraf te vragen en naar de schorsing van de uitvoering van de door de overheid voorgestelde straf, verwijzen naar de termijn voor de kennisgeving bedoeld in artikel 38sexies, eerste lid, doch niet naar de mogelijkheid tot verlenging van die termijn overeenkomstig het vierde lid. Hieruit kan echter niet afgeleid worden dat het eerste lid niet gelezen zou mogen worden in samenhang met het vierde lid. De verwijzing in de artikelen 51bis en 51ter naar de termijn bedoeld in artikel 38sexies, eerste lid, moet integendeel in voorkomend geval gelezen worden als de termijn die desgevallend verlengd is overeenkomstig het vierde lid.
  27. Samengevat komt het systeem, in de gevallen waarvoor adviezen als bedoeld in artikel 24 worden ingewonnen, neer op het volgende. IX-3466-11/13 De tuchtoverheid beschikt over een termijn van 35 dagen om een definitief voorstel aan de betrokkene ter kennis te brengen. Binnen vijftien dagen moet zij echter een voorlopig voorstel formuleren en aan de adviesverlenende instanties toesturen. Die instanties beschikken over een termijn van twintig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het voorstel hen is toegestuurd, om hun advies te geven. Zolang de hogere tuchtoverheid de adviezen niet heeft ontvangen, kan zij haar definitief voorstel van straf niet ter kennis van de betrokkene brengen; die wachttermijn neemt echter in elk geval een einde na de bedoelde twintig dagen. Naargelang de snelheid waarmee de hogere tuchtoverheid haar voorlopig voorstel heeft geformuleerd en toegestuurd én de snelheid waarmee de om advies gevraagde instanties hun advies verleend hebben, beschikt de hogere tuchtoverheid dus over een langere of een kortere termijn om haar definitief voorstel te formuleren en ter kennis van de betrokkene te brengen. In dit systeem heeft het optreden van de adviesverlenende instanties dus gevolgen voor de termijn waarover de hogere tuchtoverheid beschikt na de ontvangst van de adviezen (of bij uitblijven ervan), maar kan de betrokkene in alle gevallen rekenen op een rechtszekere termijn van 35 dagen.
  28. Te dezen is de termijn van vijftien dagen, voor het formuleren en het toesturen van een voorlopig voorstel aan de minister van Justitie en de procureur des Konings, beginnen lopen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 38quater, d.i. na 10 april 2002 (of met ingang van 11 april 2002). Die termijn verstreek dus op 25 april
  29. Binnen die termijn, namelijk op 22 april 2002, heeft de minister van Binnenlandse Zaken zijn voorlopig voorstel aan de genoemde instanties toegestuurd. Deze beschikten over twintig dagen, dus tot 12 mei 2002, om hun advies mee te delen. Voor beide overheden gebeurde de mededeling binnen die termijn, namelijk op 25 april
  30. Vanaf dat ogenblik kon de minister van Binnenlandse Zaken zijn definitief voorstel ter kennis van de verzoeker brengen. Hij had daarvoor tijd tot 35 dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 38quater (op 10 april 2002), d.i. tot 15 mei
  31. De kennisgeving heeft te dezen plaatsgevonden op 3 mei 2002, d.i. binnen de termijn. Het eerste middel is niet gegrond. IX-3466-12/13
  32. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat heeft zijn verslag over de zaak overeenkomstig artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Het onderzoek van de zaak moet voortgezet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  33. De debatten worden heropend. Artikel
  34. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met verder onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3466-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.092 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.109.953 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.115.054 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.