← België

Arrest 181141 - Personeel van de griffies en parketten - 17/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.141 Rolnummer: A. 137954/IX-3823 Zaak: Arrest 181141 - Personeel van de griffies en parketten - 17/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 07:48 Fiche Arrest nr 181.141 van 17 maart 2008 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.141 van 17 maart 2008 in de zaak A. 137.954/IX-

  1. In zake : André MERCIER, wonende te WULPEN, Willibrordusstraat 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat André MERCIER op 12 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 4 april 2003 waarbij Wilfried VAN ENGELANDT wordt benoemd tot hoofdgriffier van het vredegerecht van het eerste kanton te Ieper; Gelet op het arrest nr. 159.934 van 12 juni 2006 waarbij de debatten worden heropend, aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld : “Schendt artikel 91 van de wet van 17 februari 1997 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten artikel 10 van de Grondwet, indien het wordt uitgelegd in de zin dat de houder van een getuigschrift van kandidaat-griffier, verkregen na de inwerkingtreding van de voornoemde wet, met het oog op een benoeming tot hoofdgriffier van een vredegerecht geen aanspraak kan maken op de toepassing in zijn voordeel van dit artikel, terwijl dit wel het geval is voor degene die op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wet reeds houder was van een getuig- schrift van kandidaat griffier?” en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat belast wordt met het verder onderzoek van de zaak na het antwoord van het Arbitragehof; IX-3823.-1/3 Gelet op het arrest nr. 54/2007 van het Arbitragehof van 28 maart 2007; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN ; Gelet op de beschikking van 4 juni 2007, die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partij op 25 juni 2007; Gelet op de kennisgeving door de hoofdgriffier, op 17 september 2007, van de mededeling bedoeld in artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: Naar luid van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. In het auditoraatsverslag is te dezen de verwerping van het beroep voorgesteld. De verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. IX-3823.-2/3 De hoofdgriffier heeft de verzoeker medegedeeld, met toepassing van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoeker binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepas- sing. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  3. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 maart 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3823.-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.141 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.