← België

Arrest 181146 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.146 Rolnummer: A. 147524/IX-4062 Zaak: Arrest 181146 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 07:48 Fiche Arrest nr 181.146 van 17 maart 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.146 van 17 maart 2008 in de zaak A. 147.524/IX-

  1. In zake :
  2. Josyane LAMPE,
  3. de EBVBA Internationale Rijschool Josy LAMPE, die woonplaats kiezen bij advocaten S. LALEEUW en J. VANDE MOORTEL, kantoor houdende te GENT, Groot-Brittanniëlaan 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaten B. DE GEEST, G. LENSSENS en N. VAN CAMPENHOUT, kantoor houdende te BRUSSEL, Jetselaan 32/
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Josyane LAMPE en de EBVBA Internationale Rijschool Josy LAMPE op 13 februari 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de minister van Mobiliteit van 16 januari 2004, waarbij de eerste verzoekster overeenkomstig artikel 27, § 4, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen gedurende een periode van drie maand met ingang van 1 maart 2004 wordt geschorst als directeur; Gelet op het arrest nr. 128.561 van 26 februari 2004 waarbij de EBVBA Internationale Rijschool Josy LAMPE buiten de zaak wordt gesteld en de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijk- heid van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 26 maart 2004 ingediend door de eerste verzoekende partij; IX-.4062.-1/4 Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederant- woord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. BARRA; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partijen op 3 juli 2007; Gelet op de kennisgeving door de hoofdgriffier, op 11 september 2007, van de mededeling bedoeld in artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  5. Naar luid van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. In het auditoraatsverslag is te dezen de verwerping van het beroep voorgesteld. De eerste verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De hoofdgriffier heeft de eerste verzoekende partij medegedeeld, met toepassing van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen zou IX-.4062.-2/4 vragen om te worden gehoord. De eerste verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing.
  6. De tweede verzoekende partij is bij het arrest nr. 128.561 van 26 februari 2004 “buiten de zaak gesteld”, op grond dat haar vordering onontvan- kelijk is. Met toepassing van artikel 15ter, § 1, van het K.B. van 5 december 1991 dient nog uitspraak gedaan te worden over de kosten van haar vordering. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  7. In hoofde van de eerste verzoekende partij wordt de afstand van het geding vastgesteld. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij. IX-.4062.-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 maart 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-.4062.-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.146 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.561 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.