← België

Arrest 181169 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.169 Rolnummer: A. 141103/IX-3908 Zaak: Arrest 181169 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-03 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 07:48 Fiche Arrest nr 181.169 van 17 maart 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.169 van 17 maart 2008 in de zaak A. 141.103/IX-

  1. In zake : Reginald LANDTSHEERE, die woonplaats kiest bij advocaat G. DUMOLEIN, kantoor houdende te POPERINGE, Ieperstraat 112 tegen : de Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Reginald LANDTSHEERE op 2 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissingen van de NV van publiek recht De Post, H.R.&O, Employee Relations, Tuchtstelsel, d.d. 27/03/2003 en 01/07/2003, aan verzoeker genotificeerd op 10/07/2003”, waarbij hem een terugzetting in graad naar de graad van sectiechef wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting door de verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-3908-1/6 Gehoord de opmerkingen van juriste L. VANHOOREN die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker postmeester met de graad van bureauchef in het postkantoor van Langemark- Poelkapelle. 1.
  3. Blijkens een niet-ondertekend verslag, neergelegd in het administratief dossier, werd met de verzoeker op 13 augustus 2002 een functione- ringsgesprek gehouden. Aan de verzoeker worden, specifiek wat de retail betreft, een aantal tekortkomingen verweten. Naar aanleiding hiervan worden een aantal afspraken met deadlines opgesteld. Een volgend onderhoud wordt gepland vóór 16 september
  4. Blijkens een tweede, evenmin ondertekend verslag, werd op 1 september 2002 een nieuw functioneringsgesprek gevoerd. Opnieuw worden een aantal afspraken met deadlines geformuleerd. 1.
  5. Op 7 november 2002 wordt het kantoor waar de verzoeker postmeester is onderworpen aan een audit. Deze doorlichting heeft in het bijzonder betrekking op de comptabiliteit, de veiligheid, de ambtsplichten, de Bank van de Post, het gebouw en de commerciële activiteiten. IX-3908-2/6 Daarbij komt het auditteam tot de volgende eindbeschouwingen: “Eindevaluatie: D Dhr. R. Landtsheere is de belichaming van alle eigenschappen die een postmeester niet mag bezitten wil hij een kantoor kunnen runnen. Deze stelling wordt geconcretiseerd door twee tendensen: 1/ Elk kantoor dat aan zijn beheer wordt toevertrouwd kent een drastische achteruitgang (Langemark-Poelkapelle). 2/ elk kantoor dat bevrijd wordt van zijn invloed kent een uitdrukkelijke vooruitgang (Cfr Vleteren, etc.). Betrokkene beweert zelf dat hij zich niet geroepen voelt voor de functie van postmeester maar dat het systeem hem brengt waar hij nu zit. De audit wenst wel te onderstrepen dat zij niet twijfelt aan de goede wil van Dhr. Landtsheere maar het kunnen is nog een ander paar mouwen. We denken dan ook dat Dhr. Landtsheere beter zou functioneren in ondergeschiktheid en dit in een niet-commerciële omgeving. Deze maatregel zou niet alleen ten gunste zijn van betrokkene maar vooral voor het personeel van het kantoor.” 1.
  6. Naar aanleiding van de in het auditrapport opgesomde gebreken, zendt de zonemanager Retail een zogenaamd “model 9”, vraag om inlichtingen, aan de verzoeker. De verzoeker antwoordt uitgebreid op de gestelde vragen. 1.
  7. Op 12 maart 2003 wordt aan de verzoeker een op 20 januari 2003 gedateerd document bezorgd, waarbij door de zonemanagers Retail en Mail de tuchtstraf “terugzetting tot graad van sectiechef” wordt voorgesteld. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “1/ op 7 november 2002 ter gelegenheid van de audit een eindevaluatie D te hebben bekomen. 2/ wegens het niet tegemoetkomen aan de afspraken reeds geformuleerd in het functioneringsgesprek van 13 augustus 2002: - het niet houden van operationele vergaderingen met de retailmedewer- kers. - slordig voorkomen ondanks betrokkene hier meermaals werd op gewezen tijdens bezoeken door zowel zonemanager mail als Retail. - geen actieplan te hebben opgesteld om de achterstand inzake VPO t.o.v. zonaal gemiddelde weg te werken.” 1.
  8. Op 12 maart 2003 wordt de verzoeker mondeling uitgenodigd voor een onderhoud op 19 maart 2003 betreffende dit voorstel van tuchtstraf. In een telefonisch onderhoud deelt de verzoeker mee dat hij het onderhoud niet zal bijwonen op het advies van zijn raadsman. IX-3908-3/6 1.
  9. Op 27 maart 2003 verklaart de verzoeker dat deze handelwijze is ingegeven “ten einde geen argumentatie te verliezen op de raad van beroep in opdracht van zijn raadsman”. Op diezelfde dag wordt dan beslist om aan de verzoeker de tuchtstraf “terugzetting tot de graad van sectiechef” op te leggen. De verzoeker wordt hiervan meteen in kennis gesteld. Hij geeft aan, gebruik te willen maken van zijn recht op beroep. 1.
  10. Op 11 juni 2003 verklaart de commissie van beroep zich met vier stemmen tegen twee akkoord met de opgelegde tuchtsanctie. De twee andere leden stellen een “tuchtschorsing gedurende een periode van vijf dagen” voor. 1.
  11. Op 1 juli 2003 beslissen de onmiddellijke chefs van de verzoeker dat, “rekening houdend met het hierboven vermelde ongunstig advies van de Commissie van beroep, de bestreden beslissing tot terugzetting in graad naar de graad van sectiechef definitief geworden is en dat er derhalve geen nieuwe beslissing moet getroffen worden”. De verzoeker wordt dan ook definitief de terugzetting in graad naar de graad van sectiechef opgelegd. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt door de verzoeker voor ontvangst ondertekend op 8 juli
  12. Over de gegrondheid van het beroep 2.
  13. De auditeur-verslaggever voert in zijn verslag ambtshalve een middel aan, ontleend aan de onbevoegdheid van diegene die de “eindevaluatie D” heeft toegekend. Het motief van de bestreden beslissing, naast het door de verzoeker niet tegemoet komen aan in het functioneringsgesprek van 13 augustus 2002 geformuleerde afspraken, was de op 7 november 2002 ter gelegenheid van een audit toegekende “eindevaluatie D”. De auditeur-verslaggever stelt dat deze eindevaluatie niet werd toegekend door het daartoe in het administratief statuut bevoegd verklaarde orgaan en dat de evaluatieprocedure zoals omschreven in de artikelen 29 tot en met 39 van dat administratief statuut evenmin werd gevolgd zodat er hoe dan ook niet kon worden overgegaan tot evaluatie. IX-3908-4/6 Artikel 32, vierde lid, van het administratief statuut van de postambtenaren stelt dat de evaluatie wordt voorgesteld door de onmiddellijke chef en door de evaluator in de loop van de maand januari wordt toegekend voor de referentieperiode van 1 januari tot 31 december van het afgelopen jaar en uitwerking heeft op 1 februari. Artikel 1 van het administratief statuut bepaalt dat, voor de toepassing van dat statuut, onder “evaluator” de onmiddellijke chef van de te evalueren ambtenaar wordt verstaan. De auditeur-verslaggever wijst erop dat het auditrapport en de daarbij uitgebrachte “eindevaluatie D” is opgesteld door een auditteam van 4 leden dat niet de onmiddellijke chef van de verzoeker is of als de onmiddellijke chef te beschouwen is, zodat het geen evaluatie kan toekennen. De auditeur-verslaggever besluit dat de “eindevaluatie D”, een draagkrachtig motief van de bestreden beslissing, is aangetast door een onwettigheid. Aangezien niet onomstotelijk vaststaat dat de verwerende partij, mocht zij geen rekening gehouden hebben met dit als onwettig bestempeld motief, eveneens de bestreden tuchtsanctie aan de verzoeker zou hebben opgelegd adviseert de auditeur-verslaggever de nietigverklaring van de bestreden beslissing. 2.
  14. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de auditeur- verslaggever in zijn verslag voorbijgaat aan het onderscheid tussen enerzijds de jaarlijkse persoonlijke evaluatie van een ambtenaar waarvan de regels zijn vastgelegd in de artikelen 29 tot en met 39 van het administratief statuut van de postambtenaren en anderzijds de evaluatie van postkantoren door auditoren van de afdeling regionale audit waarvan de regels niet in het administratief statuut zijn vastgelegd. Het auditrapport van 7 november 2002 is, aldus de verwerende partij, geen evaluatie in de zin van de artikelen 29 tot en met 39 van het administratief statuut maar een evaluatie van de werking van het kantoor. De verwerende partij stelt dat de tuchtprocedure “terugzetting in graad” correct gevolgd werd en niet gebaseerd was op een onwettige persoonlijke evaluatie maar op een auditverslag. Ter staving van deze argumentatie wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker voor het jaar 2002 een persoonlijke evaluatie C gekregen heeft, die niet het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de Raad van State, en dus te onderscheiden is van de evaluatie D gegeven door de auditoren. 2.
  15. De verwerende partij houdt terecht voor dat de eindevaluatie D werd toegekend naar aanleiding van een audit van het postkantoor, hetgeen niet te vergelijken is met de persoonlijke evaluatie van een ambtenaar waarvoor de regels zijn omschreven in de artikelen 29 tot en met 39 van het administratief statuut. Dergelijke audit is niet onderworpen aan voormelde regels van het administratief IX-3908-5/6 statuut, zodat het ambtshalve aangevoerde middel gesteund op de onbevoegdheid van de evaluatoren niet kan worden aangenomen.
  16. Het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat is beperkt tot het ambtshalve aangevoerde middel. Derhalve is er grond om de debatten te heropenen en een aanvullend onderzoek te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  17. De debatten worden heropend. Artikel
  18. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3908-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.169 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.579 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.