← België

Arrest 181192 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.192 Rolnummer: A. 72011/X-7053 Zaak: Arrest 181192 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:49 Fiche Arrest nr 181.192 van 18 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.192 van 18 maart 2008 in de zaak A. 72.011/X-

  1. In zake :
  2. Renier VAN LANGENDONCK (overleden),
  3. Christiane SAELS, die woonplaats kiezen bij advocaat B. BEELEN, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Renier VAN LANGENDONCK en Christiane SAELS op 8 november 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 september 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 1 februari 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hun de regularisatiebouwvergunning is verleend voor het oprichten van een paardenstal op een perceel gelegen te Sint-Truiden, Brukskensweg, kadastraal bekend sectie E, nr. 520/a, “tot de ordening van het betreffende woonuitbreidingsgebied definitief zal worden vastgelegd”; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-7053-1/11 Gelet op de beschikking van 27 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANSTIPELEN, die loco advocaat B. BEELEN verschijnt voor de tweede verzoekende partij, en van advocaat M. ROOSEN, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  5. De rechtspleging De verwerende partij heeft noch een memorie van antwoord, noch een administratief dossier neergelegd. Derhalve moeten de door de verzoekers aangehaalde feiten krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State als bewezen worden geacht, tenzij ze kennelijk onjuist zijn. De eerste verzoeker is overleden op 14 september
  6. Het geding werd niet hervat. Er is grond om de zaak in hoofde van de eerste verzoeker van de rol af te voeren.
  7. De feiten 1.
  8. De tweede verzoekster is eigenaar van een perceel grond gelegen te Sint-Truiden, Brukskensweg, gekadastreerd sectie E nr. 520 a. Zij heeft op dit perceel een paardenstal gebouwd met een grondoppervlakte van 13,14 m op 10,10 m en een hoogte van 2,20 tot 3 m. De stal werd opgericht in hout met een dak van metalen profielplaten. X-7053-2/11 1.
  9. De tweede verzoekster nam contact op met het stadsbestuur van Sint-Truiden voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning. 1.
  10. Op 21 maart 1995 deelt het college van burgemeester en schepenen de tweede verzoekster schriftelijk mee dat het in zitting van 10 maart 1995 tot het besluit is gekomen dat zij best een tijdelijke vergunning voor drie of vijf jaar zou aanvragen. 1.
  11. Op 6 april 1995 heeft de tweede verzoekster bij het college van burgemeester en schepenen van Sint-Truiden een volledig bouwdossier ingediend. 1.
  12. Op 28 april 1995 wordt door het college van burgemeester en schepenen een bouwvergunning afgegeven onder de voorwaarde dat de bedoelde paardenstal dient afgebroken te worden voor het verstrijken van de termijn van drie jaar. Dit besluit wordt door de gemachtigde ambtenaar om de volgende redenen geschorst: “Overwegende dat de beslissing van het college niet relevant is. Dergelijke aanvragen dienen voorafgaandelijk voor advies aan de gemachtigde ambtenaar te worden voorgelegd. Een tijdelijke vergunning mag nooit strekken tot het regulariseren van wederrechtelijk uitgevoerde werken of verrichte handelingen. Daarenboven is voor het wederrechtelijk oprichten van de paardenstal een procesverbaal van vaststelling opgesteld waarbij mijn dienst het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat heeft gevorderd (dd, 27.02.1995) (..)”. 1.
  13. De tweede verzoekster tekent hiertegen beroep aan bij de bevoegde minister. 1.
  14. Bij besluit van 2 juni 1995 trekt het college van burgemeester en schepenen dienvolgens haar besluit van 28 april 1995 in. 1.
  15. Tegen dit intrekkingsbesluit wordt door de tweede verzoekster op 22 juni 1995 hoger beroep aangetekend bij de bestendige deputatie van de provincieraad van de provincie Limburg. De bestendige deputatie komt tot de volgende bevindingen: “Overwegende dat het bouwperceel volgens het goedgekeurd gewestplan St. Truiden -Tongeren gesitueerd is in een woonuitbreidingsgebied, dat deze gebieden, volgens artikel 5§
  16. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen X-7053-3/11 en de gewestplannen, uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist; dat de ordening van het betrokken gebied nog niet volledig werd uitgewerkt in een bijzonder plan van aanleg; dat het kwestieuze gebied slechts ten dele werd ingenomen door groepswoningbouw en een gedeelte voor partikuliere woningbouw; Overwegende dat beroeper in zijn beroepschrift stelt dat geen vooraf- gaandelijk advies van de gemachtigde ambtenaar vereist was omdat het bouwperceel te situeren is binnen een bijzonder plan van aanleg; dat een bouwvergunning ter regularisatie van een geverbaliseerde constructie wel kan afgeleverd worden en dat in een dergelijke bouwvergunning wel reeds afbraak kan gevorderd worden na een termijn van drie jaar; dat tenslotte wordt opgemerkt dat het procesverbaal waarin de afbraak wordt gevorderd van kwestieuze stal, achterhaald is door de vergunning en derhalve geen reden meer zou mogen zijn om de afgeleverde vergunning terug in te trekken; Overwegende dat hieromtrent kan gesteld worden dat voor het betreffende gebied geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat zodat alleszins een voorafgaandelijk advies van de gemachtigde ambtenaar vereist is; dat voor de regularisatie van een geverbaliseerde constructie een bouwvergunning kan afgegeven worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke aanleg niet geschaad wordt; dat hieromtrent dient verwezen naar artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen; dat het toekennen van een bouwvergunning hier niet aangewezen is gelet op de verdere ruimtelijke ontwikkeling van het gebied; Overwegende dat beroeper, naar aanleiding van de hoorzitting, een gewijzigd plan heeft bijgebracht waarbij voorzien wordt in twee open rijen met een totale breedte van 7,4 m; Overwegende dat volgens artikel 44 § 3.
  17. van de stede(n)bouwwet onder bepaalde voorwaarden de geldigheidsduur van de vergunning kan worden beperkt en dit gedurende de periode die voorafgaat aan de verwezenlijking van de bij een wets- of verordeningsbepaling aangewezen definitieve bestemming; Overwegende dat onderhavige aanvraag in aanmerking kan genomen worden voor een tijdelijke vergunning; Overwegende dat het beroep kan worden ingewilligd voor een tijdelijke vergunning; dat deze vergunning komt te vervallen zodra de ordening van het betreffende woonuitbreidingsgebied definitief zal worden vastgelegd, Besluit. Artikel
  18. (...) ingesteld beroep wordt ingewilligd voor een tijdelijke vergunning. Vervolgens wordt aan de Heer R. Vanlangendonck-Saels een bouwvergunning verleend voor de op het bijgaande plan aangeduide werken tot de ordening van het betreffende woonuitbreidingsgebied definitief zal worden vastgelegd (..)”. 1.
  19. Op 15 februari 1996 stelt de gemachtigde ambtenaar beroep in bij de bevoegde minister tegen dit besluit van de bestendige deputatie. 1.
  20. Met het bestreden besluit wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd, op grond van volgende redenen : “( .. ) Overwegende dat het beroep de regularisatie van een in overtreding opgerichte paardestal en houten constructie van 13.20 m bij 10.20 m betreft; dat onder licht hellend lessenaarsdak de nokhoogte oploopt tot 6.30 m; dat het X-7053-4/11 gebouw is opgericht op een weideperceel aan de Brukskensweg op circa 49m van de rooilijn; dat de grond volgens het bij Koninklijk Besluit van 5 april 1977 vastgesteld gewestplan St. Truiden-Tongeren ondergebracht is in een woonuitbreidingsgebied; dat luidens de toepasselijke bepalingen vervat in artikel 5 § 1.1 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen de woonuitbreidingsgebieden uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist; dat geen bijzonder plan van aanleg of een goedgekeurde verkavelingsvergunning toepasselijk werd gemaakt voor onderhavige grond; dat de goedkeuring van een paardestal de toekomstige stede(n)bouwkundige aanleg hypothekeert, omdat door zijn ligging binnen het onaangesneden woonuitbreidingsgebied de constructie een verantwoorde aanleg van de plaats belet; dat anderzijds beroeper tijdens de beroepsprocedure bij de bestendige deputatie een gewijzigd bouwplan heeft ingediend waarbij twee open zijden met een totale breedte van 7.40 m wordt voorzien; dat de gemachtigde ambtenaar hierbij terecht stelt dat de bestendige deputatie de rechtsregels negeert (...); dat de bestendige deputatie slechts dan over gewijzigde bouwplannen kan oordelen nadat het college van burgemeester en schepenen zich over de gewijzigde plannen heeft kunnen uitspreken; Overwegende overigens dat voor de rechtbank van Hasselt mede op verzoek van de gemeente, de afbraak van de wederrechtelijke constructie werd gevorderd, dat het afgeven van een tijdelijke bouwvergunning tot regulariseren van wederrechtelijk uitgevoerde werken indruist tegen de rechtsregels en in geen geval mag strekken tot het goedkeuren van het bouwmisdrijf; (...)”.
  21. Ten gronde 3.
  22. Standpunt van de partijen 3.1.
  23. Het enig middel is in het verzoekschrift als volgt geformuleerd: “Enig middel genomen uit de schending van de wet op de motiverings- verplichting, machtsoverschrijding, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en van het bepaalde in artikel 5§ 1.
  24. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, doordat de Minister meent dat een stal met een vijftal paarden niet zou toegelaten zijn in een woonuitbreidingsgebied en aldaar de toekomstige stede(n)bouwkundige aanleg hypothekeert, en doordat anderzijds verzoekers tijdens de beroepsprocedure bij de bestendige deputatie een gewijzigd bouwplan hebben ingediend waarbij twee open zijden met een totale breedte van 7,40 m wordt voorzien en de bestendige deputatie slechts dan over gewijzigde bouwplannen kan oordelen nadat het college van burgemeester en schepenen zich over de gewijzigde plannen heeft kunnen uitspreken, en doordat luidens het bestreden ministerieel besluit voor de rechtbank te Hasselt, mede op verzoek van de gemeente, de afbraak van de wederrechtelijke constructie werd gevorderd en dat het afgeven van een tijdelijke bouw- vergunning tot regulariseren van wederrechtelijk uitgevoerde werken indruist tegen de rechtsregels en in geen geval mag strekken tot het goedkeuren van het bouwmisdrijf, X-7053-5/11 terwijl een stal tot het houden van een vijftal paarden wel degelijk toegelaten is in een woongebied én in een woonuitbreidingsgebied en er in casu geen sprake kan zijn van enige onverenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, terwijl er evenmin enige hypotheek kan gelegd worden op de verdere stede(n)bouwkundige ontwikkeling van het gebied daar de bestendige deputatie dit juist heeft ondervangen door in haar besluit te bepalen dat de bouwvergunning slechts wordt verleend tot de ordening van het betreffende woonuitbreidingsgebied definitief zal worden vastgelegd en terwijl de bestendige deputatie niet vermag uitspraak te doen zo er essentiële wijzigingen worden aangebracht aan de oorspronkelijke plannen, doch zulks geenszins het geval daar er enkel plannen werden ingediend waarbij de uitneembare schuifdeuren werden weggelaten en niets werd veranderd noch aan de omvang van de stal, de materialen of wat dan ook, en terwijl niets verbiedt dat een bouwvergunning wordt verleend om de instandhouding van reeds uitgevoerde en niet vergunde bouwwerken toe te laten, mits deze vergunning niet wordt afgegeven ter regularisatie van een overtreding van de geldende verordenende voorschriften, hetgeen in casu geenszins het geval is; Toelichting Aangezien uit het bestreden ministerieel besluit geenszins blijkt dat bedoelde paardestal onverenigbaar zou zijn met de onmiddellijke omgeving, wel in tegendeel; Dat blijkt dat de stal gelegen is langsheen een uitgeruste weg (asfalt, water, elektriciteit, riolering ) en op de aldaar gelegen plaats op geen enkele manier hinder kan teweegbrengen aan de omgeving; Dat krachtens artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 een woongebied bestemd is voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd; Dat deze vereiste tevens gelden voor woonuitbreidingsgebieden; Dat hoedanook de Minister nalaat aan te tonen dat er enige onverenig- baarheid zou bestaan met de onmiddellijke omgeving evenmin als zou bedoelde paardestal omwille van de goede ruimtelijke ordening in een daartoe aangewezen gebied afgezonderd dienen te worden en derhalve met dat gebied onbestaanbaar zijn; Dat nochtans bij de beoordeling van de reden van onbestaanbaarheid rekening dient gehouden te worden met de aard en de omvang van kwestieuze stal, waardoor de paardestal, inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening onder geen beding in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek storend karakter van het bedrijf (hetgeen in casu evenmin het geval is bv. residentiële wijk; dat bij de beoordeling van de reden van onverenigbaarheid uitgegaan dient te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk bepaald worden door de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten of door de bestemming die het bijzonder plan van aanleg of de verkavelingsvergunning aan die omgeving geeft; Dat de Minister aan dit alles echter geen aandacht heeft geschonken doch zonder meer stelt dat ‘de goedkeuring van een paardestal de toekomstige stede(n)bouwkundige aanleg hypothekeert, omdat door zijn ligging binnen het onaangesneden woonuitbreidingsgebied de constructie een verantwoorde aanleg van de plaats belet’, en hierdoor de in het middel aangehaalde rechtsbeginselen en -regels schendt; Dat er ten andere in het geheel geen sprake van kan zijn dat bedoelde paardestal de stede(n)bouwkundige ontwikkeling van het gebied in het gedrang X-7053-6/11 zou kunnen brengen, daar de paardestal hoedanook dient te verdwijnen van zodra deze ‘stede(n)bouwkundige ontwikkeling’ definitief werd vastgelegd; Dat ten deze voor alle duidelijkheid nogmaals weze herhaald dat luidens artikel 1 van het besluit van de bestendige deputatie de vergunning slechts van toepassing blijft ‘tot de ordening van het betreffende woonuitbreidingsgebied definitief zal worden vastgelegd’; Aangezien de bestendige deputatie inderdaad uitspraak heeft (gedaan) op basis van door verzoekende partijen aangepaste plannen; Dat dit echter in casu niet inhoudt dat de bestendige deputatie haar bevoegdheid is te buiten gegaan (...), om de eenvoudige reden dat er in casu geen sprake is van ‘essentiële wijzigingen’ aan de oorspronkelijke plannen; Verzoekende partijen brengen beide plannen bij : het enige wat aangepast is betreft de zijdeuren van de stal; Deze afneembare schuifdeuren werden op de eerste plannen getekend en weggelaten op de tweede plannen voor de bestendige deputatie; Noch de omvang van de stal (hoogte, lengte, breedte, indeling, ... ) noch de gebruikte materialen, of welk onderdeel dan ook van bedoelde stal werd gewijzigd opzichtens de oorspronkelijke plannen; Dat in de gegeven omstandigheden de Minister niet zonder miskenning van de in het middel aangegeven elementen, kon oordelen dat de bestendige deputatie haar bevoegdheid is te buiten gegaan; Dat aldus de Minister verkeerdelijk stelt dat de bestendige deputatie slechts dan over gewijzigde bouwplannen kan oordelen nadat het college van burgemeester en schepenen zich over de gewijzigde plannen heeft kunnen uitspreken: dit is enkel het geval zo het essentiële wijzigingen betreft, hetgeen in casu geenszins het geval is; Aangezien tot slot nog dient te worden beklemtoond dat de Minister evenzeer in strijd met de in dit middel aangehaalde bepalingen heeft geoordeeld dat de bestendige deputatie geen regularisatievergunning kon afleveren, gelet op de lopende strafprocedure; Dat het één uiteraard geen uitstaans heeft met het ander; Dat een eventuele latere vergunning alleen gevolgen resulteert voor wat betreft de instandhouding van het misdrijf, niet met het begaan van het bouwmisdrijf; Dat dientengevolge, zo de Minister de bouwvergunning niet had vernietigd, verzoekende partijen nog wel strafrechtelijk konden veroordeeld worden (wederrechtelijke oprichting en instandhouding gedurende een bepaalde periode) doch zulks wel zijn gevolg zou hebben op de eventueel uit te spreken herstelmaatregel; Dat het verzoekende partijen echter onbekend is dat in voorkomend geval een regularisatievergunning in strijd is met ‘de rechtsregels’; Dat de bouwvergunning mag worden verleend om de instandhouding van reeds uitgevoerde en niet vergunde bouwwerken toe te laten, mits deze vergunning niet wordt afgegeven ter regularisatie van een overtreding van de geldende verordenende voorschriften, wat in deze geenszins het geval is (...); Dat het aangehaalde middel in al zijn onderdelen als ernstig dient te worden weerhouden”. 3.1.
  25. In de toelichtende memorie voegt de tweede verzoekster hier nog het volgende aan toe: “Dat de Minister besliste dat de goedkeuring van een paardenstal de toekomstige stede(n)bouwkundige aanleg hypothekeert, omdat door zijn ligging X-7053-7/11 binnen het onaangesneden woonuitbreidingsgebied de constructie een verantwoorde aanleg van de plaats belet; Dat er echter geen sprake kan zijn dat bedoelde paardenstal de stede(n)bouw-kundige ontwikkeling van het gebied in het gedrang zou kunnen brengen, daar de paardenstal hoedanook dient te verdwijnen van zodra deze ‘stede(n)bouw-kundige’ontwikkeling definitief wordt vastgelegd, Dat nogmaals weze herhaald dat de bestendige deputatie luidens artikel 1 van het besluit de vergunning slechts verleende ‘tot de ordening van het betreffende woonuitbreidingsgebied definitief zal worden vastgelegd’; Dat eveneens het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Sint-Truiden op 1 september 1995, dus na de intrekking van de reeds voorheen verleende bouwvergunning een gunstig advies verleende met beperking in tijd tot het aansnijden van het woonuitbreidingsgebied, Dat het vergunnen van een paardenstal met beperking in tijd, daar verzoekers tot afbraak zullen overgaan van zodra de definitieve ordening van het woonuitbreidingsgebied zal gerealiseerd zijn, niemand kwaad doet, integendeel de grond nuttig maakt tot de definitieve ordening van het gebied en de latere bewoners van het woonuitbreidingsgebied een ‘vruchtbare’ bodem oplevert; Dat het ministerieel besluit overigens verkeerdelijk stelt dat voor de rechtbank van Hasselt, mede op verzoek van de Gemeente, de afbraak van de wederrechtelijke constructie werd gevorderd, Dat integendeel enkel de gemachtigde ambtenaar de afbraak vordert, zoals hij in zijn brief dd. 27.02.1995 meedeelde en niet de gemeente die een bouwvergunning afleverde dd.28.04.1995, bouwvergunning die weliswaar terug werd ingetrokken ingevolge schorsingsbesluit van de gemachtigd ambtenaar, maar waarna de Gemeente dd. 1 september 1995 opnieuw gunstig adviseerde in tijd omtrent het aansnijden van het woonuitbreidingsgebied; Dat wat verzoeker vraagt, een tijdelijke vergunning tot de definitieve ordening van het woonuitbreidingsgebied, dus kennelijk niet als onredelijk kan worden beschouwd”. 3.1.
  26. In haar laatste memorie voegt de tweede verzoekster hier nog het volgende aan toe: “Het is inderdaad zo dat artikel 5 §
  27. van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen bepaalt dat woonuitbreidingsgebieden uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist... Ten onrechte menen verzoekers dat de auditeur hier de conclusie uit trekt dat gelet op het gegeven dat een paardenstal geen groepswoningbouw uitmaakt, een paardenstal onverenigbaar is met de bestemming van woonuitbreidingsgebied; Naar de mening van verzoekende partijen houdt een correcte interpretatie van artikel 44 § 3 van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 alwaar bepaald wordt dat de geldigheidsduur van een vergunning kan worden beperkt wanneer het gaat om de oprichting van bouwwerken of om de uitvoering van aan een vergunning onderworpen werken gedurende de periode die voorafgaat aan de verwezenlijking van de bij een wets- of verordeningsbepaling aangewezen definitieve bestemming, in dat zolang het woonuitbreidingsgebied niet definitief bestemd wordt ( zoals momenteel voor) groepswoningbouw er een vergunning kan worden afgeleverd voor andere vergunningsplichtige werken doch onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het een tijdelijke vergunning is totdat de verwezenlijking gebeurt van de bij wets- of verordeningsbepaling X-7053-8/11 aangewezen definitieve bestemming (momenteel is dit dus groepswoningbouw); Dat een tijdelijke vergunning voor de oprichting van een paardenstal op grond van artikel 44 § 3 wel degelijk mogelijk moet geacht worden in een woonuitbreidingsgebied nu hiermede geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige bestemming van het woonuitbreidingsgebied als dienende voor groepswoning- bouw; Dat immers eveneens gekeken dient te worden naar de feitelijke situatie alwaar het op het gewestplan ingekleurde woonuitbreidingsgebied als weide in gebruik is en uiteraard deze weide moet onderhouden worden hetgeen verzoekende partijen doen door het laten grazen hierop van een 5-tal paarden; Het spreekt voor zich dat deze paarden over de nodige beschutting tegen weer en wind dienen te beschikken gelet op het gure Belgische weer; Dat verzoekers trouwens steun menen te kunnen vinden met betrekking tot deze stelling in de omzendbrief R.O./2002/01 houdende richtlijnen voor de beoordeling van aanvragen om een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren, geen betrekking hebbend op effectieve beroepslandbouwbedrijven; Blijkens die omzendbrief komen eveneens tijdelijke stallingen in aanmerking voor het afleveren van een stedenbouwkundige vergunning dewelke gelegen zijn in de ruimtelijke kwetsbare gebieden; Het spreekt voor zich dat bijvoorbeeld het aanvragen van een stalling in een natuurgebied strijdig is met de planologische bestemming als natuurgebied doch blijkens de omzendbrief kan hier een stedenbouwkundige vergunning worden voor afgeleverd mits het voldoen aan een aantal voorwaarden; Verzoekers menen dat dan ook naar analogie dient geredeneerd te worden en dat een tijdelijke stalling van paarden in woonuitbreidingsgebied in afwachting van de daadwerkelijke realisatie van de bestemming van het woonuitbreidings-gebied zij het nu voor groepswoningbouw dan wel via een BPA of verkaveling, een tijdelijke stalling dient te worden toegelaten mede gelet op het feit dat de percelen momenteel gebruikt worden voor begrazing door weidedieren welke dus eveneens zorgen voor het onderhoud van de percelen en deze weidedieren toch over de nodige stalling dienen te beschikken. Voor het overige wordt integraal verwezen naar het neergelegde verzoekschrift tot nietigverklaring”. 3.
  28. Beoordeling 3.2.
  29. De tweede verzoekster betwist niet dat de grond luidens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 april 1977 vast- gestelde gewestplan Sint-Truiden-Tongeren is gelegen in woonuitbreidingsgebied en dat geen bijzonder plan van aanleg of goedgekeurde verkavelingsvergunning geldt voor de betrokken grond. 3.2.
  30. Artikel 5,1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewest- plannen bepaalt wat volgt: X-7053-9/11 “De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoning- bouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor”. Er wordt niet betwist dat de bevoegde overheid nog niet heeft beslist over de ordening van het gebied zoals bedoeld in voormelde bepaling. Op het betrokken perceel is dus enkel “groepswoningbouw” toegelaten. 3.2.
  31. Artikel 44, §3, 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, luidde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit als volgt: “§
  32. De geldigheidsduur van de vergunning kan worden beperkt: (...)
  33. Wanneer het gaat om de oprichting van bouwwerken of om de uitvoering van aan vergunning onderworpen werken gedurende de periode die voorafgaat aan de verwezenlijking van de bij een wets- of verordeningsbepaling aangewezen definitieve bestemming”. Deze bepaling houdt niet in dat bij het toekennen van een “tijdelijke bouwvergunning” de bevoegde overheid mag afwijken van de geldende gewestplanbestemming. Ze laat alleen toe desgevallend de geldigheidsduur van een vergunning te beperken. Het middel is derhalve ongegrond. OM DE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  34. De zaak wordt van de rol afgevoerd in hoofde van de eerste verzoeker. Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. X-7053-10/11 Artikel
  36. De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen voor de helft ten laste van de nalatenschap van de eerste verzoeker, en voor de helft ten laste van de tweede verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van mevr. Ch. BAMPS, wettelijk verhinderd na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-7053-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.