id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.195 Rolnummer: A. 67344/X-7251 Zaak: Arrest 181195 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 07:49 Fiche Arrest nr 181.195 van 18 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.195 van 18 maart 2008 in de zaak A. 67.344/X-
- In zake : Nathalie DERYCKERE, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nathalie DERYCKERE op 29 januari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 november 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij de door haar ingediende bouwaanvraag (regularisatie) voor het heropbouwen van een woning gelegen aan de Vitseroelstraat 19 te Ternat, op een perceel kadastraal bekend sectie B nrs. 359/h, 357/d en 358/d, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 66.656 van 9 juni 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 18 juli 1997 ingediend door de verzoekster; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-7251-1/7 Gelet op de beschikking van 18 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekster; Gelet op de beschikking van 8 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Het wordt niet betwist dat de verzoekster eigenaar is van een hoeve met bijhorende grond aan de Vitseroelstraat 19 te Ternat, kadastraal bekend onder sectie B, nrs. 359/h, 357/d en 358/d. 1.
- Het onroerend goed ligt volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, in natuurgebied. 1.
- De bouwaanvraag van de verzoekster van 18 maart 1993 strekkende tot het “verbouwen van een gezinswoning” wordt door het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 24 juni 1993 geweigerd na ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. X-7251-2/7 1.
- De verzoekster dient onmiddellijk een nieuwe bouwaanvraag voor werken en handelingen van geringe omvang in. Het college van burgemeester en schepenen verleent dan op 30 juni 1993 de bouwvergunning strekkende tot “herstelling, instandhouding en onderhoudswerken, vervanging van dakkepers en houtwerk met behoud van bestaande dakpannen, vernieuwen van rotte vensters en deuren”. 1.5.
- De verzoekster dient vervolgens op 22 april 1994 een nieuwe aanvraag in strekkende tot “regularisatie woning”. 1.5.
- De gemachtigde adviseert op 28 juni 1994 ongunstig: “De regularisatiaanvraag heeft betrekking op het slopen van een bouwvallige woning en oprichten van een nieuwe woning op een perceel gesitueerd in natuurgebied (...) De aanvraag is in strijd met de bepalingen van art. 13 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen. Proces-verbaal werd opgesteld voor deze werken en de herstelmaatregel werd voorgesteld (...)”. 1.5.
- Het college van burgemeester en schepenen weigert hierop de regularisatievergunning. 1.5.
- Het administratief beroep van de verzoekster tegen dit weigeringsbesluit wordt door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verworpen: “(...) Overwegende dat het ontwerp het regulariseren beoogt van een nieuwbouwwoning (...) Overwegende dat (...) het betrokken perceel grond gelegen is in een natuurgebied; Overwegende dat krachtens artikel 1.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 (...) de groengebieden (zijn) bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu; dat het ontwerp in strijd is met deze bepalingen; Gelet op het ongunstig advies uitgebracht door de provinciale Technische Dienst (...) als volgt opgesteld: ‘Krachtens het besluit van de Vlaamse regering dd. 20 juli 1994, kunnen afwijkingen van de voorschriften van de gewestplannen, zoals bedoeld in artikel 79 van de stedenbouwwet niet worden toegestaan indien het bouwwerk gesitueerd is in ondermeer een natuurgebied. Overigens is bij mogelijke afwijkingen in toepassing van artikel 79 niet voorzien dat een volledige wederopbouw kan plaatsvinden. X-7251-3/7 Het college van burgemeester en schepenen heeft op 30 juni 1993 een vergunning verleend voor onderhouds- en instandhoudingswerken aan de bestaande woning. Deze vergunning kan geenszins aanleiding zijn om thans, na afbraak van de bestaande woning, af te wijken van de voorschriften van het K.B. dd. 28 december
- (...)”. 1.6.
- De verzoekster dient voorts op 29 maart 1995 een nieuwe bouwaanvraag in strekkende tot het “herbouwen van woning”. De aanvraag wordt behandeld met toepassing van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de Stedenbouwwet). 1.6.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend waarna het college van burgemeester en schepenen het volledige dossier op 20 april 1995 overmaakt aan het hoofdbestuur van AROHM met een gunstig advies “gezien hier een gebouw stond waarvoor nu aanpassingswerken voorzien zijn”. 1.6.
- Het college van deskundigen adviseert unaniem ongunstig op 6 september 1995: “(...) De aanvraag tot het regulariseren van de heropbouw van de woning in het natuurgebied werd ingediend op 22 april
- Dit is na 22 augustus
- Het College van Deskundigen adviseert unaniem de onontvankelijkheid”. 1.6.
- Bij ministerieel besluit van 16 november 1995 wordt de aanvraag van de verzoekster onontvankelijk verklaard. Dit is het bestreden besluit.
- De ontvankelijkheid 2.
- Het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de Stedenbouwwet, waarvan de bepalingen werden opgenomen in bijlage 2 gevoegd bij het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, werd opgeheven door artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: het decreet van 18 mei 1999). X-7251-4/7 2.
- Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing zou de bevoegde minister niet toelaten een nieuw besluit te nemen op grond van het voornoemde decreet van 13 juli 1994, omdat de thans geldende regelgeving niet meer voorziet in een bijzondere procedure met een college van deskundigen dat, na advies van het college van burgemeester en schepenen, rechtstreeks aan de bevoegde minister advies verleent. Daar deze procedure niet meer van toepassing is, zal de verzoekster een nieuwe bouwaanvraag moeten indienen zoals voorzien in het decreet van 18 mei
- 2.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekster dat “het niet uitgesloten is dat op de dag dat de bevoegde minister opnieuw uitspraak doet over het beroep de regeling andermaal gewijzigd is” zodat zij “een rechtstreeks, persoonlijk en actueel belang” behoudt. Die bewering is niet meer dan een loutere hypothese mede gelet op het vorenstaande in randnummer 2.
- Het belang moet zeker zijn, zodat een zuiver eventueel of potentieel belang niet volstaat. 2.4.
- De verzoekster vraagt in de laatste memorie aan de Raad van State minstens alvorens recht te doen de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof : “- Schenden art. 171 van het decreet van 18 mei 1999 en art. 19.1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samengelezen met het grondrecht van art. 13 van de Grondwet, doordat de voornoemde artikelen, ten gevolge van de opheffing van art. 87 zonder overgangsperiode en ten gevolge van de eis van een “actueel en rechtstreeks” belang, dat niet mag bestaan in de verkrijging van het bewijs van een fout in hoofde van de administratie, zonder redelijke verantwoording een onderscheid van behandeling maken tussen eenzelfde categorie van rechtsonderhorigen, namelijk de rechtsonderhorigen die een aanvraag hebben ingediend conform art. 87 van de wet van 29 maart 1962, zoals gewijzigd door art. 2 van het decreet van 14 juli 1993, en die overeenkomstig dat artikel recht hebben op een definitieve uitspraak over hun aanvraag, terwijl het gelijkheidsbeginsel eist dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden, d.w.z. dat rechtsonderhorigen die een aanvraag hebben ingediend op grond van art. 87 van de wet van 29 maart 1962 in gelijke mate recht hebben op een definitieve beslissing over de ingediende aanvraag en dat zij hangende de procedure niet mogen afgetrokken worden van de rechter, die hen bij wet is toegekend? - Schendt art. 171 van het decreet van 18 mei 1999 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat art. 171 van het nieuwe decreet wel in een overgangsperiode voorziet voor aanvragen, die ingediend zijn op grond van de in de coördinatie opgenomen bepalingen, die daardoor wel nog belang hebben bij de afwikkeling van de annulatieprocedure over de wettigheid van de beslissing over hun bouwaanvraag, X-7251-5/7 terwijl de tekstgeschiedenis op geen enkele wijze verantwoordt waarom een overgangsperiode ten behoeve van de overschakeling van het bestaande naar het nieuwe vergunningstelsel enkel noodzakelijk is voor aanvragen op grond van de in de coördinatie opgenomen bepalingen en niet noodzakelijk is voor aanvragen op grond van de niet in de coördinatie opgenomen bepalingen?”. 2.4.
- Op dit verzoek wordt niet ingegaan. De eerste vraag gaat immers uit van de opheffing van artikel 87 en niet van de opheffing van artikel 79 van de Stedenbouwwet, zoals gewijzigd door de respectieve decreten van 13 juli
- De verzoekster heeft geen belang bij het antwoord op de eerste vraag. De verzoekster gaat er in de tweede vraag aan voorbij dat de opheffing door het bepaalde in het tweede lid van artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 van de bepalingen van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de Stedenbouwwet, zonder overgangsperiode, in de tekst van het decreet zelf verantwoord wordt. In het tweede lid van dit artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 gaat het om, anders dan in het eerste lid van dit artikel, “voorbijgestreefde bepalingen” die werden opgeheven. De verzoekster gaat er zodoende in haar tweede vraag ten onrechte van uit dat voor het onderscheid in artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 geen enkele verantwoording zou zijn gegeven. De vraag moet niet worden gesteld omdat ze gesteund is op een verkeerde premisse. 2.
- Om voormelde redenen is het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk wegens het ontbreken van het wettelijk vereiste zeker en actueel belang. Door de verzoekster werd op haar verzoekschrift tot voortzetting zegels ter waarde van 173,53 euro gekleefd terwijl het verzoekschrift tot nietigverklaring reeds gezegeld was voor 99,16 euro. Er werd derhalve 173,53 euro ten onrechte betaald en er bestaat aanleiding toe dit bedrag terug te betalen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-7251-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeksters. Het door de verzoekster op het verzoekschrift tot voortzetting onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 173,53 euro, dient te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-7251-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.195 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.66.656 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div