id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.197 Rolnummer: A. 132772/X-11287 Zaak: Arrest 181197 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:49 Fiche Arrest nr 181.197 van 18 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.197 van 18 maart 2008 in de zaak A. 132.772/X-11.
- In zake : Daniël VERBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël VERBEKE op 7 februari 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 13 december 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning tot een meergezinswoning op een perceel gelegen te Deinze (Gottem), aan de hoek van de Oude Heirbaan met de Ardense Jagersstraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 93/a4; Gelet op het arrest nr. 133.408 van 30 juni 2004 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; Gelet op het arrest nr. 161.910 van 22 augustus 2006 waarbij de debatten worden heropend en aan het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, de volgende vraag wordt gesteld: “Schendt artikel 53, §2, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in de versie vóór de wijziging ervan bij het decreet van 21 november 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat X-11.287-1/4 de aanvrager in geval van beroep van de gemachtigde ambtenaar recht heeft op een gelijktijdige mededeling van alle bijlagen, d.w.z. niet enkel de stukken die betrekking hebben op toelichtingen bij of motieven van het beroepschrift en die derhalve dagtekenen van na de beslissing van de bestendige deputatie, waarin argumenten tegen deze beslissing worden verwoord of waaruit zulke argumenten zijn af te leiden, maar ook de stukken van het administratief dossier, die duidelijk en uitsluitend voorafgaan aan de beslissing van de bestendige deputatie en derhalve aan de aanvrager bekend zijn, terwijl de aanvrager geen mededeling ontvangt van dezelfde stukken, zelfs niet van de stukken die dateren van na de beslissing van de bestendige deputatie, indien het beroep uitgaat van het college van burgemeester en schepenen of van de aanvrager zelf?”; Gelet op het arrest nr. 69/2007 van 26 april 2007 waarbij het Grondwettelijk Hof beschikt op de in voormeld arrest nr. 161.910 gestelde prejudiciële vraag; Gelet op de beschikking van 11 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : Het arrest nr. 69/2007 van 26 april 2007 van het Grondwettelijk Hof zegt voor recht wat volgt: “- Artikel 53, §2, eerste lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in de redactie vóór de wijziging ervan bij het decreet van 21 november 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het een onderscheid maakt op grond van de aard van de stukken waarvan aan de aanvrager van een vergunning kennis moet worden gegeven naargelang het beroep bij de Vlaamse Regering door de gemachtigde X-11.287-2/4 ambtenaar dan wel door de aanvrager of door het college van burgemeester en schepenen wordt ingesteld. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij geen onderscheid maakt op grond van de aard van de stukken waarvan aan de aanvrager van een vergunning kennis moet worden gegeven naargelang het beroep bij de Vlaamse Regering door de gemachtigde ambtenaar dan wel door de aanvrager of door het college van burgemeester en schepenen wordt ingesteld”. Uit het onderzoek van het eerste middel in het arrest nr.161.910 waarbij de debatten werden heropend, blijkt dat de Raad van State het artikel 53, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, zo interpreteert dat de aanvrager bij de aanzegging van het beroep op gelijke voet moet worden gesteld met de gemachtigde ambtenaar en dus geen onderscheid maakt op grond van de aard van de stukken waarvan aan de aanvrager van een vergunning kennis moet worden gegeven naargelang het beroep bij de Vlaamse regering door de gemachtigde ambtenaar dan wel door de aanvrager of door het college van burgemeester en schepenen wordt ingesteld. Het Grondwettelijk Hof bevestigt aldus de interpretatie die door de Raad van State aan de voormelde bepaling wordt gegeven als een grondwetsconforme interpretatie. De aanvrager moet bijgevolg over het beroepschrift en over de stukken kunnen beschikken, waarover de minister beschikt, met name het beroepschrift en al zijn bijlagen. Het betoog van de verwerende partij in de laatste memorie doet geen afbreuk aan het voorgaande. Het in het arrest nr. 161.910 onderzochte eerste middel is om de in dat arrest vermelde redenen gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 22 november 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 13 december 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen wordt ingewilligd en aan Daniël VERBEKE de X-11.287-3/4 stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning tot een meergezinswoning op een perceel gelegen te Deinze (Gottem), aan de hoek van de Oude Heirbaan met de Ardense Jagersstraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 93/a
- Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van mevr. Ch. BAMPS, wettelijk verhinderd na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.287-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.197 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.408 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.910 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div