← België

Arrest 181244 - Dienst Vreemdelingenzaken - 18/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.244 Rolnummer: A. 136301/XIV-14982 Zaak: Arrest 181244 - Dienst Vreemdelingenzaken - 18/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-27 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-07-02 22:37 Fiche Arrest nr 181.244 van 18 maart 2008 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.244 van 18 maart 2008 in de zaak A. 136.301/XIV-14.982. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. HEYLEN, kantoor houdende te 2270 HERENTHOUT, Langstraat 128 B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Colombiaanse nationaliteit, op 5 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 april 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk werd verklaard; Gelet op het arrest nr. 139.132 van 12 januari 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2008; XIV-14.982-1/15 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. HEYLEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Colombiaanse nationaliteit, komt, samen met haar minderjarig kind Sthefany, in België binnen op 19 maart 2001, waar zij zich op 21 maart 2001 vluchteling verklaart. 1.2. Op 3 april 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 21 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal de hierboven vermelde beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.4. Verzoekster dient bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring alsmede een verzoek tot schorsing in van deze bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 mei 2001. Op 16 april 2002 verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 105.531 het door verzoekster ingediende beroep tot nietigverklaring alsmede het door haar ingediende verzoek tot schorsing. 1.5. Op 12 juni 2001 dient verzoekster een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De aanvraag wordt door verzoekster verder aangevuld op 1 november 2001, op 1 maart 2002, op 22 april 2002, op 8 mei 2002, op 17 mei 2002, op 13 juni 2002 en op 9 juli 2002. XIV-14.982-2/15 1.6. Op 8 april 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt : “(...) Mijnheer de Burgemeester, Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij u werd ingediend door: XXX + dochter nationaliteit : Colombia geboren te Funza Cundinamarca op 08/05/1965 ex-kandidaat vluchteling in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden (

  1. en): De redenen die aangehaald worden om het verblijf toe te staan zijn onvoldoende: Iedere aanvraag van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk moet in principe ingediend worden via de Belgische diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het zich beroepen op uitzonderlijke omstandigheden, die het indienen van de aanvraag via de gewone procedure in het land van herkomst of in het land waar de vreemdeling gemachtigd is te verblijven, onmogelijk maken, voldoet niet aan de inhoudelijke voorwaarden art.9, al.3. Dat de betrokkene sociale banden heeft opgebouwd in België, dat ze een uitgebreide kennissen- en vriendenkring heeft, dat ze goed geïntegreerd en actief is in verschillende organisaties en dat ze Nederlandse taallessen volgt, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art. 9 van de vreemdelingenwet in België verantwoorden. De betrokkene wist dat haar verblijf enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag en dat ze bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. Wat de elementen met betrekking tot integratie betreft, deze kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art. 9,2 van de vreemdelingenwet ingediend wordt. Het feit dat het minderjarige dochtertje hier naar school gaat en de zus van de betrokkene wettig in België verblijft, verandert niets aan bovenstaande vaststellingen. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. De betrokkene kreeg door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een negatieve beslissing die stelt dat er dient worden vastgesteld dat de verklaringen van de betrokkene doorheen de asielprocedure meerdere tegenstrijdige en ongerijmde elementen bevatten die ernstig afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van haar vluchtrelaas. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stelt verder : "Bovenstaande tegenstrijdigheden en anomalieën zijn zodanig flagrant dat ze betrokkenes vluchtrelaas in een bedrieglijk daglicht stellen". Artikel 9, al. 3 kan trouwens niet gehanteerd worden als rechtsmiddel tegen een verwijderingsmaatregel: een verzoek dat ingediend wordt op basis van art. 9, al. 3 van de wet van 15/12/1980 dat in feite neerkomt op een beroep tegen, een beslissing tot verwijdering van het grondgebied wordt onontvankelijk verklaard. De niet- terugleidingsclausule van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bovendien niet meer actueel zoals bleek uit telefonisch contact op 08/04/2003 met het Commissariaat. Ook de Raad van State besloot op 16/04/2002 tot verwerping van het verzoek tot nietigverklaring. (...).”. XIV-14.982-3/15 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Enig middel, genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit de schending van art. 9 alinea 3 en art 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit de afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. Algemene inleiding voorafgaand aan de verschillende onderdelen van het middel 1. De tegenpartij heeft het verzoek tot aflevering van een verblijfsvergunning aan verzoekster op grond van art. 9 alinea 3 van de wet van 15 december 1980 onontvankelijk verklaard. De tegenpartij stelde in de bestreden beslissing van 08.04.2003 onder meer: «Dat de betrokkene sociale banden heeft opgebouwd in België, dat ze een uitgebreide kennissen- en vriendenkring heeft, dat ze goed geïntegreerd en actief is in verschillende organisaties en dat ze Nederlandse taallessen volgt, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art. 9 van de vreemdelingenwet in België verantwoorden. De betrokkene wist dat haar verblijf enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag en dat ze bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. Wat de elementen met betrekking tot integratie betreft, deze kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art. 9, 2 van de vreemdelingenwet ingediend wordt. Het feit dat het minderjarige dochtertje hier naar school gaat en de zus van de betrokkene wettig in België verblijft, verandert niets aan bovenstaande vaststellingen. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. De betrokkene kreeg door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een negatieve beslissing (...) Artikel 9, al. 3 kan trouwens niet gehanteerd worden als rechtsmiddel tegen een verwijderingsmaatregel: een verzoek dat ingediend wordt op basis van art. 9, al. 3 van de wet van 15.12.1980 dat in feite neerkomt op een beroep tegen een beslissing tot verwijdering van het grondgebied, wordt onontvankelijk verklaard. De niet-terugleidingsclausule van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bovendien niet meer actueel zoals bleek uit telefonisch contact op 08.04.2003 met het Commissariaat. Ook de Raad van State besloot op 16.04.2002 tot verwerping van het verzoek tot nietigverklaring». Tegenpartij heeft in haar beslissing niet voldaan aan o.a. haar motiveringsplicht, zoals blijkt uit de hierna uiteengezette argumentatie. 2. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift een uitgebreide en gedetailleerde uiteenzetting gegeven van de buitengewone omstandigheden, welke rechtvaardigen dat verzoekster haar aanvraag voor een verblijfsvergunning in België heeft ingediend. Het verzoekschrift stelde onder meer (stuk 13): «Mevrouw XXX is van Colombiaanse nationaliteit en afkomstig uit Colombia. Gezien de situatie van burgeroorlog waarin Colombia zich momenteel bevindt, is zij in de onmogelijkheid om naar Colombia terug te keren om daar een verblijfsvergunning aan te vragen. Een terugkeer naar Colombia zou inderdaad voor haar en voor haar dochtertje te gevaarlijk zijn en zou haar leven en die van haar dochter in gevaar brengen. Ook als een dergelijke terugkeer objectief mogelijk is, is het gevaar dat eraan verbonden is te beschouwen als een «buitengewone omstandigheid» zoals voorzien in de wet, die een terugkeer onmogelijk maakt. XIV-14.982-4/15 De Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen oordeelt ook dat een terugkeer naar Colombia voor verzoekster te gevaarlijk is en heeft dan ook in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van 21 mei 2001 een niet- repatriëringsclausule voorzien, luidende als volgt: «De Commissariaat-Generaal meent evenwel dat, gezien de toestand in diens land van oorsprong, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is, dat betrokkene naar Colombia zou terugkeren». De Commissaris-generaal geeft hiermee een persoonlijk advies over de situatie van mevrouw Castro en oordeelt dat het voor haar te gevaarlijk is om naar Colombia terug te keren. Ook de rapporten van internationale organisaties maken duidelijk dat Colombia in staat van «burgeroorlog» en «gewapend conflict» verkeert en dat de veiligheid van de burgers niet verzekerd kan worden. Zo verklaart Human Rights Watch in zijn rapport 2001 dat «All parties to the conflict routinely committed violations of international humanitarian law ( ... )» . Bovendien kan vanwege de Colombiaanse autoriteiten geen bescherming gekregen worden, zo verklaart HRW dat «there continued to be abundant, detailed, and continuing evidence of direct collaboration between the military and paramilitary groups». Amnesty International spreekt van een gewapend conflict met voortdurende schending van mensenrechten. «The human rights crisis continued to deepen against a background of a spiralling armed conflict». (zie Amnesty International report 2001). Het is duidelijk dat het in die omstandigheden voor verzoekster in ieder geval heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om terug te keren naar Colombia om daar een machtiging tot verblijf in te dienen en op een antwoord te wachten. Bovendien is verzoekster in Colombia, en dit zowel in Funza als in Bogota slachtoffer geweest van ernstige bedreigingen, zoals blijkt uit haar asieldossier. Zij vreest terecht nog steeds voor haar leven en vreest dat de ernstige doodsbedreigingen worden waargemaakt. Zij kan omwille van die vervolgingen, die plaats hadden ondanks de verhuizingen, de veiligheid van haar dochtertje niet meer verzekeren. Tenslotte moet opgemerkt worden dat verzoekster een verzoekschrift tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingediend bij de Raad van State tegen de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door de Commissaris-generaal. Zij wacht dus nog steeds op een definitieve uitspraak over haar asielaanvraag (...) Al deze omstandigheden verhinderen bijgevolg verzoekster om een machtiging van verblijf aan te vragen bij de Belgische diplomatieke post in haar land van herkomst aan te vragen en zij doet dus terecht toepassing van het artikel 9, 3/ van de Vw.» 3. Terzake dient verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State inzake art. 9 alinea 3 Vreemdelingenwet: Uitzonderlijke omstandigheden zijn geen omstandigheden van overmacht, maar het volstaat dat de vreemdeling aantoont dat het hem onmogelijk of bijzonder moeilijk is terug te keren om in zijn land van herkomst of in een land waar het hem is toegestaan te verblijven, de bedoelde machtiging aan te vragen. (R.v.St. (11de Kamer), nr. 92.410, 18 januari 2001, A.P.M. 2001, 33) De buitengewone omstandigheden, in de zin van art. 9, lid 3 Vreemdelingenwet, zijn geen omstandigheden van overmacht, maar zijn die omstandigheden die de terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van herkomst of naar een land waar hij is toegestaan te verblijven, om er bij de bevoegde Belgische diplomatieke post zijn aanvraag om verblijfsvergunning in te dienen, beletten of op zien minst erg bemoeilijken. (R.v.St. (11 de Kamer), nr. 88.434, 29 juni 2000, A.P.M., 2000, 139) 4. Verzoekster dient vast te stellen dat de tegenpartij in haar bestreden beslissing de argumentatie van verzoekster voor het indienen van haar aanvraag in België hoegenaamd niet weerlegt. De door verzoekster opgegeven redenen worden door de tegenpartij niet tegengesproken, minstens niet weerlegd door enige nuttige motivering. Eerste onderdeel Alleen al het feit dat de Commissaris-Generaal in zijn beslissing van 21.05.2001 (stuk 1) - enkele weken voor het indienen op 14.06.2001 van het verzoekschrift op grond van art. 9, 3/ Vw. - zelf een niet-repatriëringsclausule voorzag (cfr. supra), toont reeds aan het voor verzoekster onmogelijk, minstens bijzonder moeilijk was om naar Colombia terug te keren en daar een verzoek tot verblijfsvergunning in te dienen. XIV-14.982-5/15 De aanvraag van verzoekster diende dan ook zonder meer ontvankelijk te worden verklaard. In haar uiteenzetting inzake de onontvankelijkheid van het verzoek van verzoekster, wordt door tegenpartij niet geantwoord op of verwezen naar dit door verzoekster opgeworpen argument. De bewering van de tegenpartij in de bestreden beslissing dat de niet- terugleidingsclausule op dit ogenblik -2 jaar na het indienen van het verzoekschrift door verzoekster - « niet meer actueel » zou zijn (wat dit ook moge betekenen ; er wordt terzake geen enkel stuk voorgebracht), wordt niet bewezen en is overigens volkomen irrelevant: uiteraard dient de situatie te worden beoordeeld op het ogenblik dat verzoekster haar verzoek indiende, zijnde in juni 2001 (stuk 13). Zelfs als de situatie zou moeten worden beoordeeld op datum van heden - quod non -, dan wijst verzoekster op het thans nog steeds geldende negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dd. 20.09.2002 (stuk 14) : «Afgezien van strikt noodzakelijke bezoeken, wordt geadviseerd niet naar Colombia te reizen. De algemene verspreiding van gewelddadigheid (criminaliteit, aanslagen, ontvoeringen, ...) over heel het land, maakt dat de veiligheidstoestand in Colombia erg precair is. In augustus 2002 werd de staat van «binnenlandse verstoring» («Estado de Commotion Interior») uitgeroepen (...)» Het staat onbetwistbaar vast dat de toestand in het in burgeroorlog verkerende Colombia tot op heden nog steeds levensgevaarlijk is, zoals door de tegenpartij zelf uitdrukkelijk wordt erkend in het negatief reisadvies, en zoals ook blijkt uit de door verzoekster voorgebrachte stukken (cfr. supra, verwijzingen naar rapporten en artikels i.v. m. huidige toestand in Colombia, stuk 2-3, stuk 14-22, stuk 25). Er kan dan ook niet de minste twijfel over bestaan dat het voor verzoekster nog steeds onmogelijk, minstens zeer moeilijk is, om naar Colombia terug te keren en daar een verblijfsvergunning aan te vragen. Door enerzijds te stellen dat verzoekster aanvraag onontvankelijk is omdat deze in Colombia had moeten worden ingediend, doch anderzijds onder andere de niet- terugleidingsclausule van de Commissaris-generaal zonder opgave van enige gegronde reden naast zich neer te leggen en geen rekening te houden met de levensgevaarlijke situatie in Colombia welke o.a. blijkt uit het eigen negatieve reisadvies van de tegenpartij en uit de door verzoekster voorgebrachte stukken, is de tegenpartij manifest te kort geschoten in haar motiveringsplicht. De bestreden beslissing dient dan ook nietig te worden verklaard. Tweede onderdeel Verzoekster heeft in haar verzoekschrift ingediend dd. 14.06.2001 (stuk 13) geargumenteerd dat zij op dat ogenblik nog wachtte op een definitieve uitspraak inzake haar asielaanvraag. De Raad van State heeft over een dergelijke situatie in het verleden gesteld : «De buitengewone omstandigheden, in de zin van art. 9, lid 3 Vreemdelingenwet, zijn geen omstandigheden van overmacht, maar zijn die omstandigheden die de terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van herkomst of naar een land waar hij is toegestaan te verblijven, om er bij de bevoegde Belgische diplomatieke post zijn aanvraag om verblijfsvergunning in te dien, beletten of op zijn minst erg bemoeilijken. Dit is het geval wanneer de aanvraag in België wordt ingediend door een kandidaat- vluchteling waarvan het onderzoek van de asielaanvraag nog niet is beëindigd». (R.v.St. (11 de Kamer), nr. 88.434, 29 juni 2000, A. P.M., 2000, 139) Vermits verzoeksters asielaanvraag nog lang niet was beëindigd op het ogenblik dat zij dd. 14.06.2001 haar verzoek indiende op basis van art. 9, 3/ Vw., was het derhalve ook om deze reden voor haar niet mogelijk, minstens erg moeilijk, om terug te keren naar haar land van herkomst. Dat de Raad van State in haar arrest inzake de asielprocedure dd. 16.04.2002 - een jaar na het indienen van verzoeksters aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van art. 9, al. 3 Vw. -ondertussen de asielprocedure van verzoekster definitief heeft beëindigd, is niet relevant vermits de situatie dient te worden beoordeeld op het ogenblik van verzoeksters aanvraag dd. 14.06.2001. Het feit dat de tegenpartij zeer veel tijd (2 jaar) heeft nodig gehad om een beslissing te nemen over verzoeksters aanvraag tot verblijfsvergunning, kan uiteraard niet aan verzoekster worden tegengeworpen en mag niet in haar nadeel spelen. XIV-14.982-6/15 Verzoekster dient vast te stellen dat de tegenpartij op dit punt weerom tekort is geschoten in haar motiveringsplicht; de door verzoekster gegeven argumentatie wordt niet weerlegd. Voor zoveel als nodig wordt herhaald dat ook vandaag een terugkeer naar Colombia om ter plaatse een verblijfsvergunning aan te vragen onmogelijk, zoniet erg moeilijk is, gelet op de levensgevaarlijke situatie ter plaatse welke o.a. blijkt uit het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (cfr. supra). Derde onderdeel Verzoekster heeft in haar verzoek ingediend dd. 14.06.2001 een uitgebreid feitenrelaas gegeven over de levensgevaarlijke situatie in Colombia, teneinde te verduidelijken waarom het voor haar in de gegeven omstandigheden onmogelijk, minstens zeer moeilijk is, om in Colombia een verblijfsvergunning aan te vragen op grond van art. 9 Vreemdelingenwet. «Mevrouw XXX is van Colombiaanse nationaliteit en afkomstig uit Colombia. Gezien de situatie van burgeroorlog waarin Colombia zich momenteel bevindt, is zij in de onmogelijkheid om naar Colombia terug te keren om daar een verblijfsvergunning aan te vragen. Een terugkeer naar Colombia zou inderdaad voor haar en voor haar dochtertje te gevaarlijk zijn en zou haar leven en die van haar dochter in gevaar brengen. Ook als een dergelijke terugkeer objectief mogelijk is, is het gevaar die eraan verbonden is te beschouwen als een «buitengewone omstandigheid» zoals voorzien in de wet, die een terugkeer onmogelijk maakt. (...) Ook de rapporten van internationale organisaties maken duidelijk dat Colombia in staat van «burgeroorlog» en «gewapend conflict» verkeert en dat de veiligheid van de burgers niet verzekerd kan worden. Zo verklaart Human Rights Watch in zijn rapport 2001 dat «All parties to the conflict routinely committed violations of international humanitarian law (...)». Bovendien kan vanwege de colombiaanse autoriteiten geen bescherming gekregen worden, zo verklaart HRW dat «there continued to be abundant, detailed, and continuing evidence of direct collaboration between the military and paramilitary groups». Amnesty International spreekt van een gewapend conflict met voortdurende schending van mensenrechten. «The human rights crisis continued to deepen against a background of a spiralling armed conflict». (zie Amnesty International report 2001). Het is duidelijk dat het in die omstandigheden voor verzoekster in ieder geval heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om terug te keren naar Colombia om daar een machtiging tot verblijf in te dienen en op een antwoord te wachten. Bovendien is verzoekster in Colombia, en dit zowel in Funza als in Bogota slachtoffer geweest van ernstige bedreigingen, zoals blijkt uit haar asieldossier. Zij vreest terecht nog steeds voor haar leven en vreest dat de ernstige doodsbedreigingen worden waargemaakt. Zij kan omwille van die vervolgingen, die plaats hadden ondanks de verhuizingen, de veiligheid van haar dochtertje niet meer verzekeren.» De door verzoekster in haar verzoek van 14.06.2001 beschreven problematiek is vandaag nog steeds brandend actueel, zoals blijkt uit de bijgebrachte recente rapporten en stukken (zie stuk 14-22, 25) Het door verzoekster in haar verzoekschrift van 14.06.2001 weergegeven feitenrelaas wordt in de bestreden beslissing van de tegenpartij niet tegengesproken noch weerlegd. Tegenpartij verwijst enkel naar de negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal dd. 21.05.2001 inzake de door verzoekster gevoerde asielprocedure. In deze dient erop gewezen dat de afwijzing van een asielaanvraag hoegenaamd niet uitsluit dat de omstandigheden welke in het kader van deze asielaanvraag zijn aangevoerd, het indienen van een aanvraag tot verblijfsvergunning van meer dan drie maanden in België kunnen verantwoorden. Terzake dient verwezen naar de gevestigde rechtspraak van de Raad van State: - Het toepassingsgebied van art. 9, 3/ Vreemdelingenwet verschilt van die van de bepalingen van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Hieruit volgt dat een omstandigheid die wordt aangevoerd tot staving van een aanvraag tot erkenning van de status van vluchteling en als dusdanig wordt verworpen, eventueel het in België indienen van een aanvraag tot verblijfsvergunning van meer dan drie maanden kan verantwoorden. (R.v.St., nr. 97.923, 20 juli 2001, Rev.dr.étr., 2001, 475) XIV-14.982-7/15 - Het toepassingsgebied van art. 9, lid 3 Vreemdelingenwet verschilt van dat van de bepalingen van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Een omstandigheid die werd aangevoerd tot staving van een aanvraag voor erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en die als dusdanig werd verworpen, kan de indiening rechtvaardigen in België van een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden. (R.v.St., nr. 78.443, 28 januari 1999, A.P.M., 1999, 26) - Door zich ertoe te beperken op dat stuk te antwoorden dat 'de ter ondersteuning van die aanvraag aangevoerde politieke problemen (...) reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een grondig onderzoek in het raam van de asielaanvraag', heeft de verwerende partij haar beslissing niet naar behoren gemotiveerd. (R.v.St., nr. 71.921, 18 februari 1998, Rev. Dr.étr., 1998, 55 ; T. Vreemd. 1998, 78) Door in de bestreden beslissing inzake verzoekster zonder meer te stellen : «De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen» heeft de tegenpartij deze gevestigde rechtspraak van de Raad van State onbetwistbaar miskend, en is zij manifest te kort geschoten in haar motiveringsverplichting. Voor zoveel als nodig betwist verzoekster overigens formeel dat zij in het kader van de asielprocedure verklaringen zou hebben afgelegd die «tegenstrijdige en ongerijmde elementen » zouden bevatten, of die «afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van haar vluchtrelaas», zoals in de bestreden beslissing wordt aangehaald. Vierde onderdeel De tegenpartij werpt in de bestreden beslissing het volgende argument op: «Artikel 9, al. 3 kan trouwens niet gehanteerd worden als rechtsmiddel tegen een verwijderingsmaatregel: een verzoek dat ingediend wordt op basis van art. 9, al. 3 van de wet van 15.12.1980 dat in feite neerkomt op een beroep tegen een beslissing tot verwijdering van het grondgebied wordt onontvankelijk verklaard» Zoals hierboven reeds omstandig is uiteengezet, had én heeft verzoekster zeer goede redenen heeft om toepassing te maken van art. 9, al. 3 Vw. : de gevaarlijke toestand in haar geboorteland, welke o.a. blijkt uit het negatieve reisadvies van de tegenpartij, belet verzoekster om in Colombia een verblijfsvergunning te gaan aanvragen. Dat de huidige argumentatie van verzoekster deels samenvalt met de argumenten welke verzoekster ook reeds in het kader van de asielprocedure heeft voorgebracht, is uiteraard geen reden om de vraag van verzoekster af te wijzen. Verzoekster verwijst terzake naar de hierboven reeds genoemde rechtspraak van de Raad van State: - Het toepassingsgebied van art. 9, 3/ Vreemdelingenwet verschilt van die van de bepalingen van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Hieruit volgt dat een omstandigheid die wordt aangevoerd tot staving van een aanvraag tot erkenning van de status van vluchteling en als dusdanig wordt verworpen, eventueel het in België indienen van een aanvraag tot verblijfsvergunning van meer dan drie maanden kan verantwoorden. (R.v.St., nr. 97.923, 20 juli 2001, Rev.dr.étr., 2001, 475) - Het toepassingsgebied van art. 9, lid 3 Vreemdelingenwet verschilt van dat van de bepalingen van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Een omstandigheid die werd aangevoerd tot staving van een aanvraag voor erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en die als dusdanig werd verworpen, kan de indiening rechtvaardigen in België van een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden. (R.v.St., nr. 78.443, 28 januari 1999, A.P.M., 1999, 26) Naast het feit dat verzoekster alle reden had en heeft om haar verzoek tot verblijfsvergunning in België in te dienen, dient er op gewezen dat verzoekster en haar dochter in de afgelopen jaren volledig geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving, zoals blijkt uit de voorgebrachte stukken (cfr. supra : taallessen, schoolplicht, duurzame vriendschappen, enz.). Door zonder opgave van enige reden volkomen ten onrechte te suggereren dat huidig verzoek van verzoekster louter een «rechtsmiddel» zou zijn tegen een verwijderingsmaatregel - quod non -, en door de talloze gegronde redenen van XIV-14.982-8/15 verzoekster om een beroep te doen op art. 9, al. 3 Vw. niet te weerleggen, schiet tegenpartij te kort in haar motiveringsverplichting. Vijfde onderdeel In haar verzoekschrift dd. 14.06.2001 heeft verzoekster geargumenteerd dat haar dochter Stephanie naar school gaat in Herenthout (zie stuk 5). De afgelopen jaren is het kind onafgebroken naar school geweest, en momenteel zit zij in het tweede studiejaar; het huidige schooljaar loopt eind juni 2003 af. Terzake heeft de tegenpartij in de bestreden beslissing van 08.04.2003 gesteld «Dat de betrokkene sociale banden heeft opgebouwd in België, dat ze een uitgebreide kennissen- en vriendenkring heeft, dat ze goed geïntegreerd en actief is in verschillende organisaties en dat ze Nederlandse taallessen volgt, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art. 9 van de vreemdelingenwet in België verantwoorden. De betrokkene wist dat haar verblijf enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag en dat ze bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. Wat de elementen met betrekking tot integratie betreft, deze kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art. 9, 2 van de vreemdelingenwet ingediend wordt. Het feit dat het minderjarige dochtertje hier naar school gaat en de zus van de betrokkene wettig in België verblijft, verandert niets aan bovenstaande vaststellingen» Zonder enige reden of motivering te geven, stelt de tegenpartij derhalve dat het feit dat het minderjarige dochtertje van verzoekster al lange tijd naar school gaat in België, in casu geen uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt die het indienen van een verzoek tot verblijfsvergunning op grond van art. 9 lid 3 verantwoordt. Er dient gewezen op de rechtspraak van de Raad van State inzake schoolgaande kinderen - Wanneer de Belgische Staat beslist tot de onontvankelijkheid van een aanvraag tot verblijfsvergunning, moet hij de redenen uitleggen waarom hij meent dat het feit dat een kind van twaalf jaar sedert twee jaar in België school loopt geen uitzonderlijke omstandigheid uitmaakt die de aanvraag tot verblijfsvergunning ingediend in België rechtvaardigt. (R.v.St. (15de Kamer), nr. 99.310, 1 oktober 2001, A. P. M., 2001, afl. 8-9, 197) - Indien de afgevaardigde van de minister bijgevolg niet de redenen uiteenzet waarom hij van oordeel was dat de scholing geen uitzonderlijke omstandigheid vormde in de zin van deze wetsbepaling (...), zijn de middelen die zijn gebaseerd op de schending van de Wet Motivering Bestuurshandelingen en op de art. 9, lid 3 en 62 Vreemdelingenwet ernstig. (R.v.St. (11de Kamer), nr. 92.410, 18 januari 2001, A.P.M., 2001, 33) Door geen gegronde reden op te geven waarom de schoolverplichtingen van het kind Sthefany niet dienen te worden beschouwd als een uitzonderlijke omstandigheid die het indienen van een verzoek tot verblijfsvergunning op grond van art. 9 lid 3 verantwoordt, is de tegenpartij derhalve haar motiveringsverplicht niet nagekomen en heeft zij de vaste rechtspraak van de Raad van State miskend.”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekster beroept zich in haar enig middel op een vermeende schending van: - de artt. 2 en 3 van de Wet dd.29.17.1991, - art. 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, - art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, - de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, - de afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. Verzoeksters enig middel kan worden onderverdeeld in volgende onderdelen. ! Betreffende de vermeende schending van de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 en het art. 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980. Aangaande vermeende schending van de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 en het art. 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 merkt de verwerende partij vooreerst op dat bij lezing van verzoeksters inleidend verzoekschrift blijkt dat deze daarin niet enkel inhoudelijke kritiek levert, het weze vanuit louter feitelijk oogpunt, het weze vanuit het oogpunt van het materieel recht, maar zij er ook in slaagt de motieven vervat XIV-14.982-9/15 in de in casu bestreden beslissing uitdrukkelijk weer te geven, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de in casu bestreden beslissing. De verwerende partij is van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoekster het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht waarvan verzoekster de schending aanvoert, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, T.B.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. Geheel ten overvloede merkt de verwerende partij op dat de de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren tot doel heeft om de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor haar ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat zij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De door verzoekster kennelijk als gebrekkig gemotiveerde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoekster immers toe om te achterhalen om welke redenen de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste aan betrokkene bevel te geven om het grondgebied te verlaten, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. De kritiek die verzoekster op deze redenen weet te leveren, is daarvan trouwens het beste bewijs. De naleving van de genoemde plicht houdt daarentegen geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, F.J.F. 1998, 693). Waar verzoekster klaarblijkelijk het tegenovergestelde aanneemt, is haar toelichting niet afgestemd op de rechtsregels waarvan zij de schending opwerpt. De verwerende partij is de mening toegedaan dat het voorgaande toelaat te stellen dat verzoeksters enige middel, in zoverre deze zich daarin beroept op een vermeende schending van de formele motiveringsplicht, niet ernstig is. Geheel ten overvloede, en in antwoord op verzoeksters concrete argumentatie, laat de verwerende partij nog gelden dat verzoeksters beschouwingen feitelijke grondslag missen. Inderdaad wordt in de in casu bestreden beslissing afdoende geantwoord op de door verzoekster naar voor gebrachte elementen en worden de voormelde elementen afdoende weerlegd. Verzoeksters kritiek dienaangaande kan geenszins worden aangenomen. Gelet op het bovenstaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoeksters eerste onderdeel van haar enig middel niet kan worden aangenomen. ! Betreffende de vermeende schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en de afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. Betreffende de door verzoekster opgeworpen schending van "de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur" laat de verwerende partij gelden dat: - het tegelijk aanvoeren van een schending van de formele én de materiële motiveringsplicht niet mogelijk is, nu het eventuele gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene onmogelijk maakt uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is (R. v. St. nr. 93.123 dd. 20.12.200l). - wanneer verzoekster in staat zou zijn een schending van de materiële motiveringsverplichting aan te voeren, dit betekent dat deze van een eventuele schending van de formele motiveringsplicht geen gevolgen heeft ondervonden, XIV-14.982-10/15 - de enkele verwijzing naar “de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur" niet beantwoordt aan de vereiste dat de verzoekende partij die met het oog op een vernietiging van een verplicht te motiveren beslissing een motiveringsgebrek aanvoert, hiervoor een afdoende duidelijke wetsbepaling/rechtsregel als geschonden dient aan te duiden (cf. naar analogie: Cass. AR C.94.0369.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2, 9.5.1997, Arr. Cass. 1997, 53 l). De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat dit onderdeel van verzoeksters enige middel niet ontvankelijk is. Geheel ten overvloede, en in antwoord op verzoeksters concrete kritiek, laat de verwerende partij het volgende gelden. Vooreerst dient er op te worden gewezen dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, in casu geheel terecht werd beslist verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 te verwerpen als zijnde onontvankelijk. Dienaangaande dient te worden gewezen op het feit dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij poneert, zijnde dat "haar verzoekschrift heeft ingediend dd. 14.06.2001 [en] zij op dat ogenblik nog wachtte op een definitieve uitspraak inzake haar asielaanvraag", de voormelde asielaanvraag definitief werd verworpen bij beslissing, dd. 21.05.2001 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarbij de beslissing van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken houdende de weigering van verblijf werd bevestigd (terwijl ook het door verzoekster tegen de voormelde beslissing ingestelde schorsings- en annulatieberoep door de Raad van State werd verworpen). De Omzendbrief dd. 15.12.1998 over de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de regularisatie van bijzondere situaties voorziet uitdrukkelijk dat "een verzoek dat ingediend wordt op basis van artikel 9, derde lid, van de wet, dat in feite neerkomt op een beroep tegen een beslissing tot verwijdering van het grondgebied per definitie onontvankelijk [wordt] verklaard”. De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken besliste derhalve geheel terecht verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf te verwerpen als zijn de onontvankelijk. Verzoeksters kritiek kan aan het voormelde geen afbreuk doen. Geheel ten overvloede werd in de in casu bestreden beslissing dd. 08.04.2003 nog geantwoord op de door verzoekster naar voor gebrachte elementen, en werd, tevens geheel terecht en conform de ter zake relevante wetsbepalingen, geoordeeld dat deze elementen het indienen van de aanvraag in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 niet kunnen rechtvaardigen. Dienaangaande laat de verwerende partij gelden dat de door verzoeksters aangebrachte elementen ter staving van haar aanvraag in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 uiteraard dienen te worden beoordeeld op het ogenblik van het nemen van de beslissing, en niet op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. Verzoeksters desbetreffende beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. In zoverre verzoekster tot slot poneert dat de "tegenpartij enkel verwijst naar de negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal dd. 21.05.2001 inzake de door verzoekster gevoerde asielprocedure", waarmee zij kritiek lijkt te uiten op het feit dat in de bestreden beslissing niet verder meer wordt ingegaan op de elementen die reeds werden aangehaald ter ondersteuning van verzoeksters asielaanvraag, laat de verwerende partij het volgende gelden. In het verzoekschrift zelf waarmee de aanvraag tot verblijfsmachtiging is ingediend, is er inzake de situatie in verzoeksters land van herkomst verwezen naar de problemen die verzoekster in dit land (beweerdelijk) heeft gekend, problemen dewelke aan bod zijn gekomen in het kader van een diepgaand onderzoek aangaande verzoeksters asielaanvraag. Terecht is geoordeeld dat in het kader van de aanvraag tot verblijfsmachtiging op deze elementen niet meer kon worden ingegaan, daar in het kader van betrokkene's asielaanvraag werd geoordeeld dat de door haar naar voor gebrachte elementen en argumenten niet geloofwaardig en zelfs bedrieglijk werden geacht, gelet op de verschillende tegenstrijdigheden in haar asielrelaas. XIV-14.982-11/15 Aangaande verzoeksters kritiek dat "geen gegronde reden [wordt] opgegeven waarom de schoolverplichtingen van het kind niet dienen te worden beschouwd als een uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 laat de verwerende partij tot slot gelden dat verzoeksters kritiek feitelijke grondslag mist nu bij lezing van de in casu bestreden beslissing dd. 08.04.2003 afdoende blijkt dat de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, zoals deze uitdrukkelijk vermeldt, de mening is toegedaan dat het voormelde element van integratie het voorwerp kan uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art. 9, 2/ lid van de Vreemdelingenwet wordt ingediend, en niet kan worden aanzien als een buitengewone omstandigheid in de zin van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet. Gelet op het bovenstaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoeksters tweede onderdeel van het enige middel niet kan worden aangenomen. ! Betreffende de vermeende schending van het art. 9,3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980. In een derde en laatste onderdeel van het enige middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980. Verzoekster acht dit artikel kennelijk geschonden omdat betrokkenes aanvraag om machtiging tot verblijf niet ontvankelijk werd verklaard, daar te haren opzichte geen buitengewone omstandigheden konden weerhouden worden in de zin van art. 9, lid 3 van de Wet dd. 15.12.1980. De verwerende partij wijst er op dat uit art. 9 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, duidelijk blijkt dat in lid 2 van dit wetsartikel een algemene regel is gesteld ten aanzien waarvan lid 3 zich verhoudt als een restrictief toe te passen uitzondering. Laatstgenoemd lid heeft slechts tot doel om vreemdelingen die in hun land van herkomst of van oponthoud geen Belgische diplomatieke overheid ter beschikking hebben of om een aan henzelf vreemde reden de aanvraag niet kunnen doen bij die overheid, toch de gelegenheid te geven een machtiging aan te vragen tot langdurig verblijf in België. Verzoekster, wiens land van herkomst België een diplomatieke vertegenwoordiging bezit en in wiens hoofde geen reden in de laatstvermelde zin bestaat, kan zich niet op een ontvankelijke wijze beroepen op art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoeksters derde en laatste onderdeel van haar enige middel niet kan worden aangenomen.”; XIV-14.982-12/15 2.3. Overwegende dat verzoekster repliceert: “Middels deze memorie van wederantwoord wenst verzoekster uitdrukkelijk te stellen dat zij de argumentatie zoals uiteengezet in haar verzoekschrift tot vernietiging integraal herneemt. Verzoekster verwijst tevens naar alle 44 stukken welke zij vroeger reeds heeft ingediend ter staving van haar vordering. Verzoekster brengt thans nog bijkomende stukken bij, namelijk de stukken nrs. 45 tot en met 49. Aansluitend bij het oorspronkelijke verzoekschrift tot vernietiging, wenst verzoekster nog het volgende te vermelden : Een nieuw, recent negatief reisadvies van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken dd. 12.10.2004 bevestigt dat het in Colombia nog steeds levensgevaarlijk is (stuk 45): «Reisadvies COLOMBIA Datum: 12/10/2004 Afgezien van strikt noodzakelijke bezoeken, wordt geadviseerd niet naar Colombia te reizen. Samenvatting Op enkele bekende toeristenplaatsen na zoals Cartagena, Providencia, San Andres en Santa Marta, is Colombia geen vakantieland. Voor bezoeken met een zakelijk karakter dienen voorzorgsmaatregelen genomen in die zin dat betrouwbare lokale contactpersonen (zakenrelaties) zorgen voor opvang en begeleiding. Terrorisme In Colombia woedt reeds tientallen jaren een gewapend conflict. In rurale gebieden vinden confrontaties plaats tussen guerrillagroeperingen, paramilitaire organisaties en de Colombiaanse strijdkrachten. Hoewel het aantal ontvoeringen een licht dalende trend laat zien, wordt deze praktijk nog steeds gehanteerd als inkomstenbron. Op het platteland worden regelmatig aanslagen gepleegd, soms ook in stedelijke gebieden. Onveilige gebieden Als gevolg van het gewapend conflict wordt reizen over de weg, buiten de grote steden, ten zeerste afgeraden omwille van wegbarrages door de guerrilla en of paramilitaire organisaties waarbij mensen ontvoerd worden. De grote steden kunnen bereikt worden met binnenlandse vluchten. Ontraden wordt nationale parken en geïsoleerde bestemmingen te bezoeken o.m. "Ciudad Perdida" in de Sierra Nevada de Santa Marta. De in de samenvatting vermelde toeristische plaatsen kunnen wel bezocht worden op voorwaarde zich per vliegtuig naar deze steden te begeven. Indien reizen over de weg onvermijdelijk is, dit enkel doen bij daglicht, hoofdwegen nemen en onder begeleiding reizen. AANGERADEN WORDT VOOR AANVANG VAN UW REIS IN COLOMBIA DE BELGISCHE AMBASSADE TE INFORMEREN OVER UW VERBLIJF. Bijkomende raad In de grote steden wordt aangeraden geen sieraden te dragen, een fotokopie van het paspoort bij zich te houden, geen gesprekken op straat aan te gaan met wildvreemde mensen en enkel taxi s te nemen op bestelling." Zoals de Belgische Staat derhalve zelf toegeeft blijkens dit recente negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, staat het onbetwistbaar vast dat de toestand in het in burgeroorlog verkerende Colombia tot op heden nog steeds levensgevaarlijk is. Verzoekster brengt thans nog andere nieuwe stukken voor welke aantonen dat de toestand in Colombia tot op de dag van vandaag nog steeds levensgevaarlijk is - bericht persbureau Reuters dd. 03.02.2004 (stuk 46); - kopie brochure Foster Parents Plan over Colombia (stuk 47)”; XIV-14.982-13/15 2.4. Overwegende dat artikel 9, tweede lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen verward worden met de argumenten die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om verzoekster een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de Minister van Binnenlandse Zaken moest nagaan of de aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat in een eerste onderdeel verzoekster er op wijst dat zij in haar aanvraag heeft uiteengezet dat zij deze niet kan indienen in Colombia, omdat er in haar land van herkomst een burgeroorlog heerst en de toestand er dus levensgevaarlijk is; dat verzoekster hierbij in een eerste en derde onderdeel meent dat de Minister van Binnenlandse Zaken, door in de bestreden beslissing louter te stellen dat de niet-terugleidingsclausule uit de door de Commissaris-generaal genomen bevestigende beslissing van weigering van verblijf van 21 mei 2001 niet meer actueel zou zijn, niet op afdoende wijze motiveert waarom de door haar aangehaalde situatie van burgeroorlog in Colombia geen buitengewone omstandigheid zou uitmaken in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat uit de stukken 89 tot en met 92 van het administratief dossier inderdaad blijkt dat verzoekster in haar aanvraag uitvoerig heeft gewezen op de burgeroorlog in Colombia; dat, zoals verzoekster in haar eerste en derde onderdeel terecht aanvoert, het enige concrete antwoord dat de in de bestreden beslissing hieromtrent kan worden teruggevonden, wordt gevormd door de overweging van de Minister van Binnenlandse Zaken dat “de niet-terugleidingsclausule van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (...) niet meer actueel (is)”; dat verzoekster dient te worden bijgevallen waar zij aanvoert dat enkel en alleen uit deze overweging van de Minister van Binnenlandse Zaken niet kan worden afgeleid dat rekening zou zijn gehouden met de levensgevaarlijke situatie in Colombia, zoals blijkt “uit de door verzoekster voorgebrachte stukken”; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster in het kader van haar aanvraag niet louter heeft verwezen naar de hierboven vermelde niet-terugleidingsclausule, doch ook naar tal van persartikelen en rapporten van XIV-14.982-14/15 verscheidene internationale organisaties; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord niet het minste concrete verweer voert ten aanzien van de hierboven besproken en door verzoekster aangevoerde kritiek; dat verzoekster ook bij haar verzoekschrift en haar memorie van wederantwoord nog stukken voegt die getuigen van de onveilige toestand in haar land van herkomst; dat dient te worden besloten tot een schending van de motiveringsplicht, zoals voorzien in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het enig middel, in de mate dat het hierboven werd besproken, gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 april 2003 waarbij de aanvraag van verzoekster om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk werd verklaard. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.982-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.244 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.