← België

Arrest 181245 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 18/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.245 Rolnummer: A. 182504/XIV-29240 Zaak: Arrest 181245 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 18/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-21 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:49 Fiche Arrest nr 181.245 van 18 maart 2008 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.245 van 18 maart 2008 in de zaak A. 182.504/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. DE MAEYER, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 17 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen waarbij het beroep tot hervorming van de beslissing van 3 juni 2005 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 541 van 11 mei 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 februari 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.240-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. DE MAEYER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX komt op 30 maart 2005 België binnen en vraagt op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 3 juni 2005 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 22 juni 2005 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op de zitting van 15 maart 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat S. VAN EETVELDT, gehoord. 1.
  7. Op 19 maart 2007 neemt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep tot hervorming van de beslissing van 3 juni 2005 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling wordt verworpen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “
  8. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  9. Verzoeker kwam op 30 maart 2005 België binnen en verklaarde zich nog diezelfde dag vluchteling. 1.
  10. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwerpt verzoekers asielaanvraag op 3 juni
  11. XIV-29.240-2/7 1.
  12. De feiten aan de basis van verzoekers asielaanvraag (volgens zijn geschreven verklaringen per post verstuurd en bij de Commissie toegekomen op 8 januari 2007) kunnen worden samengevat als volgt: verzoeker is afkomstig uit Tibet onder bestuur van de Volksrepubliek China. In 1992 besloot hij naar India te vertrekken en zou tot tweemaal toe gearresteerd zijn geweest voor illegale grensoverschrijding. Zijn derde poging lukte uiteindelijk, verzoeker woonde vervolgens probleemloos en onafgebroken in India tot 2005 toen hij besliste naar Europa te komen. 1.
  13. De bestreden beslissing verwierp verzoekers asielaanvraag op 3 juni
  14. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  15. Verzoeker geeft in zijn bovenvermelde geschreven verklaring toe dat zijn oorspronkelijke asielrelaas berust op valse verklaringen nadat hij misleid was geworden door de smokkelaar die hem naar Europa begeleidde. De bestreden beslissing alsook de nota van de verwerende partij berusten op de motieven die aanleiding gaven tot de verwerping van verzoekers asielaanvraag. Deze motieven zijn gelet op het nieuwe relaas niet meer dienstig en zullen bijgevolg niet meer aan een beoordeling onderworpen worden. 2.
  16. De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen beschikt inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over volheid van rechtsmacht, dit wil zeggen dat de Commissie het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als administratieve rechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Commissie niet gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. 2.
  17. Uit de nieuwe geschreven verklaringen van verzoeker, ter zitting bevestigd, blijkt dat hij in 1992 tot driemaal toe poogde zich in India te vestigen. De twee eerste pogingen mislukten en verzoeker werd telkens gearresteerd wegens illegale grensoverschrijding. Hoe dan ook, blijkt uit het relaas dat het de bedoeling was dat verzoeker zijn land zou verlaten om studies te volgen in India. De oorspronk- elijke bedoeling van verzoekers vertrek was dus geenszins gelegen in motieven die verband hielden met de criteria van het vluchtelingenverdrag. 2.
  18. Ook blijkt uit deze verklaringen dat verzoeker gedurende bijna vijftien jaar onafgebroken in India woonde, er studies volgde en er handel dreef. In 2005 besliste hij terug zijn familie in Tibet te vervoegen. Hij verkocht zijn handel en contacteerde zijn familie die hem aanraadde niet terug te keren gelet op de problemen die enkele teruggekeerde studenten op dat ogenblik ondervonden hadden. Verzoeker besliste vervolgens naar Europa te komen. Verzoeker verklaarde ter zitting dat hij India verlaten heeft omdat hij er problemen had om zijn verblijf te legaliseren. Uit algemene informatie blijkt dat Tibetaanse vluchtelingen in India beschouwd worden als vreemdelingen in de zin van de Indiase “Foreigners Act” van 1946 en bijgevolg genieten van de basisrechten van de staatsburgers met uitzondering van het recht om deel te nemen aan de verkiezingen. Tibetanen die problemen hebben ten gevolge van een eventueel illegaal verblijf zijn eerder zeldzaam en kunnen zich desgevallend wenden tot het bureau van de Dalai Lama die dergelijke gevallen behandelt. Zij zijn in ieder geval beschermd tegen refoulement (zie http://www.irbcisr. gc.ca/en/research/rir/?action=record.viewrec&gotorec=4501 53). Er zijn geen berichten dat Tibetaanse vluchtelingen door India worden teruggestuurd (Algemeen Ambtsbericht, Nederland, mei 2006, p. 73, http:// www.minbu- za.nl/nl/actueel/ ambtsberichten). 2.
  19. Uit hetgeen voorafgaat dient derhalve te worden vastgesteld dat verzoeker India niet verlaten heeft om redenen die verband houden met de criteria van het vluchtelingenverdrag. XIV-29.240-3/7 2.
  20. In acht genomen wat voorafgaat kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A

(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. BESLUIT: Enig artikel. Het beroep wordt verworpen.”.
  1. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  2. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel, verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich baseert op foutieve feitelijke informatie, dat hij inderdaad naar India is gegaan om te studeren omdat het schoolregime in Tibet volledig in handen is van de Chinese bezetter en noch de Tibetaanse taal, noch de Tibetaanse cultuur, noch de boeddhistische religie nog onderwezen wordt, dat zijn vrees onder meer blijkt uit het feit dat hij tweemaal in de gevangenis heeft gezeten op het moment dat hij Tibet trachtte te ontvluchten en op zoek ging naar religieuze, culturele, etnische en politieke vrijheid, en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich baseert op verkeerde achtergrondinformatie over de houding van de Indiase overheden ten opzichte van Tibetaanse vluchtelingen en hij in Tibet het risico loop om vervolgd te worden in de zin van het Verdrag van Genève; 2.1.
  3. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekers argumentatie gericht is tegen de feitelijke beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en derhalve feiten en recht vermengt, dat voorts verzoekers verklaring naar India te zijn gevlucht omwille van een vrees voor vervolging wegens zijn religie, het behoren tot een sociale groep en zijn politieke overtuiging een loutere bewering is die hij overigens tijdens de verschillende gehoren niet heeft aangebracht, dat het niet volstaat dat verzoeker verwijst naar enkele websites en naar de vindplaats op het internet van een rapport zonder het aan het verzoekschrift toe te voegen, vermits dit de rechten van verdediging van verweerder schaadt en de Raad van State niet kan worden geacht uit te zoeken of de door verzoeker vooropgestelde beoordeling van de feiten steun vindt in stukken die geen deel uitmaken van het administratief dossier, en dat verzoeker meent dat hij door de Indiase autoriteiten kan worden teruggestuurd naar China, doch uit de informatie waarnaar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verwijst, duidelijk blijkt dat men weet heeft van het feit dat Tibetaanse vluchtelingen door India worden teruggestuurd; XIV-29.240-4/7 2.1.
  4. Overwegende dat verzoeker repliceert dat de Raad van State zich in casu niet in de plaats moet stellen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en de feiten “an sich” niet moet interpreteren en beoordelen, doch enkel moet nagaan of de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich bij het nemen van haar beslissing op een foute feitenconstellatie heeft gebaseerd; 2.1.
  5. Overwegende dat uit het feitenrelaas, zoals weergegeven in zijn op 5 januari 2007 aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen toegestuurde geschreven verklaringen, en de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker gedurende bijna vijftien jaar ononderbroken in India woonde, er studies volgde en er handel dreef; dat deze feiten in acht genomen, India als zijn land van gewoonlijk verblijf dient te worden beschouwd en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zijn asielaanvraag dan ook ten aanzien van India diende te beoordelen; dat verzoeker niet betwist dat hij ter zitting verklaarde India te hebben verlaten “omdat hij er problemen had om zijn verblijf te regulariseren”; dat uit de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geraadpleegde informatie blijkt “dat Tibetaanse vluchtelingen in India beschouwd worden als vreemdelingen in de zin van de Indiase ‘Foreigners Act’ van 1946 en bijgevolg genieten van de basisrechten van de staatsburgers met uitzondering van het recht om deel te nemen aan de verkiezingen”, dat “Tibetanen die problemen hebben ten gevolge van een eventueel illegaal verblijf (...) eerder zeldzaam (zijn) en (...) zich desgevallend (kunnen) wenden tot het bureau van de Dalai Lama die dergelijke gevallen behandelt”, zodat “(z)ij (...) in ieder geval beschermd (zijn) tegen refoulement” en “(e)r (...) geen berichten (zijn) dat Tibetaanse vluchtelingen door India worden teruggestuurd (...)”; dat op grond van voormelde informatie de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen dan ook kon vaststellen “dat verzoeker India niet verlaten heeft om redenen die verband houden met de criteria van het vluchtelingenverdrag”; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord terecht aanvoert dat verzoekers argumentatie gericht is tegen de feitelijke beoordeling door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat het immers uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de betrouwbaarheid, objectiviteit en juistheid van de door haar geraadpleeg- de bronnen; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2.
  6. Overwegende dat in een tweede middel verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing artikel 26 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet in overweging heeft genomen, terwijl deze verplichting wel wordt voorgeschreven in artikel 77, § 1, van XIV-29.240-5/7 voormelde wet van 15 september 2006, dat hij immers recht heeft op subsidiaire bescher- ming terwijl de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen deze bescherming in casu overeenkomstig artikel 77, § 1, niet in overweging heeft genomen; 2.2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in het aanvullend verzoekschrift van verzoeker niet wordt verwezen naar de subsidiaire bescherming niettegenstaande dit verplicht is, dat aangezien verzoeker zowel in zijn inleidend beroep- schrift als in zijn aanvullend verzoekschrift naliet te verwijzen naar elementen die de toepassing van de subsidiaire bescherming kunnen verantwoorden, de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen zich dan ook niet diende uit te spreken over de eventuele toekenning van de subsidiaire bescherming; 2.2.
  8. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het tweede middel, zoals uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift, herhaalt; 2.2.
  9. Overwegende dat voor zover wordt aangenomen dat de uiteenzetting in de memorie van wederantwoord met betrekking tot het tweede middel beantwoordt aan het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, dient te worden opgemerkt dat artikel 26 juncto artikel 77, § 1, van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet in deze niet van toepassing is; dat artikel 77, § 1, immers enkel de asielverzoeken betreft die nog in behandeling waren “bij de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen”; dat de uitbreiding van de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tot het onderzoek van de subsidiaire beschermingsstatus niet in die wetsbepaling wordt geregeld, doch wel in artikel 235, § 1, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.
  10. Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel, zelf niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. XIV-29.240-6/7 Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien maart tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.240-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.245 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.