← België

Arrest 181325 - Penitentiair recht - 19/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.325 Rolnummer: A. 187490/IX-5867 Zaak: Arrest 181325 - Penitentiair recht - 19/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-03-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 07:49 Fiche Arrest nr 181.325 van 19 maart 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.325 van 19 maart 2008 in de zaak A. 187.490/IX-

  1. In zake : Jos VAN TUYCKOM, die woonplaats kiest bij advocaat P. ARNOU, kantoor houdende te ZEDELGEM, Burg. Jos Lievensstraat 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jos VAN TUYCKOM op 15 maart 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de directeur van de Strafinrichting te Brugge - Mannenafdeling 2 van 25.02.2008 (aan verzoeker ter kennis gebracht op 26.02.2008) waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : ‘Afgezet van de vertrouwenspost van fatiek. Mag onmiddellijk ander werk aanvragen, maar geen vertrouwensfunctie’, evenals tegen het bijkomende vermeende gevolg van het rapport d.d. 18.02.2008, namelijk de overplaatsing van M2 naar M1”; Gelet op de beschikking van 18 maart 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 maart 2008, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5867-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. LORENZETTI, die loco advocaat P. ARNOU, verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  2. De verzoeker verblijft in de strafinrichting te Brugge. Op het ogenblik van de feiten verbleef hij op de mannenafdeling
  3. Hij was er tewerkgesteld als fatiek, een functie die volgens beide partijen een vertrouwensfunctie is. Op 18 februari 2008 is er een kort gesprek geweest tussen de verzoeker en een bepaalde vrouwelijke beambte. Dezelfde dag wordt tegen de verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld, waarin vastgesteld wordt dat de verzoeker “tegen (een) andere gedetineerde (beweert) dat hij in het verleden een langdurige relatie gehad heeft” met de betrokken beambte. Op 22 februari 2008 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat de directeur beslist heeft om een tuchtprocedure te starten. Op 25 februari 2008 vindt een hoorzitting plaats. De verzoeker ontkent er dat hij gezegd zou hebben dat hij een relatie heeft gehad met de betrokken beambte. Volgens hem heeft de beambte hem gevraagd de groeten te doen aan zijn zus, en heeft hij aan zijn medegevangene eenvoudig gezegd dat de beambte een jeugdvriendin van hem was. Bij beslissing van 25 februari 2008 legt de directeur een tuchtstraf op. De directeur acht de ten laste gelegde feiten bewezen, en merkt op dat het niet de eerste keer is dat de verzoeker “omtrent dezelfde penitentiair beambte gezegden rondstrooit die haar in een verkeerd daglicht stellen”. Volgens de directeur tast een dergelijk gedrag niet alleen de goede naam van de beambte aan, maar weegt het ook IX-5867-2/6 op het moreel gezag van deze beambte en de goede orde. Bij wijze van tuchtstraf wordt de verzoeker afgezet uit de vertrouwenspost van fatiek. Die beslissing wordt op 26 februari 2008 ter kennis van de verzoeker gebracht. De tuchtstraf gaat in op 26 februari
  4. Dezelfde dag wordt de verzoeker ook overgeplaatst naar de mannenafdeling
  5. Hij wordt er geplaatst op een gesloten sectie. Volgens de verwerende partij gaat het om een ordemaatregel, opgelegd om verdere contacten tussen de verzoeker en de betrokken beambte te vermijden; volgens de verzoeker gaat het om een “verdoken sanctie”. De voorliggende vordering is gericht tegen de tuchtstraf én de ordemaatregel. Onderzoek van de vordering
  6. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  7. In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid voert de verzoeker aan dat de opgelegde maatregelen met onmiddellijke ingang op 26 februari 2008 zijn opgelegd. Volgens de verzoeker is de zaak uiterst dringend. 3.
  8. De verwerende partij wijst erop dat de bestreden tuchtrechtelijke beslissing reeds op 26 februari 2008 aan de verzoeker is betekend, en dat deze het verzoekschrift pas op 15 maart 2008, dit is 19 dagen later, heeft ingediend. Bij gebreke van de nodige diligentie van de zijde van de verzoeker is er volgens de verwerende partij geen uiterst dringende noodzakelijkheid. 3.
  9. De rechtspleging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is van die aard dat het recht van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum beperkt wordt. Met het oog op de gelijkheid tussen de procespartijen is dan ook vereist dat de verzoeker zichzelf geen langere termijn toekent dan nodig om zijn IX-5867-3/6 vordering in te stellen. Van de verzoeker wordt met andere woorden verwacht dat hij de nodige diligentie aan de dag legt, en dat hij niet onredelijk lang wacht met het indienen van zijn verzoekschrift. Te dezen blijkt dat de tuchtrechtelijke beslissing is genomen op 25 februari 2008, dat deze op 26 februari 2008 aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat dezelfde dag begonnen is met de uitvoering van de tuchtstraf en de ordemaatregel. De voorliggende vordering is ingesteld bij een verzoekschrift dat op 15 maart 2008 naar de Raad van State is gestuurd. Ter zitting heeft de verzoeker de termijn van 18 dagen, gelegen tussen de kennisgeving van de bestreden beslissing en het indienen van het verzoekschrift, verklaard door de praktische moeilijkheden veroorzaakt door het beroep op een andere raadsman dan de gebruikelijke raadsman van de verzoeker. Die moeilijkheden kunnen evenwel geen afdoende verantwoording bieden voor het feit dat het verzoekschrift 2,5 weken na de kennisgeving en het begin van de uitvoering van de bestreden beslissingen is ingediend. Nu de relatief lange termijn tussen de kennisgeving en de uitvoering van de bestreden beslissingen en het instellen van de voorliggende vordering niet op een overtuigende manier wordt verantwoord, moet geconcludeerd worden dat de verzoeker zich niet op de uiterst dringende noodzakelijkheid kan beroepen.
  10. Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  11. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-5867-4/6 IX-5867-5/6 Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 maart 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5867-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.325 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.