← België

Arrest 181378 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 20/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.378 Rolnummer: A. 147060/VII-31529 Zaak: Arrest 181378 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 20/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 07:50 Fiche Arrest nr 181.378 van 20 maart 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.378 van 20 maart 2008 in de zaak A. 147.060/VII-31.

  1. In zake : de NV POSTILLON TRANSPORT, die woonplaat kiest bij advocaat Ch. VANDEBROECK, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 70 tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna : RSZ), die woonplaats kiest bij advocaat M. VAN DIEVOET, kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV POSTILLON TRANSPORT op 28 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing dd. 28.11.2003 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid houdende de weigering tot ontheffing van de burgerlijke sancties voor 100% (...)"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 24 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 21 januari 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 februari 2008; VII-31.529-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VANDERSMISSEN die, loco advocaat Ch. VANDEBROECK verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. VAN DIEVOET die, loco advocaat M. VAN DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. De verzoekende partij baat een transportfirma uit te Scherpenheuvel-Zichem. 1.
  5. Op 12 juni 2003 richt zij een aangetekend schrijven aan de RSZ waarin zij vraagt om "een ontheffing van de bijdrageopslagen omtrent het jaar 2000-2001 en 2002, telkens voor alle kwartalen". Zij somt daarin een aantal redenen op die de ontheffing volgens haar kunnen verantwoorden en vraagt in fine nogmaals de "ontheffing van boetes en bijdrageopslagen". 1.
  6. Met een brief van 26 juni 2003 antwoordt de RSZ dat ingevolge de in het "verzoekschrift" van 12 juni 2003 aangehaalde redenen een gedeeltelijke vermindering (50 %) van de aangerekende bijdrageopslagen en de vaste vergoeding in verband met voorschotten wordt toegekend, "conform artikel 55, paragraaf 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969". De RSZ deelt tevens mee dat, indien de verzoekende partij meent dat die beslissing een onjuiste toepassing van de aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, een beroep tot nietigverklaring kan worden ingediend bij de Raad van State. 1.
  7. Op 20 augustus 2003 richt de verzoekende partij een aangetekend schrijven aan de RSZ waarin in essentie wordt gesteld: VII-31.529-2/4 "Wij denken dat wij mogen aannemen dat de redenen tot laattijdige betalingen, aangehaald in ons vorig schrijven, zeker niet te onderschatten waren. Daarom zouden wij U bij deze dan ook willen vragen of U ons dossier eens wil bekijken en ons de andere 50 % ook wil toekennen?" 1.
  8. Met een brief van 28 november 2003 antwoordt de RSZ dat de gedeeltelijke ontheffing van de bijdrageopslagen en de forfaitaire vergoeding in verband met voorschotten die aan de verzoekende partij werd verleend, de maximale ontheffing is die gezien de aangehaalde redenen kan worden toegestaan. Tevens wordt op algemene wijze uiteengezet in welke gevallen er eventueel toch een volledige vrijstelling kan worden verleend. Dit is de bestreden beslissing.
  9. De ontvankelijkheid 2.
  10. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie op dat de bestreden beslissing van 28 november 2003 een loutere bevestiging is van een eerdere beslissing van 26 juni 2003, dat een louter bevestigende beslissing niet vatbaar is voor vernietiging en dat het beroep van de verzoekende partij bijgevolg onontvankelijk is. 2.
  11. In de memorie van wederantwoord brengt de verzoekende partij daartegen in dat in de beslissing van 26 juni 2003 nergens werd gesteld dat een vrijstelling van 50 % de maximale vrijstelling was en dat zij om die reden op 20 augustus 2003 aan de verwerende partij een verzoek richtte om ook een vrijstelling voor de overige 50 % te ontvangen. De beslissing van 26 juni 2003 stelt enkel dat een vrijstelling van 50 % kan worden toegestaan, zonder verdere uitleg, terwijl de bestreden beslissing van 28 november 2003 net handelt over het niet-toekennen van de overige 50 % en aldus een nieuwe beslissing uitmaakt. 2.
  12. In de brief van 20 augustus 2003 voert de verzoekende partij geen enkel nieuw inhoudelijk element of argument aan. Zij verwijt de verwerende partij ook niet dat de reglementering verkeerd zou zijn toegepast of dat een andere rechtsgrond diende te worden gehanteerd ter beoordeling van haar aanvraag. Met haar brief van 28 november 2003 deelt de verwerende partij mee dat de reeds verleende gedeeltelijke ontheffing "de maximale ontheffing is die gezien de aangehaalde redenen kan toegestaan worden". Noch uit die brief, noch uit VII-31.529-3/4 het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij een nieuw onderzoek aan de zaak heeft gewijd. De bestreden beslissing dient zich dan ook aan als een louter bevestigende beslissing die niet op ontvankelijke wijze met een annulatieberoep kan worden bestreden, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-31.529-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.378 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.