← België

Arrest 181379 - Ziekenfondsen en Landsbonden - 20/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.379 Rolnummer: A. 152180/VII-32242 Zaak: Arrest 181379 - Ziekenfondsen en Landsbonden - 20/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-03 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 07:50 Fiche Arrest nr 181.379 van 20 maart 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Ziekenfondsen en Landsbonden Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.379 van 20 maart 2008 in de zaak A. 152.180/VII-32.

  1. In zake : Isabelle VAN EYGEN, die woonplaats kiest bij advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Leopold II-laan 180 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Isabelle VAN EYGEN op 27 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van 18 maart 2004 van de Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen, Stuurgroep Kwaliteitspromotie Tandheelkundigen - Commissie van Beroep van verweerster"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 24 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 januari 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-32.242-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. SCHALENBOURG die, loco advocaat S. VAN GEETERUYEN verschijnt voor verzoekster; Gehoord het advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. De feiten 1.
  3. Artikel 36bis, §2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna: ZIV-wet) bepaalt, kort samengevat, dat de Koning een regeling inzake de accreditering van onder meer tandheelkundigen kan invoeren. Artikel 36ter, §1, van dezelfde wet bepaalt dat, zolang een dergelijke reglementering niet is ingevoerd, de accreditering verder wordt geregeld in de in artikel 50, §1, van de ZIV-wet bedoelde nationale akkoorden tussen tandheelkundigen en ziekenfondsen. Te dezen stelt het nationaal akkoord van 4 december 2002 dat de tandarts, om een accreditering te verkrijgen, onder meer voldoende bijscholing moet hebben gevolgd en moet hebben deelgenomen aan een intercollegiale evaluatie, de zogenaamde "peer reviews". Wat bijscholingen in het buitenland betreft, wordt het volgende bepaald : "Buitenlandse bijscholingsactiviteiten kunnen door de Stuurgroep erkend worden. Dit gebeurt per voorafgaandelijke aanvraag door de tandheelkundige zelf, via het standaardformulier in bijlage 2/1 en 2/2 vóór datum van de activiteit en het opmaken nadien van een persoonlijk verslag van de desbetreffende activiteit. Dit persoonlijk verslag moet het geheel van de cursus en alle deelgebieden omvatten die door de deelnemers werd aangevraagd. Het maximum aantal eenheden verworven in het buitenland bedraagt 50 per jaar. Dit aantal kan op 80 gebracht worden voor organisatoren die in een officieel systeem van accreditering erkend zijn". 1.
  4. Op 29 september 2003 doet verzoekster een aanvraag voor de accreditering van een buitenlandse bijscholingsactiviteit. VII-32.242-2/6 1.
  5. Verzoekster stelt dat de verwerende partij deze aanvraag op 2 oktober 2003 terugfaxte, met daarop de volgende handgeschreven vermelding: "Gelieve bijgaand formulier in te vullen Mag eventueel ook gefaxt worden op 02/7397873". Volgens de verwerende partij werd verzoeksters brief teruggestuurd op 6 oktober
  6. 1.
  7. Verzoekster betoogt dat zij het ingevulde standaardformulier naar de verwerende partij verzond op 13 oktober
  8. De verwerende partij stelt dat zij pas op 18 december 2003, en dus na de bijscholingsactiviteit van 14 en 15 november 2003, het ingevulde standaardformulier ontving. Op het formulier heeft verzoekster als datum ingevuld: "13/10/03", doch op datzelfde formulier komt ook een bestuurlijke stempel voor waaruit blijkt dat het formulier op 18 december 2003 bij het RIZIV is binnengekomen. 1.
  9. Met een brief van 22 januari 2004, gericht aan de Stuurgroep Kwaliteitspromotie Tandheelkundigen bij het RIZIV, deelt verzoekster mee dat zij nog geen antwoord heeft gekregen op het ingevulde formulier dat aan de verwerende partij werd gefaxt. Zij vraagt zo spoedig mogelijk te worden geïnformeerd met betrekking tot de accrediteringspunten voor het jaar
  10. 1.
  11. Met een brief van 9 februari 2004 deelt het RIZIV aan verzoekster mee dat de Stuurgroep Kwaliteitspromotie Tandheelkundigen in zijn vergadering van 5 februari 2004 op advies van de evaluatiecommissie heeft beslist dat verzoeksters bijscholingsactiviteit niet in aanmerking komt voor de accreditering. De Stuurgroep is van mening dat de activiteit geen bijscholing inzake tandheelkunde uitmaakt omdat "de erkenningsaanvraag voor die activiteit te laat is ingediend". Aan verzoekster wordt meegedeeld dat zij in beroep kan gaan bij de Commissie van beroep. 1.
  12. Nadat verzoekster beroep heeft aangetekend, neemt de Commissie van beroep op 18 maart 2004 de volgende beslissing: "Na beraadslaging beslist de Commissie van Beroep met unanimiteit van stemmen het beroep ontvankelijk en ongegrond te verklaren. Deze beslissing is gebaseerd op het feit dat het verzoekschrift onvoldoende nieuwe elementen bevat die toelaten de beslissing van de Stuurgroep te herzien". VII-32.242-3/6
  13. De ontvankelijkheid In de memorie van antwoord wordt opgeworpen dat er een "gebrek aan belang" is in hoofde van verzoekster aangezien zij voor 2003 toch een voldoende aantal accrediteringseenheden heeft verworven en derhalve voor 2003 als geaccrediteerde orthodontist is aanvaard. Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat zij ingevolge de bestreden beslissing niet in de mogelijkheid verkeerde om de in het buitenland verworven accrediteringseenheden over te dragen naar een volgend jaar, waardoor zij in dat volgend jaar meer bijscholingsactiviteiten heeft moeten volgen dan indien de bestreden beslissing niet was tussengekomen, en dat zij op die manier in haar belangen werd geschaad. Dit wordt niet weerlegd in de laatste memorie van de verwerende partij. De exceptie wordt verworpen.
  14. Ten gronde 3.
  15. In het verzoekschrift voert verzoekster als tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), evenals van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, doordat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft genomen "zonder een in rechte correcte, noch afdoende motivering en (...) zonder een voorafgaande analyse van de feitelijke gegevens van het dossier", terwijl de motiveringswet, evenals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, elke administratieve overheid de verplichting opleggen een beslissing correct te motiveren en pas te oordelen na een zorgvuldige studie van het dossier. 3.2.
  16. Uit de bestreden beslissing blijkt dat zij “is gebaseerd op het feit dat het verzoekschrift onvoldoende nieuwe elementen bevat die toelaten de beslissing van de Stuurgroep te herzien”. De verwerende partij verwijst dus naar het motief dat wordt gehanteerd in de beslissing van de Stuurgroep Kwaliteitspromotie Tandheelkundigen van 9 februari 2004 dat verzoekster de erkenningsaanvraag te laat heeft ingediend. Uit stuk 3 van het administratief dossier blijkt dat op het formulier VII-32.242-4/6 betreffende de erkenningsaanvraag een stempel is aangebracht waaruit blijkt dat dit formulier op 18 december 2003 door het RIZIV werd ontvangen. Het bestuur is, in tegenstelling tot een rechtscollege, in het kader van de motiveringsplicht, niet gehouden een antwoord te geven op alle diverse feitelijke en juridische argumenten welke een belanghebbende naar voren brengt, zodat niet systematisch moet worden geantwoord op de verschillende argumenten aangevoerd in de beroepsakte. Het volstaat dat uit de motivering impliciet of expliciet blijkt dat deze argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat hieruit minstens impliciet kan worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Zulks is te dezen het geval, nu de verwerende partij stelt dat verzoeksters beroepschrift “onvoldoende nieuwe elementen bevat”. Deze overweging kan niet als onjuist noch als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Verzoekster beweert in haar beroepschrift weliswaar het standaardformulier op 2 oktober 2003 naar het RIZIV te hebben gefaxt, doch toont zulks niet aan. Voorts argumenteert zij in haar beroepschrift dat “er nooit op 02/10/2003 een brief (had) mogen gestuurd worden met de vraag om de nodige formulieren in te vullen, indien (zij) volgens de commissie reeds te laat zou geweest zijn” doch uit de stukken van het administratief dossier blijkt overduidelijk dat de beslissing van de Stuurgroep Kwaliteitspromotie Tandheelkundigen van 9 februari 2004 niet verwijst naar de oorspronkelijke aanvraag van 29 september 2003 doch wel naar het op 18 december 2003 aan het RIZIV overgemaakte standaardformulier. Er is met andere woorden wel degelijk voldaan aan de vereisten van de motiverings- en de zorgvuldigheidsplicht. Het tweede middel is ongegrond. 3.2.
  17. Aangezien het auditoraatsverslag inzake de middelen is beperkt tot een onderzoek van het tweede middel, is er grond om een aanvullend onderzoek te bevelen, VII-32.242-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. De debatten worden heropend. Artikel
  19. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-32.242-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.379 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.806 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.