← België

Arrest 181380 - Ziekenfondsen en Landsbonden - 20/03/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.380 Rolnummer: A. 154914/VII-32650 Zaak: Arrest 181380 - Ziekenfondsen en Landsbonden - 20/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-03 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 07:50 Fiche Arrest nr 181.380 van 20 maart 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Ziekenfondsen en Landsbonden Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.380 van 20 maart 2008 in de zaak A. 154.914/VII-32.

  1. In zake : Judith CLABBERS, die woonplaats kiest bij advocaat A. SIX, kantoor houdende te BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 153 tegen :
  2. het Vlaams Zorgfonds, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Judith CLABBERS op 20 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van 22 juni 2004 van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaams Zorgfonds, waarbij het bezwaarschrift van verzoekster definitief onontvankelijk werd verklaard (...), met als gevolg het definitief verschuldigd zijn van de bijkomende (regularisatie)bijdrage"; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoekster en van de eerste verwerende partij; VII-32.650-1/5 Gelet op de beschikking van 21 januari 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. SIX, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat S. ISHAQUE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. De feiten 1.
  5. Verzoekster woonde vroeger in Nederland, waar zij onder een Nederlands stelsel van sociale verzekering was verzekerd, en verhuisde later naar België. 1.
  6. Met een aanvraagformulier dat op 9 januari 2004 is ondertekend vraagt Frank KAMPERT, verzoeksters echtgenoot, ten behoeve van verzoekster mantel- en thuiszorg. 1.
  7. Met een brief van 22 april 2004 vraagt de zorgkas van de onafhankelijke ziekenfondsen aan Frank KAMPERT 50 euro als bijdrage voor de zorgverzekering. 1.
  8. Daarop richt verzoekster met een aangetekend schrijven van 12 mei 2004 een bezwaarschrift aan het Vlaams Zorgfonds, Bezwaarcommissie zorgverzekering. VII-32.650-2/5 1.
  9. Met een faxbericht van 11 juni 2004 bezorgt Frank KAMPERT bijkomende documenten aan het Vlaams Zorgfonds. Er wordt tevens meegedeeld dat zijn bezwaar is gericht tegen het inningsbericht van de zorgkas. 1.
  10. Op 22 juni 2004 wordt de thans bestreden beslissing genomen, waarbij in essentie wordt meegedeeld dat in de regelgeving op limitatieve wijze wordt bepaald in welke gevallen bij het Vlaams Zorgfonds een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen een beslissing van een erkende zorgkas en dat een bezwaarschrift tegen een beslissing van een erkende zorgkas met betrekking tot de toepassing van de formele voorwaarde vervat in het artikel 5, eerste lid, 5/, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering en de daaraan verbonden mogelijkheid tot regularisatie niet mogelijk is, zodat het bezwaarschrift "definitief onontvankelijk" wordt verklaard.
  11. De ontvankelijkheid 2.
  12. In de memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij de volgende exceptie op: "Er valt niet in te zien waarom de verzoekende partij zich tot Uw Raad wendt. Op 22 juni 2004 is enkel en alleen meegedeeld dat de al dan niet verplichting om bijdragen te betalen, geen voorwerp kan vormen van enige administratieve beroepsprocedure. Enkel en alleen kan de vraag ten gronde rijzen of de verzoekende partij wel gehouden was tot het (betalen) van een bepaalde regularisatiebijdrage. Verzoekende partij heeft deze regularisatiebijdrage overigens betaald - cfr. daaromtrent stuk 1 waarin de verzoekende partij haar houding uiteenzet. Daarmee is administratiefrechtelijk eigenlijk het probleem van de baan. Indien de verzoekende partij van oordeel is dat de verzoekende partij ten onrechte is aangesproken tot een dergelijke betaling en indien de verzoekende partij er in principe een zaak wil van maken, waarbij zij eventueel ook terugbetaling zou moeten vorderen, dient de verzoekende partij zich met het oog op terugbetaling tot de burgerlijke rechtbank te wenden. De inhoudelijke discussie kan enkel en alleen door de burgerrechtelijke rechtbank beslecht worden. Het betreft een puur subjectiefrechtelijk geschil of de verzoekende partij al dan niet aanspraak kan maken op een terugbetaling van bijdragen, die volgens de verzoekende partij ten onrechte zijn gevorderd en onder voorbehoud van terugbetaling, ook effectief betaald heeft. Verder is de problematiek overigens geen voorwerp geweest van besluitvor- ming door het Vlaams Zorgfonds, zodat verzoekende partij niet inziet waarom de verzoekende partij in een geding voor de Raad van State wordt betrokken. De vordering is dan ook ratione materiae volstrekt onontvankelijk". VII-32.650-3/5 2.
  13. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoekster in essentie dat de bestreden beslissing "met als gevolg het definitief verschuldigd zijn van de bijkomende (regularisatie)bijdrage" een eindbeslissing is die rechtsgevolgen heeft die haar toestand rechtstreeks en onmiddellijk raken, dat men haar aldus "definitief en onherroepelijk van haar recht om opmerkingen te formuleren (heeft) afgetrokken", dat de stelling dat zij zich tot de burgerlijke rechtbank dient te wenden, voorbijgaat aan het feit dat de beslissing, waarbij haar bezwaarschrift onontvankelijk wordt verklaard, het formele voorwerp uitmaakt van de voorliggende procedure voor de Raad van State, dat de eerste verwerende partij de gevolgen moet dragen van haar woordgebruik in de bestreden beslissing, dat dit woordgebruik namelijk elke mogelijkheid van bezwaar en dus van tegenspraak als onmogelijk voorstelt, dat de eerste verwerende partij zich tegenspreekt door enerzijds te spreken over een "formele voorwaarde" en anderzijds over een "inhoudelijke discussie" en, ten slotte, dat het antwoord op het bezwaarschrift, of men nu beslist om dit ontvankelijk of niet-ontvankelijk te verklaren, uitgaat van het Vlaams Zorgfonds "en als zodanig een besluitvorming (is) die aan de Raad van State kan worden voorgelegd ter vernietiging". 2.
  14. In de laatste memorie merkt verzoekster op dat het wezenlijke voorwerp van het geschil dat aan de Raad wordt voorgelegd niet de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde regularisatiebijdrage betreft. 2.
  15. Met een inningsbericht van 22 april 2004 vraagt de zorgkas van de onafhankelijke ziekenfondsen een bedrag van 50 euro als bijdrage in de zorgverzekering. Met haar bezwaarschrift van 12 mei 2004 betwist verzoekster dat zij deze bijdrage verschuldigd is. De procedure, geregeld in artikel 8 van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering en in het besluit van de Vlaamse regering van 28 september 2001 houdende de erkenning, de registratie en de machtiging, en houdende de aansluiting, de aanvraag en de tenlasteneming in het kader van de zorgverzekering, geldt voor betwistingen met betrekking tot de tenlasteneming van de kosten van de niet-medische hulp- en dienstverlening door de zorgkas. Het Fonds doet in het kader van deze procedure uitspraak over beslissingen inzake de tenlasteneming, niet over beslissingen omtrent het al dan niet verschuldigd zijn van bepaalde bijdragen. VII-32.650-4/5 Het voorliggende geding betreft echter niet de tenlasteneming van kosten door de zorgkas maar wel de aansluitings- en de bijdrageplicht zelf. Met haar brief van 22 juni 2004 doet de verwerende partij in wezen niets anders dan dit meedelen aan verzoekster. Een dergelijke inlichting kan niet worden beschouwd als een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshan- deling. Daargelaten of het wezenlijke voorwerp van het geschil louter betrekking heeft op een subjectief recht, namelijk op de terugbetaling van een bedrag van 50 euro, is het beroep alleen reeds om die reden onontvankelijk, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-32.650-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.380 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.