id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.407 Rolnummer: A. 118793/IX-3280 Zaak: Arrest 181407 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 20/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 07:50 Fiche Arrest nr 181.407 van 20 maart 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.407 van 20 maart 2008 in de zaak A. 118.793/IX-
- In zake : XXXX, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- -------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE RAAD VAN S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 27 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 november 2001 dat verzoeker IX-3280-1/4 de voor de staat van officier van de federale politie onontbeerlijke morele hoedanigheden niet bezit”; Gelet op het arrest nr. 174.961 van 25 september 2007 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat ermee wordt belast de zaak verder te onderzoeken; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van adviseur [KP], die verschijnt voor de verwerende partij; IX-3280-2/4 Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 174.961 van 25 september
- De ontvankelijkheid
- Het oorspronkelijk belang van verzoeker bestond erin de negatieve beslissing, die hem verhinderde om deel ten nemen aan de beroepscyclus voor de opleiding tot officier bij de rijkswacht, uit het rechtsverkeer te zien verdwijnen en aldus uitzicht te krijgen op een gunstige beslissing die het mogelijk zou maken dat hij tot de genoemde opleiding toegelaten zou worden, hetgeen zou kunnen leiden tot zijn IX-3280-3/4 toetreding tot het officierenkader van de federale politie, waarin de rijkswacht inmiddels opgegaan is. Tevens berokkende het bestreden besluit, omdat het steunde op de negatieve beoordeling van zijn gedrag, hem een moreel nadeel.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat hij “sinds 1 september 2007 officier bij de federale politie (is)”, maar dat hij nog altijd het belang, zoals uiteengezet in zijn vorige procedurestukken, kan laten gelden. Ter terechtzitting daarover ondervraagd, betoogt verzoeker in essentie dat hij een retroactieve reconstructie van zijn loopbaan beoogt, dat zijn toelating tot het officierenkader bij de federale politie hem niet dezelfde anciënniteit oplevert en dat hij, wanneer de bestreden beslissing blijft bestaan, het gevaar loopt de veiligheidsmachtiging, die hij nodig heeft om zijn actuele functie te blijven uitoefenen, niet te verkrijgen.
- Verzoeker behoort thans tot het officierenkader van de federale politie. Aldus is het onmiddellijk zichtbaar materieel belang van verzoeker om tot het officierenkader toe te treden teloorgegaan. IX-3280-4/4
- Uit de eventuele vernietiging van het bestreden besluit volgt niet dat verzoeker tot de officierenopleiding toegelaten moet worden. Zijnerzijds wijst verzoeker geen regel aan die hem, in geval van vernietiging, een recht verleent op een benoeming binnen het officierenkader van de vroegere rijkswacht. De verwerende partij is derhalve niet verplicht om in geval van vernietiging van het bestreden besluit de loopbaan van verzoeker retroactief te reconstrueren en hem op die wijze een grotere anciënniteit toe te kennen.
- Verzoeker verwijst naar het risico dat, zolang het bestreden besluit bestaat, hij de veiligheidsmachtiging, nodig om zijn actuele functie uit te oefenen, niet zal verkrijgen. Evenwel, aangezien de vernietiging van het bestreden besluit niet inhoudt dat verzoeker geacht wordt de morele hoedanigheden te bezitten die vereist zijn om tot onderluitenant bij de rijkswacht benoemd te worden, blijven ook na een vernietiging de antecedenten van verzoeker tot zijn persoonlijk dossier behoren en zou een vernietigingsarrest niet verhinderen dat die gegevens, in zoverre de reglementering zulks aan de verwerende partij toelaat, nog bij het besluitvormingsproces inzake het verlenen van een veiligheidsmachtiging betrokken worden. De eventuele vernietiging van IX-3280-5/4 het bestreden besluit heeft als zodanig geen gevolgen voor de beoordeling van verzoekers capaciteiten in een geheel andere aangelegenheid.
- Verzoeker verwijst naar een blijvend moreel belang omdat het bestreden besluit steunt op de negatieve beoordeling van zijn persoonlijk gedrag. Dat belang is ook aangenomen in het arrest nr. 174.961 van 25 september
- Thans rijst evenwel de vraag of dat moreel nadeel niet teloorgegaan is door de opname van verzoeker, op 1 september 2007, in het officierenkorps van de federale politie. Dat gegeven was niet ter kennis van de Raad van State bij het sluiten van de debatten voor het arrest nr. 174.
- Het is pas nadien, in de laatste memorie van verzoeker, aangebracht. IX-3280-6/4
- De opname van verzoeker in het officierenkader van de federale politie is slechts kunnen gebeuren bij wege van een formele benoeming van verzoeker in een graad van het officierenkader. Uit het feit zelf van die benoeming blijkt dat de verwerende partij, in het kader van haar discretionaire bevoegdheid, afstand genomen heeft van de bestreden beslissing. De nieuwe beslissing van de verwerende partij houdt dan ook in dat het moreel nadeel, voortvloeiend uit de negatieve beoordeling van verzoekers gedrag, goedgemaakt is.
- Bij gebrek aan actueel belang is het beroep niet langer ontvan-kelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- IX-3280-7/4 De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 20 maart 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3280-8/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.407 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.110.248 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.961 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.