id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.497 Rolnummer: A. 162774/X-12325 Zaak: Arrest 181497 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/03/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 07:50 Fiche Arrest nr 181.497 van 26 maart 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 181.497 van 26 maart 2008 in de zaak A. 162.774/X-12.
- In zake : de n.v. BUSINESS PANEL, die woonplaats kiest bij advocaat E. VANDEN BRANDE, kantoor houdende te 1040 BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55, bus 10 tegen : de gemeente ZAVENTEM. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BUSINESS PANEL op 24 mei 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 maart 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem houdende intrekking van zijn besluit van 15 februari 2005 waarbij haar de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het plaatsen van een publiciteitspaneel te Nossegem, Mechelsesteenweg 451, kadastraal bekend sectie C, nr. 159/f; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 31 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; X-12.325-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VAN WEYENBERGE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 22 november 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een publiciteitspaneel (-20m²), op een perceel gelegen te Nossegem, Mechelsesteenweg 451, kadastraal bekend sectie C, nr. 159/f. 1.
- Zonder het advies van de gemachtigde ambtenaar in te winnen, verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem op 15 februari 2005 aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning. 1.
- Dit besluit wordt op 9 maart 2005 door de gemachtigde ambtenaar geschorst omdat “het voorstel (...) de plaatsing (voorziet) van een publiciteitspaneel tegen de wachtgevel van een woning. Hierdoor komt de toekomstige afwerking van de wachtgevel in het gedrang. De plaatsing van publiciteitspanelen langs gewestwegen op wachtgevels is daarenboven een visuele vervuiling die kan vermeden worden”. 1.
- Op 22 maart 2005 trekt het college zijn geschorste besluit in. Dit besluit, hetwelk het voorwerp uitmaakt van onderhavig beroep, vermeldt als zodanig niet voornoemd schorsingsbesluit, doch herhaalt wel voormelde schorsingsgronden en verwijst naar artikel 44 van “het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van X-12.325-2/5 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw”. 1.
- Eveneens op 22 maart 2005 beslist het college, gelet op het hiervoor vermelde schorsingsbesluit, de vergunning te weigeren voor het plaatsen van een publiciteitspaneel (-20m²), op een perceel gelegen te Nossegem, Mechelsesteenweg 451, kadastraal bekend sectie C, nr. 159/f. 1.
- Met een op 30 maart 2005 ter post aangetekend verzonden brief betekent het college zijn besluiten van 22 maart 2005 aan de verzoekende partij.
- Ontvankelijkheid van het beroep - exceptie opgeworpen door de verwerende partij 2.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, welke zij uiteenzet als volgt: “Verzoekster heeft beroep ingediend bij de Bestendige Deputatie tegen de weigeringsbeslissing. Verzoekster kan vragen gehoord te worden door de Bestendige Deputatie. Indien de Bestendige Deputatie een beslissing neemt dewelke positief is voor verzoekster, en de weigering ongedaan wordt gemaakt, kan haar een nieuwe vergunning worden afgeleverd, waardoor de intrekking van de toekenning haar nut verliest; Indien de Bestendige Deputatie een beslissing neemt dewelke negatief is voor verzoekster, kan deze nog beroep instellen. De huidige vordering tot nietigverklaring van de intrekking dient dan ook onontvankelijk te worden verklaard. De Raad van State heeft in meerdere arresten gesteld dat ‘de toestand die ontstaat ten gevolge van de intrekking van een eerder verleende vergunning gelijkgesteld kan worden met die welke voortvloeit uit de weigering van de gevraagde vergunning’ (...); Dat de Raad van State dan ook stelt dat het administratief hoger beroep voorrang heeft op het annulatieberoep, ook al steunt het enkel op de onrechtmatigheid van het intrekkingsbesluit; Dat verzoekster ook tegen de intrekking beroep had kunnen aantekenen bij de bestendige deputatie; Dat het verzoek tot nietigverklaring onontvankelijk is, vermits er beroep bij de Bestendige Deputatie diende te worden tegen aangetekend. Dat bijgevolg het verzoekschrift onontvankelijk dient te worden verklaard”. 2.
- In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij wat volgt: X-12.325-3/5 “Het argument van tegenpartij, ‘dat verzoekster ook tegen het intrekkingsbesluit beroep had kunnen aantekenen bij de bestendige deputatie’, vindt geen grond in de toepasselijke decretale bepalingen. Het georganiseerd administratief hoger beroep bij de bestendige deputatie op grond van artikel 53§1 van het Decr. VI. Parl. 22 oktober 1996, is alleen mogelijk tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen ‘tot verlening of weigering van de vergunning’ (artikel 52 §1 Decr. Vl. Parl. 22 oktober 1996). Artikel 53§1, dat bepaalt dat ‘de aanvrager kan binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van het schepencollege in beroep gaan bij de bestendige deputatie’, dient uiteraard samengelezen te worden met artikel 52§1 dat preciseert dat het gaat om een beslissing van het schepencollege ‘tot verlening of weigering van de vergunning’. Welnu er liggen twee afzonderlijke aktes voor , genomen in zitting van 22 maart
- Eén beslissing betreft inderdaad een weigering van stedenbouwkundige vergunning; daartegen heeft verzoekster consequent beroep bij de bestendige deputatie aangetekend bij schrijven dd. 21 april
- De andere beslissing betreft noch een verlening, noch een weigering van vergunning, maar een intrekking van een eerder verleende vergunning dd. 15 februari
- Het besluit dd. 22 maart 2005 tot intrekking van de vroeger verleende vergunning kan niet worden gelijkgesteld met het besluit van weigering van de vergunning. In het door tegenpartij geciteerde arrest heeft de Raad van State het over een ‘toestand’ die ontstaat ten gevolge van een rechtshandeling, niet over de rechtshandeling zelf. Het intrekkingsbesluit gelijkstellen met het besluit tot weigering zou ten andere het absurde gevolg hebben dat er in casu twee besluiten tot weigering van de vergunning voorliggen, quod non”. 2.
- Krachtens artikel 53, § 1, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, kan de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning bij de deputatie in beroep komen tegen het besluit waarbij het college van burgemeester en schepenen over zijn aanvraag uitspraak doet. De toestand die voor de vergunningaanvrager ontstaat ten gevolge van de intrekking van een eerder verleende vergunning door het college van burgemeester en schepenen, dient te worden gelijkgesteld met die welke voortvloeit uit de weigering van de gevraagde vergunning door dit college. Het georganiseerd administratief beroep waarin voornoemd artikel 53, § 1, eerste lid voorziet, dient eerst ontvankelijk te worden uitgeput vooraleer de Raad van State kan worden geadieerd. Aldus stond tegen het thans bestreden intrekkingsbesluit van 22 maart 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem op grond van voornoemd artikel 53, § 1, eerste lid beroep open bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. De omstandigheid X-12.325-4/5 dat het college van burgemeester en schepenen na de intrekking van zijn besluit van 15 februari 2005 bij een afzonderlijk besluit de gevraagde vergunning heeft geweigerd doet aan het voorgaande geen afbreuk. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig maart 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. J. BOVIN. X-12.325-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.497 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div